Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:BC0858

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
10-04-2006
Datum publicatie
27-12-2007
Zaaknummer
AWB 05/1309
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/264

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/1309

Uitspraakdatum: 10 april 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

wijlen [belanghebbende], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd:

- navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1999, dagtekening 30 november 2004.

- navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2000, dagtekening 20 januari 2005

- navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2001, dagtekening 20 januari 2005

1.2 De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 15 maart 2005 deze navorderingsaanslagen gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 19 april 2005, ontvangen bij de rechtbank op 20 april 2005, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37.

1.3 De Inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2006 te [woonplaats]. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de echtgenote van belanghebbende, vergezeld van de gemachtigden van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5 Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Belanghebbende is sinds 15 februari 1964 als statutair directeur in dienst bij [bedrijf].

2.2 Op 19 juni 2000 hebben belanghebbende en zijn werkgever een nieuwe arbeidsovereenkomst getekend. Artikel 7 van deze overeenkomst luidt als volgt:

‘ 7.1 De statutair directeur neemt deel aan de bij de corporatie geldende (vroeg)pensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds Woningcorporaties (SPW).

7.2 De corporatie draagt zorg voor de aanmelding van de statutair directeur bij het pensioenfonds en draagt zorg voor de afdracht van premies aan het pensioenfonds.

7.3 Van de maandelijkse premie voor deze voorziening houdt de corporatie een percentage in op het maandloon van de statutair directeur dat overeenstemt met het percentage van werknemers op wie de CAO voor woningcorporaties van toepassing is.

7.4 De statutair directeur ontvangt over zijn vaste salaris de pensioenpremiecompensatie van 2,5 procent tot een maximum van het daadwerkelijk verschuldigde werknemersaandeel in de premie.

7.5 De corporatie maakt met de statutair directeur afspraken over de opbouw van het vroegpensioen, inclusief het deel dat uitgaat boven de maximeringsgrens, alsmede over de financiële bijdrage door de corporatie (zie bijlage 1).

7.6 (…)’

2.3 De tekst van de in artikel 7 bedoelde bijlage luidt als volgt:

‘ De premieverdeling tussen de corporatie en de statutair directeur ten behoeve van de opbouw van het vroegpensioen is als volgt:

1. De premieverdeling voor de vroegpensioenregeling tot 73,5% van de maximeringsgrens is conform het werkgevers- en werknemersaandeel zoals opgenomen in de CAO voor personeel in dienst van woningcorporaties.

2. Voor de opbouw van het vroegpensioen tot 80% van het gemiddeld pensioengevend jaarloon zal de premie geheel voor rekening van de corporatie komen zoals overeengekomen in 1998. De opbouw van het vroegpensioen is destijds ondergebracht bij Centraal Beheer en eindigt op 1 oktober 2005.

3. De opbouw van het vroegpensioen boven 80% van het gemiddeld pensioengevend jaarloon komt geheel voor rekening van de statutair directeur.’

2.4 In zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1998 vermeldt belanghebbende een bedrag van ƒ 12.206 als zijnde premies voor particuliere verzekeringen.

2.5 Met dagtekening 1 maart 2000 stuurt de Inspecteur belanghebbende een vragenbrief over onder andere de in de aangifte 1998 in aftrek gebrachte premies voor particuliere verzekeringen. De Inspecteur vraagt belanghebbende om hem de betalingsbewijzen van de premies en de polissen (inclusief polisvoorwaarden en clausulebladen) toe te zenden. Na belanghebbende op 2 mei 2000 gerappelleerd te hebben, stuurt belanghebbende de Inspecteur de polissen met polisvoorwaarden en een begeleidende brief waarin hij vermeldt:

‘Zoals op de polissen vermeld wordt de jaarpremie betaald door de werkgever, die dit maandelijks in mindering brengt op het salaris’.

In de door belanghebbende verstrekte polissen ‘Flexibel Spaar Pensioen’ is opgenomen:

‘Deze polis geldt als bewijs van verzekeringsovereenkomst, als bedoeld in artikel 2, 4e lid onder C van de Pensioen- en spaarfondsenwet.’

2.6 De Inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1998 conform de aangifte opgelegd.

2.7 In zijn aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1999, 2000 en 2001 vermeldt belanghebbende ieder jaar een bedrag van ƒ 48.823 als premie voor particuliere verzekeringen.

2.8 De uitworp consistentie en/of selectiecontrole inzake de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1999 vermeldt de volgende tekst:

‘v.j. gecontroleerd en accoord bevonden door PvdS, derhalve nu geen nader onderzoek’

2.9 De aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1999, 2000 en 2001 zijn conform de ingediende aangiften opgelegd.

2.10 Uit de salarisstrook van belanghebbende over augustus 2003 blijkt dat bij het brutoloon een bedrag wordt opgeteld onder vermelding van ‘vergoeding flex. spaarpensioen’ en dat dit bedrag daarna tevens in mindering wordt gebracht op het brutoloon onder vermelding van ‘flexibel spaar pensioen’.

