Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ6224

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
16-01-2007
Zaaknummer
AWB 06/855
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop economische eigendom aan een B.V. in 1998. Verkoper behoudt het risico van tenietgaan.

Kenmerk: 06/855: Rechtbank acht aannemelijk dat enig risico van tenietgaan bij de verkoper is achtergebleven, dus geen heffing overdrachtsbelasting. Vernietiging naheffingsaanslag.

Kenmerk: 06/854: Inspecteur maakt niet aannemelijk dat met een overeenkomst in 2002 alsnog enig risico van tenietgaan is overgegaan op de economische eigenaar. Vernietiging naheffingsaanslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/23.2.4
FutD 2007-0122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/855

Uitspraakdatum: 5 december 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 18 januari 2006 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting voor het jaar 1998.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2006 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, gemachtigden van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.288, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 276 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. In geschil is of belanghebbende op 14 december 1998 de economische eigendom, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (de Wet, tekst 1998), van de onroerende zaak [straat] te [woonplaats] (de onroerende zaak ofwel het pand) heeft verkregen.

2.2. Vaststaat dat [aandeelhouder] middels B.V. 100% aandeelhouder is in belanghebbende. De onroerende zaak is tot 9 december 1994 volledig in eigendom bij onroerend goed B.V., thans hetende [BV]. Onroerend goed B.V. heeft bij overeenkomst van 8 december 1994 de gehele economische eigendom van de onroerende zaak aan [aandeelhouder] overgedragen.

2.3. De notulen van de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van belanghebbende de dato 14 december 1998 luiden, voorzover te dezen van belang, als volgt:

"Vervolgens brengt de voorzitter het volgende voorstel in stemming:

Het pand gelegen aan de [straat] te [woonplaats] wordt in economische eigendom

aangekocht van de heer [aandeelhouder] zulks voor rekening en risico van

B.V., met uitzondering van het risico van tenietgaan dat achterblijft bij de heer

[aandeelhouder], een en ander met ingang van 14 december 1998. De huurinkomsten over de

maand december 1998 worden naar rato verrekend tussen de heer [aandeelhouder] en B.V. Ter zake zullen partijen zonodig een optie belaste levering indienen.

De vergadering heeft het hiervoor gemelde voorstel met algemene stemmen aangenomen en machtigt de directeur der vennootschap zorg te dragen de verdere uitvoering van dit

besluit en vast te leggen in een daartoe op te stellen afzonderlijke overeenkomst. Partijen

beschouwen deze notulen als overeenkomst tussen [belanghebbende] B.V. en de [aandeelhouder]."

2.4. De schriftelijke vastlegging op 21 april 1999 van de in 2.1 bedoelde overeenkomst luidt, voorzover te dezen van belang, als volgt (waarbij voor verkoper respectievelijk koper moet worden gelezen [aandeelhouder] respectievelijk B.V.(belanghebbende)):

" in aanmerking nemende:

- dat verkoper van de hierna te omschrijven onroerende zaak de economische eigendom heeft;

- dat op 14 december 1998 in de algemene vergadering van aandeelhouders van B.V. is besloten dat koper het pand aan de [straat] te [woonplaats] in economische eigendom (met uitzondering van het risico van tenietgaan) van verkoper zal kopen;

- dat verkoper de hierna te omschrijven onroerende zaak thans wenst te verkopen aan koper;

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

A. Verkoper draagt per heden, de economische eigendom behoudens het risico van tenietgaan,

met ingang van 14 december 1998, in eigendom over aan koper die van verkoper deze

eigendom aanvaardt, van de hierna te vermelden onroerende zaak.

(…)

B. Voormelde overeenkomst van verkoop en koop is geschied onder de volgende bepalingen:

1. (…)

2. Verkoper staat ervoor in dat thans van overheidswege geen verbeteringen, veranderingen en/of herstellingen zijn voorgeschreven en dat ten aanzien van het gekochte geen optie- of voorkeursrecht van overheidswege of van één of meer particulieren bestaat.

