Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ6240

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/854
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop economische eigendom aan een B.V. in 1998. Verkoper behoudt het risico van tenietgaan.

Kenmerk: 06/855: Rechtbank acht aannemelijk dat enig risico van tenietgaan bij de verkoper is achtergebleven, dus geen heffing overdrachtsbelasting. Vernietiging naheffingsaanslag.

Kenmerk: 06/854: Inspecteur maakt niet aannemelijk dat met een overeenkomst in 2002 alsnog enig risico van tenietgaan is overgegaan op de economische eigenaar. Vernietiging naheffingsaanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2007/4.7
V-N 2007/26.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/854

Uitspraakdatum: 5 december 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 18 januari 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting voor het jaar 2002.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2006 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.288, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 276 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. In geschil is of belanghebbende op 18 januari 2002 met de overdracht van de aandelen in [BV1]. de economische eigendom, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (de Wet), tekst 1998, van de onroerende zaak [straat] te [woonplaats] (de onroerende zaak ofwel het pand) heeft verkregen. De rechtbank begrijpt deze vraag op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als volgt:

Heeft belanghebbende met de overdracht van de aandelen [BV1]. op 18 januari 2002 in aanvulling op hetgeen op 14 december 1998 reeds is verkregen, op 18 januari 2002, de economische eigendom in de zin van artikel 2, tweede lid van de Wet, verkregen?

De rechtbank merkt ten aanzien van de in het onderhavige geval van toepassing zijnde wettekst het volgende op. Op het tijdstip van de verkrijging waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft is de tekst van artikel 2, tweede lid van de Wet van toepassing zoals die luidde na de wijziging van het meerbedoelde tweede lid volgens de Wet van 22 december 1999, houdende wijziging van belastingwetten c.a. (belastingplan 2000), Staatsblad 579, jaargang 1999. Nu belanghebbende ten aanzien van de verkrijging waarop de onderhavige naheffingsaanslag betrekking heeft als verkrijger is aangemerkt, kan de aandelenoverdracht van 18 januari 2002 op geen andere verkrijging betrekking hebben dan de in de tweede volzin van de vorige alinea bedoelde verkrijging en kan de genoemde wetswijziging van het tweede lid, voor de beslissing op het onderhavige beroep geen gevolgen hebben.

2.2. Vaststaat dat [aandeelhouder] middels [BV1]. 100% aandeelhouder is in belanghebbende. De onroerende zaak is tot 9 december 1994 volledig in eigendom bij onroerend goed B.V., thans hetende [BV2]. Onroerend goed B.V. heeft bij overeenkomst van 8 december 1994 de gehele economische eigendom van de onroerende zaak aan [aandeelhouder] overgedragen.

2.3. Bij uitspraak van heden in de zaak van belanghebbende met procedurenummer 06/855, heeft de rechtbank beslist dat bij de overeenkomst van 14 december 1998 een complex van rechten en verplichtingen ten aanzien van het pand op belanghebbende is overgegaan, welk complex van rechten en verplichtingen niet omvat enig risico van tenietgaan zodat op 14 december 1998 geen sprake is van een verkrijging als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet (tekst 1998). Blijkens de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat vast dat enkel indien het gelijk in de zaak 06/855 aan de zijde van belanghebbende is een beslissing in het onderhavige geschil belang heeft weshalve de rechtbank de in de zaak 06/855 gegeven oordelen in de onderhavige zaak als uitgangspunt zal nemen.

2.4. De overeenkomst van aandelenovername van 18 januari 2002 luidt, voorzover te dezen van belang, als volgt:

"Ondergetekenden:

1. [aandeelhouder], handelende voor zich, alsmede als directeur van [BV1].,

hierna te noemen verkoper;

en

2. De heer [directeur], handelende als directeur van [BV3]., hierna te

noemen koper;

Overwegende:

- Dat verkoper eigenaar is van het gehele geplaatste en gestorte aandelenkapitaal van [BV1]., welke venootschap op haar beurt direct of indirect 100% eigenaar is van B.V., [BV4]., [BV5]., [BV6], [BV7]. en [BV2].;

- Dat verkoper de aandelen aan koper wenst te verkopen, uitgaande van een waarde van 1 euro voor de aandelen van: [BV4]., [BV5]., [BV6], [BV7]. en [BV2]. te samen, te verhogen met een omzetbonus;

- Dat bij de verdere prijsbepaling de waarde van bet bedrijfspand gelegen [straat], te [woonplaats] gesteld zal worden op 2.790.748 Euro;

- Dat voorts de pensioen, lijfrente en stamrecht verplichtingen, alsmede de daarbij behorende beleggingen en activa zullen worden gewaardeerd op de waarde waarvoor deze zullen worden overgedragen aan een vennootschap van verkoper, rekening houdende met fiscale verplichtingen uit hoofde van die overdracht;

- Dat partijen overeenstemming hebben bereikt over deze verkoop en de daarbij behorende voorwaarden;

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

1. Koop/verkoop

1. Verkoper verkoopt per heden aan koper, alle aandelen van verkoper, vormende het gehele geplaatste en gestorte aandelenkapitaal in [BV1]., welke vennootschap op haar beurt direct of indirect 100% eigenaar is van B.V., [BV4]., [BV5]., [BV6], [BV7]. en [BV2].

