Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:BF0372

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-06-2006
Datum publicatie
10-09-2008
Zaaknummer
AWB 05/2844
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2844

Uitspraakdatum: 14 juni 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en Inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 27 juni 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.805.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006 te [woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.707;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van

€ 37 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. In geschil is of belanghebbende heeft aangetoond dat hij in het onderhavige jaar de hem door zijn werkgever ter beschikking gestelde personenauto voor minder dan 500 kilometers, dan wel 3000 kilometers, voor privé-doeleinden heeft gebruikt. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat uit de kilometeradministratie blijkt dat niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden met de auto is gereden. De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat de kilometeradministratie moet worden verworpen en subsidiair op het standpunt dat uit de kilometeradministratie blijkt dat meer dan 500 maar minder dan 3000 kilometer voor privé-doeleinden met de auto is gereden.

2.2. De rechtbank is van oordeel dat de door belanghebbende overgelegde kilometeradministratie, bestaande uit een rittenadministratie, zijn agenda en de brandstofbonnen met vermelding van de kilometerstanden, en zijn verklaringen op vragen betreffende deze administratie, voldoende bewijs heeft geleverd om aan te tonen hoeveel het aantal voor privé-doeleinden verreden kilometers in het onderhavige jaar is geweest en tevens voldoende bewijs is om aan te tonen hoeveel het aantal kilometers woon-werkverkeer is geweest. De rechtbank merkt hierbij nog op dat belanghebbende bij zijn berekening van het brandstofgebruik een onjuist standpunt inneemt, immers de getankte hoeveelheid brandstof dient gerelateerd te worden aan het sinds de laatst voorafgaande tankbeurt aantal verreden kilometers. Belanghebbende heeft echter naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate de verschillen in brandstofverbruik per kilometer na iedere keer tanken verklaard. De omstandigheden dat op aanvankelijk vrije dagen toch is gewerkt en dit abusievelijk niet in de omschrijving van de rittenadministratie is opgenomen en dat de kilometerstanden bij twee garagebeurten volgens de Nationale Auto Pas verschillen met de kilometerstand op die dag in die plaats, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om de volledige administratie als bovenbedoeld te verwerpen. Het voor privé-doeleinden verreden aantal kilometers bedraagt dan voor het onderhavige jaar 455.

2.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 3.145, negende lid aanhef, onderdeel b en de laatste volzin, van de Wet IB 2001 (tekst 2003), dient één derde van het aantal kilometers dat voor het regelmatig woon-werkverkeer is verreden als voor privé-doeleinden verreden kilometers in aanmerking te worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het door de inspecteur bij zijn subsidiaire standpunt opgenomen berekening van dit aantal kilometers van 718 niet te hoog zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Het totaal aantal voor privé-doeleinden verreden kilometers bedraagt in dat geval 1.173 kilometers zodat op grond van artikel 3.145, vierde lid aanhef, en onderdeel a, van de Wet IB 2001 (tekst 2003), het voordeel als bedoeld in het eerste lid van genoemd artikel 3.145, gesteld moet worden op 10% van de cataloguswaarde. Voor dat geval is niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit werk en woning moet worden verminderd tot € 56.707.

2.4. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 14 juni 2006 door mr. C.A.F.M. Stassen, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te [woonplaats] (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ [woonplaats]; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.