Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ7124

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
11-12-2006
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
AWB 05/2611
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2009:BI2219, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is hoofdelijk aansprakelijk gesteld op grond van art. 1:102 Burgerlijk Wetboek. Aansprakelijkstelling op grond van voornoemd artikel is in Hoofdstuk VI van de Invorderingswet niet genoemd als geval waarin een persoon aansprakelijk kan worden gesteld voor belastingschulden van derden. Artikel 32, eerste lid van de Invorderingswet laat de mogelijkheid open dat de ontvanger een persoon op grond van enige andere wettelijke regeling dan de Invorderingswet aansprakelijk stelt. Dit dient plaats te vinden overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen van burgerlijke rechtsvordering. Nu de aansprakelijkstelling niet kan worden gebaseerd op Hoofdstuk VI van de Invorderingswet, ontbreekt de wettelijke basis om belanghebbende bij beschikking aansprakelijk te stellen. De rechtbank vernietigt de beschikking aansprakelijkstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/25.2.5
FutD 2007-0185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2611

Uitspraakdatum: 11 december 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en ontvanger.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de ontvanger van 25 juli 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking tot aansprakelijkstelling voor de aan de heer [belanghebbende] opgelegde (voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 1997 tot en met 1999 tot een bedrag van € 101.074,77.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2006.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de ontvanger.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de beschikking aansprakelijkstelling;

- veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende is door de ontvanger op grond van artikel 1:102 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de niet betaalde voornoemde aanslagen inkomstenbelasting van haar echtgenoot. De ontvanger heeft belanghebbende aansprakelijk gesteld bij beschikking van 2 november 2004.

2.2. Krachtens Hoofdstuk VI van de Invorderingswet 1990 (Inv) kunnen in in die wet bepaalde gevallen personen aansprakelijk worden gesteld voor belastingschulden van derden. Aansprakelijkstelling op grond van artikel 1: 102 BW is in die wet niet als zodanig genoemd. Artikel 32, eerste lid, Inv laat de mogelijkheid open dat de ontvanger een persoon op grond van enige andere wettelijke regeling dan de Invorderingswet aansprakelijk stelt.

2.3. Aansprakelijkstelling op grond van artikel 1:102 BW dient plaats te vinden overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen van burgerlijke rechtsvordering. Nu de aansprakelijkstelling niet kan worden gebaseerd op Hoofdstuk 6 Inv, ontbreekt de wettelijke basis om belanghebbende bij beschikking aansprakelijk te stellen. De rechtbank zal de beschikking derhalve vernietigen.

2.4. De rechtbank komt aan de inhoudelijke behandeling van het beroep niet toe.

2.5. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de Ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 11 december 2006 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. van Sleuwen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ‘s-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.