Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:BA6390

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
05-06-2007
Zaaknummer
AWB 05/2379
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/2379

Uitspraakdatum: 4 januari 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als belanghebbende, respectievelijk de inspecteur.

Betreft:

De uitspraak van de inspecteur van 25 mei 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting over de periode 31 maart 2003 tot en met 30 maart 2005.

Onderzoek ter zitting:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2005 te Breda.

Belanghebbende is daar verschenen, tot zijn bijstand vergezeld van zijn echtgenote en de inspecteur is verschenen

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37,= vergoedt;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende ten bedrage van € 199,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende dient te vergoeden.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is sinds 25 juni 2002 houder van een motorvoertuig, merk Isuzu, kenteken [00-00-00]. Op 25 januari 2005 is daarvan geconstateerd dat de ter zake verschuldigde motorrijtuigenbelasting niet naar het juiste tarief was voldaan. Afgedragen was naar het bestelautotarief terwijl had moeten worden betaald naar het personenautotarief. Voor het verschil is, over de periode van 31 maart 2003 tot en met 30 maart 2005, een naheffingsaanslag opgelegd, groot € 2.251,=. De constatering is al rijdende gedaan en is gebaseerd op een onvolledig tussenschot. Ingevolge artikel 3 aanhef en eerste lid, letter b, onder 2 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting (hierna: Wet MRB) dient van een motorvoertuig, om niet te worden aangemerkt als een personenauto, voor het geval dat de laadruimte minder dan 25 cm hoger is dan de cabine, de bestuurderszitplaats te zijn afgescheiden door een vaste wand over ten minste de gehele breedte van de cabine, welke wand direct achter de zitplaats is aangebracht en ten minste dezelfde hoogte heeft als de bestuurderscabine.

2.2. Aan de overige in artikel 3 Wet MRB gestelde eisen voor het aanmerken als bestelauto wordt, naar niet wordt weersproken, voldaan.

2.3. Belanghebbende stelt dat hij de auto tweedehands heeft aangeschaft, reeds voorzien van een zogenaamd “grijs kenteken”, dat hij daar verder geen ingrepen aan heeft verricht en dat hij zich ter verificatie heeft gemeld bij een keuringsstation van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW), waar hem werd verzekerd dat de auto voldeed aan de voor een grijs kenteken gestelde eisen. Verder verklaart hij bereid te zijn geweest de auto, ook voor wat betreft het tussenschot, alsnog aan te passen en wijst hij er op dat hij privé een andere auto rijdt en de onderhavige auto slechts voor zijn bedrijf gebruikt. Tenslotte wijst hij op het, in zijn ogen, enorm hoge bedrag van de belasting, dat hij niet in verhouding vindt staan tot het aan de auto geconstateerde gebrek.

2.4. Belanghebbende heeft getracht zich zekerheid omtrent de fiscale kwalificering van de auto te verschaffen, door deze aan te bieden aan de RDW. De inspecteur kan worden nagegeven dat aan een stellingname van de RDW, niet zijnde een onderdeel van de belastingdienst, geen een de belastingdienst bindend vertrouwen kan worden ontleend. Desalniettemin acht de rechtbank het niet onbegrijpelijk dat belanghebbende, geen deskundigheid bezittend omtrent de wijze waarop de diverse onderdelen van de rijksdienst zich tot elkaar verhouden, aan een uitspraak van een specifiek met voertuigtechniek belast overheidsorgaan als de RDW, een zekere verwachting omtrent de fiscale kwalificering van de auto, die hij reeds met een grijs kenteken had aangeschaft, kon ontlenen.

2.5. De rechtbank verstaat de verwijzing, door belanghebbende, naar de hoogte van de naheffingsaanslag, in verhouding tot het geconstateerde gebrek, gevoegd bij de in het beroepschrift verwoorde opvatting, dat van een onevenredige hardheid sprake zou zijn,

als een beroep op het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde evenredigheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven situatie een relatief geringe onvolkomenheid inderdaad tot een onevenredig gevolg leidt, en dat de stelling van de inspecteur dat de naheffingsaanslag tot slechts twee jaar is beperkt en is afgezien van het opleggen van een boete, aan dat oordeel niet afdoet. Vaststaat voorts dat, afgezien van het tekort schietende tussenschot de auto overigens aan de door de Wet MRB gestelde eisen voor het aanmerken als bestelauto, voldeed. Voorts is het aannemelijk dat het tussenschot, naar belanghebbende heeft gesteld en door de inspecteur niet is weersproken, met een relatief geringe ingreep aan de wettelijke vereisten had kunnen worden aangepast. In het verleden bestond voor gevallen als het onderhavige een zogenaamd “herstelbeleid”, wat inhield dat gevolgen voor wat betreft de heffing van motorrijtuigenbelasting achterwege bleven als de tekortschietende auto in kwestie binnen een zekere termijn alsnog werd aangepast aan de wettelijke normen. Bij Besluit van 13 december 2002, nr. CPP2002/157M, onder meer gepubliceerd in V-N 2003/10.25, heeft de Staatssecretaris van Financiën het herstelbeleid zodanig aangescherpt dat gevallen waarbij een volledige vaste tussenwand ontbreekt niet langer voor het herstelbeleid in aanmerking kwamen en onmiddellijk tot naheffing wordt overgegaan. De rechtbank is van oordeel dat de Staatssecretaris voor gevallen als het onderhavige in redelijkheid niet tot die beslissing heeft kunnen komen, nu in het besluit slechts gesproken wordt over gevallen waarin een volledige vaste tussenwand ontbreekt, zonder daarbij enig voorbehoud te maken voor gevallen als het onderhavige waarin, zoals hiervoor is omschreven, slechts sprake was van een geringe tekortkoming van de vaste tussenwand die eenvoudig had kunnen worden hersteld.

2.6. Gelet op het al hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep van belanghebbende gegrond en dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd.

3. Griffierecht en proceskosten

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht, ten bedrage van € 37,=, te worden vergoed.

Nu het beroep gegrond is acht de rechtbank termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Deze kosten worden, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, gesteld op de kosten voor het indienen van het beroepschrift, waarbij belanghebbende gebruikt heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op 1 (punt) x € 322,= (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 161,= vermeerderd met een bedrag aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting voor belanghebbende zelf, berekend op basis van het openbaar vervoer 2e klasse, ad € 38,=, is in totaal € 199,=.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. D. Hund. De beslissing is op 4 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. E. Woltman, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.