3. (…)

4. Verkoper staat er voor in, dat met betrekking tot het verkochte:

a. de zakelijke lasten en belastingen over de voorgaande jaren verschuldigd, voorzover de aanslagen daarvoor reeds zijn opgelegd, zijn voldaan en voorzover de aanslagen daarvoor nog moeten worden opgelegd alsmede de in dit kalenderjaar op te leggen aanslagen, onverwijld na die oplegging door hem zullen worden voldaan;

b. door hem voorzover nodig tot heden stipt zijn nagekomen alle persoonlijke verplichtingen waartoe hij ingevolge zijn voormelde aankomsttitels ten aanzien van het verkochte gehouden mocht zijn.

5. Verkoper verleent met betrekking tot het verkochte generlei vrijwaring voor zichtbare en aan hem onbekende verborgen gebreken en voor aan hem onbekende erfdienstbaarheden en lasten. Verkoper verklaarde, dat hem met betrekking tot het verkochte evenwel geen gebreken, erfdienstbaarheden of lasten bekend zijn.

6. Verkoper staat er voor in, dat met betrekking tot het verkochte:

a. het risico van tenietgaan bij de verkoper blijft;

b. verkoper verplicht is zich te verzekeren tegen het risico van tenietgaan, waarbij hij de uitgekeerde bedragen als gevolg van het tenietgaan, dient aan te wenden voor herstel van de onroerende zaak in zijn oorspronkelijke staat;

c. verkoper verplicht. is, onverminderd het bepaalde sub b, de onroerende zaak voor zijn rekening in oorspronkelijke staat te herstellen, voorzover het teniet gaan niet verzekerd is dan wel niet verzekerbaar is.

7. Alle lasten van het verkochte zijn met ingang van 14 december 1998 voor rekening van koper, behoudens de sub 6 genoemde lasten.

8. Aan koper worden bij dezen opgelegd alle eventuele verplichtingen welke krachtens vorige titels aan een opvolgend koper moeten worden opgelegd, welke verplichtingen koper bij dezen verklaart op zich te nemen en eventueel op te zullen leggen aan de sub B.1. bedoelde derde(n). Deze verplichtingen gaan in op heden voor koper.

9. Het verkochte is, behoudens het risico van tenietgaan, met ingang van 14 december 1998 voor rekening en risico van koper. De huurinkomsten over de maand december 1998 worden naar rato verrekend tussen de heer [aandeelhouder] en B.V.

10. De kosten van deze akte komen ten laste van verkoper, Alle overige kosten op deze overeenkomst van koop en verkoop en de overgang van het risico van tenietgaan van het verkochte vallende, zijn voor rekening van koper of de door hem aan te wijzen derde(n) met dien verstande dat een en ander voor rekening van koper blijft, indien en voorzover deze derde(n) hierin nalatig blijft.

C. Met verwijzing naar en ter nadere uitwerking van het hiervoor onder B bepaalde, komen verkoper en koper voorts overeen:

1. Verkoper verbindt zich van het verkochte op eerste vordering van koper aan koper of de door koper aan te wijzen derde(n) het risico van tenietgaan over te doen gaan.

2. De overgang van het risico van tenietgaan zal geschieden rechtstreeks aan koper of aan (een) door koper aan te wijzen derde(n) al naar gelang koper wenst, met inachtneming van het bij deze akte sub B onder 4 genoemde, alsmede de (eventueel) in de aankomsttitel opgenomen erfdienstbaarheden, lasten en andere bijzondere bepalingen.

3. In de akte(n) van levering door verkoper aan koper of aan één of meer door koper aan te wijzen derde(n) zal afstand worden gedaan van elk recht om ontbinding te vorderen van de overeenkomsten op grond waarvan de levering plaatsvindt.

4. Koper neemt bij dezen voor zijn rekening en verplicht zich als zijn eigen schulden te zullen voldoen respectievelijk als zijn eigen verplichtingen te zullen nakomen:

a. alle, behoudens de sub B onder 4 genoemde, lasten en belastingen welke met betrekking tot het verkochte over de periode aangevangen op 14 december 1998 ten laste van verkoper geheven worden casu quo reeds geheven zijn;

b. alle aanspraken ten aanzien van het verkochte van derden, welke niet aan verkoper zijn toe te rekenen;

en jegens verkoper, als economisch rechthebbende op het verkochte, geldend gemaakt kunnen worden. Koper vrijwaart verkoper voor elke aanmaning te dier zake.

