Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ6079

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-12-2006
Datum publicatie
12-01-2007
Zaaknummer
AWB 05/2597
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Uitgesteld loon van een werknemer die geen directeur-grootaandeelhouder is wordt geacht te zijn genoten op grond van art. 3.146, lid 2 Wet IB 2001

Werknemer X is door zijn Amerikaanse werkgever (Y inc) uitgezonden naar Nederland en heeft gedurende het hele jaar ook in Nederland gewerkt. X is als een zogenaamde "key-executive" gerechtigd om een eventuele salarisbonus niet te laten uitbetalen maar te laten storten in een trust. Op 17 mei 2000 geeft X op een daartoe bestemd formulier van de werkgever Y aan dat, indien hij in het jaar 2001 recht zou hebben op een bonussalaris, zijn werkgever deze bonus, indien en voorzover deze meer bedraagt dan 155.000 dollar, in een trust zal storten. In het jaar 2001 wordt inderdaad een bonus vastgesteld en een bedrag van € 357.029 wordt overgemaakt naar een bankrekening van de trust. De rechtbank is van oordeel dat X dit uitgesteld salaris, op grond van het bepaalde in art. 3.146, lid 2 Wet IB 2001, in het jaar 2001 heeft genoten omdat, alhoewel hij geen directeur-grootaandeelhouder is, hij in feite wel in staat is gebleken zelf te bepalen wanneer hij zijn bonussalaris zal genieten. Beroep derhalve ongegrond."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/26.14 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0114 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2597

Uitspraakdatum: 4 december 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 768.820.

1.2 De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2005 de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 728.807.

1.3 Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 20 juli 2005, ontvangen bij de rechtbank op 21 juli 2005, beroep ingesteld. Ter zake heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37.

1.4 De inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2006. Aldaar zijn verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1.7 Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur.

1.8 De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:45 van de Awb belanghebbende verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en de onder hem rustende stukken in te zenden. De inspecteur is daarbij in de gelegenheid gesteld om op deze stukken te reageren. De met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.9 Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan op 2 mei 2006 een afschrift aan partijen is verzonden.

1.10 Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2006 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1.11 Belanghebbende heeft ter nadere zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur.

1.12 De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

1.13 Van de zitting van 23 oktober 2006 is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Belanghebbende heeft de Amerikaanse nationaliteit en is in het onderhavige jaar woonachtig in Nederland.

2.2 Belanghebbende is werknemer van het in de Verenigde Staten gevestigde [werkgever]. Hij is op 1 januari 2000 uitgezonden naar Nederland, voor een periode van minimaal drie jaar. In het jaar 2001 is belanghebbende werkzaam in Nederland.

2.3 Op belanghebbende is het ‘Executive Deferred Compensation Plan’ (hierna: Plan) van zijn werkgever van toepassing. Op grond van dit Plan kan belanghebbende er jaarlijks voor kiezen om voor de aanvang van een jaar een gedeelte van zijn bonussalaris, als bedoeld in het “[werkgever] Short-Term Management Incentive Plan” niet te laten uitbetalen, maar onder te laten brengen bij de [bank] als bedoeld in de overeenkomst gesloten door werkgever en [de bank] op 1 maart 1995. Op het moment dat deze keuze wordt gemaakt is nog niet bekend of de uit te stellen arbeidsbeloning ook daadwerkelijk zal worden toegekend. De keuze is onherroepelijk.

2.4 De [bank] administreert de voor belanghebbende gestorte bedragen op naam van belanghebbende. De [bank] belegt deze bedragen. Eventuele beleggingsopbrengsten worden eveneens op naam van belanghebbende geadministreerd en worden bij de werkgever als onderdeel van de winst belast. De uitbetaling van bedragen door de [bank] aan belanghebbende geschiedt in opdracht van de werkgever. Deze bepaalt of en tot welke omvang bedragen aan belanghebbende dienen te worden uitgekeerd.

2.5 Belanghebbende kan voorstellen doen met betrekking tot het te hanteren zogenaamde beleggingsprofiel in relatie tot het ten behoeve van belanghebbende te beleggen vermogen. Indien de werkgever van belanghebbende in financiële moeilijkheden komt te verkeren, kan het vermogen van de [bank], ter betaling van crediteuren van de werkgever, worden aangesproken.

2.6 Belanghebbende heeft op 17 mei 2000 op een daartoe bestemd formulier aangegeven dat, indien hij in het jaar 2001 recht heeft op een bonus, zijn werkgever deze bonus, indien en voor zover deze meer bedraagt dan $ 155.000, in de [ bank] zal storten. Daarbij heeft belanghebbende er voor gekozen om het in de [ bank] te storten bedrag aan hem te laten uitbetalen binnen dertig dagen na de beëindiging van zijn dienstverband. Het is daarbij niet van belang om welke reden het dienstverband verbroken wordt. Voormeld formulier is op 22 mei 2000 voor akkoord getekend door of namens de werkgever.

