Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:BG6476

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
10-12-2008
Zaaknummer
AWB 05/3563
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/61

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3563

Uitspraakdatum: 18 april 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 1993 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd met als dagtekening 30 september 1996.

1.2 Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar aangetekend. De dagtekening van dit bezwaarschrift is 4 oktober 1996. De Inspecteur heeft geen uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft tegen het niet doen van uitspraak door de Inspecteur bij brief van 26 september 2005, ontvangen bij de rechtbank op 27 september 2005, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 276.

1.3 De Inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4 De Inspecteur heeft vóór de zitting een nadere stuk ingediend, te weten een ambtsedige verklaring van [meester], gedateerd 13 februari 2006. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2006 te [woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6 Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de Inspecteur.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Met dagtekening 15 januari 1996 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag vennootschapsbelasting 1993 opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende op 15 december 1995 bezwaar gemaakt. Op 27 augustus 1996 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. Tegen deze uitspraak is belanghebbende op 4 oktober 1996 in beroep gekomen bij het gerechtshof te [woonplaats]. Het beroep is op 14 april 2004 door het hof behandeld. Het hof heeft op 6 december 2004 uitspraak gedaan, waarbij het beroep van belanghebbende ongegrond is verklaard.

2.2 De onderhavige navorderingsaanslag is met dagtekening 30 september 1996 opgelegd. Het bezwaarschrift tegen deze aanslag is gedagtekend 4 oktober 1996. De Inspecteur heeft geen uitspraak op bezwaar gedaan.

2.3 Op 18 november 1998 heeft een bespreking tussen belanghebbende, de gemachtigden van belanghebbende en de Inspecteur plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze bespreking hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze vaststellingsovereenkomst heeft onder andere betrekking op de aangifte vennootschapsbelasting 1993. In de overeenkomst is het volgende opgenomen:

‘[belanghebbende] BV (…) hierna te noemen Partij A;

De heer [de heer] (…) hierna te noemen partij B;

en de belastingdienst Ondernemingen te [woonplaats] hierbij vertegenwoordigd door de heer [inspecteur] en [inspecteur] hierna te noemen Partij C’

(…)

‘Partijen A en B doen ter zake van de in deze overeenkomst genoemde aangiften uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud afstand van het recht op bezwaar en beroep. De reeds ingediende bezwaarschriften en beroepschriften zullen door partijen A en B per omgaande worden ingetrokken. Een afschrift van het verzoek om intrekking aan het Gerechtshof zal aan partij C worden toegezonden. Na intrekking van de betreffende bezwaar- en beroepschriften zal partij C de aanslagen ter zake van de in deze overeenkomst genoemde bedragen ambtshalve vaststellen conform het overeengekomene;’

2.4 In de ambtsedige verklaring als bedoeld onder punt 1.4 is onder meer opgenomen:

‘Ondergetekende, [inspecteur] ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de Belastingdienst kantoor [woonplaats], verklaart op de eed bij de aanvang zijner bediending afgelegd dat

partijen na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst de mondelinge afspraak hebben gemaakt dat middels ondertekening van de vaststellingsovereenkomst tevens alle bezwaarschriften formeel waren ingetrokken;

partijen deze afspraak hebben gemaakt uit het oogpunt van besparing van tijd en kosten.’

3. Geschil

3.1 In geschil is:

1. of het beroepschrift van belanghebbende ontvankelijk is;

2. of de Inspecteur alsnog uitspraak op bezwaar moet doen;

3. of partiële eindafrekening mogelijk is.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

3.2.1 Belanghebbende

Na de zitting bij het hof heeft de Inspecteur het vertrouwen gewekt dat hij de zaak ondanks de vaststellingsovereenkomst inhoudelijk wilde behandelen. Dit volgt ook uit de voornoemde hofuitspraak.

3.2.2 Inspecteur

Bij de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zijn partijen mondeling overeengekomen dat intrekking zou volgen. Voorts heb ik na de hofzitting aan belanghebbende kenbaar gemaakt dat het niet mogelijk was om tot een inhoudelijke behandeling te komen.

3.3 Belanghebbende concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep waarbij bepaald wordt dat de Inspecteur alsnog uitspraak op bezwaar moet doen en concludeert subsidiair tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de navorderingsaanslag tot een aanslag berekend op basis van een winst die ƒ 225.000 minder bedraagt dan thans door de Inspecteur in aanmerking is genomen. De Inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De rechtbank is van oordeel dat aan het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen voornemen om het bezwaarschrift tegen de onderhavige navorderingsaanslag in te trekken, uitvoering is gegeven door de ondertekening van deze overeenkomst. De rechtbank hecht hierbij geloof aan de in punt 1.4 genoemde ambtsedige verklaring, volgens welke verklaring partijen mondeling zijn overeengekomen dat het bezwaarschrift, door het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst, als ingetrokken moet worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt. De omstandigheid dat de Inspecteur zou hebben aangegeven inhoudelijk op de zaak in te willen gaan, wat daar ook van zij, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende.

4.2 Nu uit het voorgaande volgt dat het bezwaarschrift tegen de onderhavige navorderingsaanslag is ingetrokken, kan belanghebbende op grond van de artikelen 8:1 en 7:1 van de Awb geen beroep aantekenen tegen (de fictieve weigering van de Inspecteur uitspraak op bezwaar te doen inzake) deze navorderingsaanslag.

4.3 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Aan de geschilpunten 2 en 3 wordt derhalve niet meer toegekomen.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 18 april 2006 door mr. W. Brouwer, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ [woonplaats], dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.