Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:BB2769

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
AWB 05/4255
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4255

Uitspraakdatum: 20 juni 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 30 september 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2001 en over het jaar 2002, alsmede de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2003.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2006 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1 Belanghebbende heeft met ingangsdatum 1 april 1990 een kapitaalverzekering (hierna: de verzekering) gesloten. Ter zake van de verzekering zijn premies voldaan, welke belanghebbende in zijn aangiften over het jaar 2001, 2002 en 2003 in aftrek heeft gebracht als zijnde premies ter zake van lijfrente. In de onderhavige jaren is een bedrag van € 4.901 per jaar in aftrek gebracht.

2.2 Bij de behandeling van de aangifte over 2003 is door de inspecteur geconstateerd dat in 2001, 2002 en 2003 ten onrechte genoemd bedrag van € 4.901 per jaar in aftrek is gebracht ter zake van betaalde premies lijfrente. Derhalve heeft de inspecteur bij de aanslagregeling voor het jaar 2003 de aangifte over dat jaar gecorrigeerd met € 4.901 ter zake van in aftrek gebrachte premies. Omdat de primitieve aanslagen voor de jaren 2001 en 2002 reeds waren opgelegd, heeft hij ter zake van deze correctie over die jaren navorderingsaanslagen opgelegd. Na bezwaar zijn de aanslagen gehandhaafd.

2.3 In geschil zijn de onderhavige (navorderings-)aanslagen.

2.4 Naar de rechtbank begrijpt, heeft belanghebbende bedoeld te stellen dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit in de zin van artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de AWR, omdat de inspecteur bij de aanslagregeling over de jaren 2001 en 2002 heeft verzuimd te controleren of belanghebbende in de aangifte 2001 en 2002 met recht lijfrentepremies in aftrek heeft opgevoerd. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur in het algemeen erop mag vertrouwen dat een aangifte correct is ingevuld en dat alleen indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de juistheid van de op de aangifte vermelde gegevens, de inspecteur een nader onderzoek dient in te stellen. Aan de enkele omstandigheid dat met ingang van 1 januari 2001 de aftrekmogelijkheid van premies zoals de onderhavige is komen te vervallen, heeft de inspecteur niet een zodanige twijfel voor de onjuistheid van de aangifte behoeven te ontlenen dat het nalaten van een nader onderzoek op dit punt hem als een ambtelijk verzuim kan worden aangerekend. Aftrek van premie lijfrente is immers vanaf 2001 ook nog mogelijk indien de polis voldoet aan de voorwaarden gesteld in de Wet inkomstenbelasting 2001. De inspecteur hoeft er naar het oordeel van de rechtbank niet op bedacht te zijn dat sprake zou kunnen zijn van een onjuiste verzekeringspolis. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van een nieuw feit en zijn de navorderingsaanslagen terecht opgelegd.

2.5 Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld door de gevraagde aftrek van lijfrentepremies pas naar aanleiding van de aangifte over het jaar 2003 aan een onderzoek te onderwerpen en daardoor belanghebbende voor het voldongen feit heeft geplaatst dat de polis niet meer binnen de door de Staatssecretaris van Financiën in zijn Besluit van 28 augustus 2002 gestelde termijn kan worden aangepast, overweegt de rechtbank als volgt. Belanghebbende, die terzake een aftrekpost claimt, is verantwoordelijk voor de juistheid van de door hem ingediende aangifte. De wetswijziging waarbij met ingang van 2001 een wijziging kwam in het aftrekregime voor lijfrentepolissen, is ruimschoots in de publiciteit geweest. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de verzekeringsmaatschappij bij wie belanghebbende zijn verzekering heeft afgesloten, welke maatschappij in enige mate een zorgplicht heeft voor haar cliënten, belanghebbende niet heeft ingelicht over de wijzigingen. Het was derhalve aan hem –eventueel door tussenkomst van een deskundige- om er voor te zorgen dat de door hem gevraagde aftrek in overeenstemming is met de huidige regelgeving en niet af te wachten tot de inspecteur hem opmerkzaam maakt op de onjuistheid van zijn stelling. Van onzorgvuldig handelen van de zijde van de inspecteur is dan ook geen sprake nu deze eerst naar aanleiding van de aangifte over 2003 de onjuistheid van belanghebbendes stelling heeft ontdekt.

2.6 Op grond van het vorenoverwogene heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank met recht de onderhavige navorderingsaanslagen over 2001 en 2002 en de primitieve aanslag over 2003 opgelegd.

2.7 Op grond van het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

2.8 De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, noch voor teruggave of vergoeding van griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan op 20 juni 2006 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ‘s-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.