2. Verkoper verkoopt per heden aan koper een perceel grond aan de [woonplaats] ([straat]) groot 2.500 m2 voor 340.000 Euro kosten koper.

3. De juridische levering van het verkochte zal zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 5 werkdagen na heden geschieden bij akte te passeren door notaris te [woonplaats],

(…)

4. Garanties

1. Verkoper garandeert dat:

1- hij volledig gerechtigd is om deze transactie aan te gaan;

2- de heer Kosten per 1 februari 2002 zijn dienstverband bij de vennootschap zal beëindigen zonder verdere kosten voor koper;

3- het vermogen en de op de balans vermelde activa volgens de op te stellen overdrachtsbalans op transactiedatum volledig aanwezig zijn;

4- dat er geen andere bekende of niet bekende fiscale verplichtingen zijn dan die waarvoor in de balans voorzieningen zijn getroffen;

5- de vennootschappen beschikken over alle voor de bedrijfsuitoefening noodzakelijke vergunningen en rechten;

6- alle rechten en merken volledig en onbezwaard eigendom zijn van de over te dragen vennootschappen;

7- hij onmiddellijk de volledige administratie, contracten en documenten met betrekking tot het verkochte aan koper zal overdragen;

8- Het bedrijfsonroerend goed wordt overgedragen inclusief het risico van tenietgaan,

eventuele overdrachtsbelasting 1) [verwijzing naar handgeschreven aantekening] is voor rekening van Verkoper.

9- Tussen 31 december 2001 en heden hebben geen bedrijfsongebruikelijke transacties

plaatsgevonden.

(…)

5. Nakoming

1. Partijen hebben geen recht om ontbinding van deze overeenkomst te verlangen;

2. Partijen zullen de koop en verkoop van aandelen en levering zoals hierbij overeengekomen

goed volledig nakomen. Bij niet tijdige levering van de aandelen en het onroerend goed verbeurt Verkoper een boete van 1 miljoen Euro, los van Koper om nakoming te eisen.

3. Partijen verplichten zich over en weer om de overeenkomst naar de bedoeling van partijen te effectueren."

Aan de bovenzijde van het derde blad van de overeenkomst is handgeschreven, en voorzien van de twee paraven van de ondertekenaars van de overeenkomst, vermeld:

"1) voor zover deze voortvloeit uit de overdracht van het risico van tenietgaan"

Daaronder is in een ander handschrift handgeschreven vermeld:

"aanvulling goedgekeurd".

2.5. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat met de overeenkomst als bedoeld in 2.4 met ingang van 18 januari 2002 enig risico van tenietgaan van de onroerende zaak op belanghebbende is overgegaan. De rechtbank neemt hierbij het volgende in overweging. Niet is in geschil dat de in 2.4 bedoelde overeenkomst is aangegaan tussen van elkaar onafhankelijke en niet gelieerde partijen. De rechtbank is voorts van oordeel dat het in de overeenkomst onder "4. Garanties" onderdeel 8 opgenomen beding redelijkerwijs niet kan betekenen dat vanaf de dag van de overeenkomst [aandeelhouder] het risico van tenietgaan heeft overgedragen aan belanghebbende, de partij bij de overeenkomst van 14 december 1998. Belanghebbende is immers geen partij bij de overeenkomst van 18 januari 2002. Bovendien staat onweersproken vast dat ten tijde van de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak en de zaak met procedurekenmerk 06/855 de overeenkomst waarbij het risico van tenietgaan wordt overgedragen van [aandeelhouder] aan [BV8], rechtsgeldig vertegenwoordigd door [directeur], is gedateerd noch ondertekend, waaruit de rechtbank met belanghebbende afleidt dat die overeenkomst tot op de dag van de mondelinge behandeling nog niet is aangegaan.

2.6. Op grond van de in 2.3 genoemde beslissing en het in 2.5 overwogene is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende met de overdracht van de aandelen [BV1]. op 18 januari 2002 in aanvulling op hetgeen op 14 december 1998 reeds is verkregen, op 18 januari 2002, de economische eigendom in de zin van artikel 2, tweede lid van de Wet, niet heeft verkregen. Voor dat geval is niet in geschil dat het beroep gegrond is en de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag moeten worden vernietigd.

2.7. Nu het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.288 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5). Belanghebbende heeft geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld op grond waarvan moet worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid van genoemd artikel 2. Schade die in aanmerking komt voor vergoeding is gesteld noch gebleken.

2.8. Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als hiervoor vermeld.

Deze uitspraak is gedaan op 5 december 2006 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E. Woltman, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.