5. Verkoper verbindt zich jegens koper om op kopers naam onverwijld op eerste vordering van koper en op kopers kosten, mede te werken aan het verlenen als onderzetter van één of meer hypotheken op het verkochte of enig gedeelte daarvan tot meerdere zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit een door koper te zijnen name of (een) door koper aan te wijzen derde(n) te diens/hunnen name aan te gane lening(en) of te sluiten overeenkomsten van andere aard. De kosten van de vereiste hypotheekakte(n) zijn voor rekening van koper."

2.5. De rechtbank is van oordeel dat de in 2.3 weergegeven notulen en de in 2.4 weergegeven overeenkomst zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, redelijkerwijs geen andere conclusie toelaten dan dat partijen de bedoeling hebben gehad op 14 december 1998 de economische eigendom, zijnde een samenstel van rechten en verplichten die enig belang bij het pand vertegenwoordigen, behoudens enig risico van tenietgaan van het pand, aan belanghebbende te verkopen. De inspecteur maakt met hetgeen hij daartoe aanvoert, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk dat partijen iets anders zijn overeengekomen dan eerder vermeld noch dat op het moment van die overeenkomst duidelijk was dat de uitvoering van de overeenkomst een andere zou zijn dan hetgeen de bedoeling was.

2.6. De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat uit de onderdelen B 2, 5 en 8 van de in 2.4 weergegeven overeenkomst blijkt dat enig risico van tenietgaan op belanghebbende is overgegaan. Belanghebbende stelt, en de rechtbank volgt haar daarin nu die stelling naar het oordeel van de rechtbank juist is, dat genoemde bepalingen uitgelegd dienen te worden overeenkomstig de bedoeling van de overeenkomst als geheel. De rechtbank wijst er bovendien op dat het bepaalde in B.2, B.5 en B.8 in samenhang met het bepaalde in B.6 naar het oordeel van de rechtbank met zich mee brengt dat mogelijke ten gevolge van die bepalingen ingetreden oorzaken die enig tenietgaan tot gevolg kunnen hebben, voor belanghebbende een vordering tot schadeloosstelling jegens de verkoper opleveren. Enig risico van tenietgaan is dan niet op belanghebbende overgegaan.

2.7. De rechtbank overweegt ten aanzien van de stelling van de inspecteur, dat op de polis van de verzekering van het pand niet als verzekerde de verkoper vermeld is en dat in 2000 een dakreparatie heeft plaatsgevonden die aan belanghebbende is gefactureerd, het volgende op. De overdrachtsbelasting is een tijdstipbelasting; de zich op een bepaald moment voordoende feiten en omstandigheden kunnen leiden tot een belastbare verkrijging. Indien deze feiten en omstandigheden zich op een ander tijdstip voordoen dan het tijdstip waarop de aanslag betrekking heeft, is die aanslag onjuist en dient de inspecteur een nieuwe aanslag op te leggen naar het juiste tijdstip. Niet is in geschil dat de premies voor de verzekering van het pand uiteindelijk ten laste komen van de verkoper van de economische eigendom van het pand. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan niet worden geconcludeerd dat door dit gegeven enig risico van tenietgaan bij het aangaan van de overeenkomst op 14 december 1998 op belanghebbende is overgegaan. Ten aanzien van de herstelwerkzaamheden aan het dak in 2000, wat daar overigens ook van zij, kan evenmin worden geconcludeerd dat enig risico van tenietgaan bij het aangaan van de overeenkomst op 14 december 1998 op belanghebbende op dat moment is overgegaan.

2.8. Gelet op het in 2.4 tot en met 2.7 overwogene is bij de overeenkomst van 14 december 1998 een complex van rechten en verplichtingen ten aanzien van het pand op belanghebbende overgegaan, welk complex van rechten en verplichtingen niet omvat enig risico van tenietgaan zodat geen sprake is van een verkrijging als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet. Voor dat geval is niet in geschil dat het beroep gegrond is en dat de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag moeten worden vernietigd.

2.9. Nu het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.288 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5). Belanghebbende heeft geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld op grond waarvan moet worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid van genoemd artikel 2. Schade die in aanmerking komt voor vergoeding is gesteld noch gebleken.

2.10. Gelet op al het vorenstaande moet worden beslist als hiervoor vermeld.

Deze uitspraak is gedaan op 5 december 2006 door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E. Woltman, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.