2.11 Met dagtekening 4 november 2004 stuurt de Inspecteur belanghebbende een brief. In deze brief is vermeld:

‘Uit een onderzoek bij [Woonservice] is gebleken dat de heer [belanghebbende] inzake de pensioenvoorziening een onbelaste tegemoetkoming heeft ontvangen ter hoogte van het bedrag waarvoor de premiebetalingen zijn gedaan aan het pensioenfonds. De bedragen stonden weliswaar op de loonstrook maar hieruit kon ook worden afgeleid dat deze niet in de belastingheffing waren betrokken. Het blijkt nu dat deze bedragen over de jaren 1999 t/m 2002 tevens ten onrechte als premies voor lijfrenten op het belastbaar inkomen in mindering zijn gebracht. Hierdoor is het inkomen over deze jaren te laag vastgesteld. Op grond van het vorenstaande ben ik dan ook voornemens over de genoemde jaren navorderingsaanslagen op te leggen. De aanslagen zullen worden opgelegd zonder boete.’

2.12 De Inspecteur heeft de onderhavige navorderingaanslagen conform zijn aankondiging opgelegd, waarbij hij de door belanghebbende in aftrek gebrachte premies ter zake van particuliere verzekeringen heeft nagevorderd.

3. Geschil

3.1 In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Niet in geschil is dat de door belanghebbende in aftrek gebrachte bedragen niet voor aftrek in aanmerking komen.

3.2 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

3.2.1 Belanghebbende

Door de gang van zaken rond de aanslagregeling 1998 heeft de Inspecteur geen nieuw feit. De Inspecteur had immers alle gegevens al. Verder wil niet zeggen dat omdat ik directeur ben, ik over fiscale kennis beschik. Mijn echtgenote beschikte ook niet over fiscale kennis, zij was hoofd automatisering.

3.2.2 Inspecteur

Als belanghebbende zich in de materie had verdiept, had hij gemerkt dat aftrek niet mogelijk was, zulks ook op basis van de arbeidsovereenkomst en loonstroken. Door die stukken was belanghebbende er van op de hoogte dat hij de premies niet zelf betaalde. Ook de omstandigheid dat het nettoloon steeds hetzelfde heeft bedragen is een aanwijzing voor niet-aftrekbaarheid.

3.3 Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is navordering mogelijk indien er sprake is van een nieuw feit dan wel indien er sprake is van kwade trouw. Op de Inspecteur rust de bewijslast omtrent het nieuwe feit of de kwade trouw.

4.2 De Inspecteur stelt dat hij tijdens de aanslagregeling over het jaar 1998 aan de door belanghebbende vermelde opmerking als bedoeld in punt 2.5 het vermoeden kon ontlenen dat de pensioenpremie op het nettoloon van belanghebbende in mindering werd gebracht, zodat de premie inderdaad aftrekbaar zou zijn geweest. Voorts stelt de Inspecteur dat er destijds geen aanleiding was om tot nader onderzoek over te gaan, nu hij op de juistheid van deze opmerking mocht afgaan. Daarnaast waren er geen aanwijzingen dat de verstrekte informatie niet juist was. De Inspecteur is derhalve van mening dat de bij het boekenonderzoek bij de werkgever geconstateerde gegevens omtrent de niet-aftrekbaarheid van de pensioenpremie een nieuw feit vormen, nu deze gegevens hem niet eerder bekend waren of hadden kunnen zijn.

4.3 De rechtbank is van oordeel dat de Inspecteur uit de door belanghebbende vermelde opmerking als bedoeld in punt 2.5 niet zonder meer mocht concluderen dat de pensioenpremies op het nettoloon van belanghebbende werden ingehouden, zulks gezien het in de polissen vermelde omtrent de Pensioen- en Spaarfondsenwet zoals ook is weergegeven in punt 2.5. Nu de Inspecteur naar aanleiding van de door belanghebbende verstrekte gegevens heeft nagelaten nadere vragen aan belanghebbende te stellen, dan wel nogmaals om betalingsbewijzen te verzoeken, kan hij zich thans niet beroepen op de aanwezigheid van een nieuw feit. De rechtbank is van oordeel dat de gegevens die tijdens het boekenonderzoek bij de werkgever van belanghebbende naar voren zijn gekomen, de Inspecteur reeds bij de aanslagregeling over het jaar 1998 bekend hadden kunnen zijn.

4.4 De Inspecteur stelt voorts dat er sprake is van kwade trouw, nu belanghebbende de pensioenpremies in aftrek heeft gebracht terwijl hij wist dat dit niet mogelijk was. Belanghebbende heeft daarmee opzettelijk onjuist aangifte gedaan over de jaren 1999 tot en met 2001.

4.5 De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende wist dat de premies niet voor aftrek in aanmerking kwamen, zulks met name gezien het bepaalde in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst en de bij deze overeenkomst behorende bijlage 1. Ondanks deze wetenschap heeft belanghebbende de premies toch in zijn aangiften in aftrek gebracht. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende met zijn in punt 2.5 genoemde opmerking de Inspecteur de juiste inlichtingen heeft onthouden dan wel de Inspecteur onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Uit de in punt 2.10 genoemde salarisstrook volgt dat de werkgever aan belanghebbende een onbelaste vergoeding heeft verstrekt, zodat er per saldo geen premies in mindering zijn gebracht op het salaris. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende ter zake van de in aftrek gebrachte premies te kwader trouw is, nu het aan het opzettelijk onjuist handelen van belanghebbende te wijten is dat er bij het opleggen van de primitieve aanslagen te weinig belasting geheven is. De navorderingsaanslagen zijn derhalve terecht opgelegd.

4.6 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2006 door mr. W. Brouwer, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.