2.7 Belanghebbende heeft in het jaar 2001 recht op een bonussalaris op grond van het “[werkgever] Short-Term Management Incentive Plan”. Van deze bonus heeft de werkgever in het jaar 2001, overeenkomstig het in 2.6. bedoelde formulier, een gedeelte ter grootte van $ 319.833 overgemaakt naar de [ bank].

2.8 Op belanghebbende is in het onderhavige jaar de 30%-regeling van toepassing, zoals bedoeld in artikel 15a, onderdeel k van de Wet op de loonbelasting 1964 en hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Belanghebbende heeft op grond van het bepaalde in artikel 2.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 gekozen voor partiële buitenlandse belastingplicht. Voor de toepassing van het Belastingverdrag Nederland -Verenigde Staten van Amerika van 18 december 1992 is belanghebbende inwoner van de Verenigde Staten.

2.9 Belanghebbende heeft het gedeelte van de bonus ad € 357.029 ($ 319.833) in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2001 buiten aanmerking gelaten. De inspecteur heeft dit bedrag bij het vaststellen van de aanslag gecorrigeerd.

3. Geschil

3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende de in de [bank] gestorte bonus ten bedrage van € 357.029 ($ 319.833) in het jaar 2001 heeft genoten op grond van het bepaalde in artikel 3.146 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001.

3.2 Ter zitting op 30 maart 2006 heeft belanghebbende bevestigd dat ter bepaling van de hoogte van het aan Nederland te alloceren salaris de daarvoor te hanteren dagenbreuk 234/234 bedraagt zodat niet meer in geschil is dat bij bevestigende beantwoording van de in 3.1. geformuleerde vraag, € 357.029 te belasten is als “uitgesteld salaris”.

3.3 Belanghebbende beantwoordt de in 3.1 geformuleerde vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend. De inspecteur stelt zich daarbij primair op het standpunt dat het salaris genoten is op grond van het bepaalde in artikel 3.146, lid 1 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en subsidiair dat het salaris is genoten op grond van het bepaalde in artikel 3.146, lid 2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 juncto artikel 13a, lid 2 van de Wet op de loonbelasting 1964.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ten aanzien van de zitting van 30 maart 2006 wordt verwezen naar het opgemaakte proces-verbaal van de zitting welke in afschrift naar partijen op 2 mei 2006 per post is verzonden.

3.5 Met betrekking tot het verhandelde ter zitting van 23 oktober 2006 wordt verwezen naar het aangehechte proces-verbaal.

3.6 Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van, naar de rechtbank begrijpt € 371.778 (€ 728.807 minus € 357.029). De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De rechtbank zal vanuit het oogpunt van proceseconomie eerst de subsidiaire stelling van de inspecteur behandelen en daarbij veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat het onderhavig salaris in de zin van artikel 3.146, lid 1 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 niet is genoten.

4.2 Gelet op het feit dat belanghebbende participant is in het onder 2.3. vermelde Plan staat vast dat gelet op enerzijds de aanhef van het Plan luidende: “In order to continue to allow certain key executives to elect to defer receipt of Incentive Plan awards, [werkgever] has adopted and maintains [werkgever] Executive Deferred Compensation Plan”, en anderzijds de in artikel 2 van het Plan omschreven doelstelling: “The purpose of this Plan is to assist [werkgever] in attracting and retaining key executives by providing such executives with the opportunity to defer all or a portion of their annual Incentive Plan awards”, belanghebbende geheel zelfstandig in staat is om zijn salarisinkomsten van zijn werkgever op een later tijdstip, conform de voorwaarden van het Plan, te laten uitkeren.

4.3 Gezien de in 2.6. aangehaalde overeenkomst heeft belanghebbende in 2000 ervoor gekozen om eventueel in 2001 te ontvangen salaris boven een bedrag van $ 155.000 door de werkgever te laten overmaken naar een bankrekening ten name van de [ bank]. In 2001 heeft de werkgever op grond hiervan het in geschil zijnde bedrag ad € 357.029 ($ 319.833) aan de [ bank] overgemaakt.

4.4 In zijn arrest van 17 juni 2005, nr. 39 541, gepubliceerd in BNB 2005/272, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“Middel II strekt onder meer ten betoge dat artikel 13a, lid 2, van de Wet in een geval als het onderhavige niet van toepassing is. Het middel slaagt. Artikel 13a, lid 2 komt overeen met artikel 27, lid 10, van de Wet (tekst 1994 tot en met 1996). Die bepaling is ingevoerd bij de Wet van 24 december 1993, Stb. 733. Uit de ontstaansgeschiedenis ervan blijkt dat de wetgever met deze bepaling wilde optreden tegen het in het bijzonder om fiscale redenen uitstellen van salaris in de verhouding tussen een directeur-grootaandeelhouder en zijn besloten vennootschap (Kamerstukken II 1993.94, 21 882, nr. 10, blz. 6 en 7). De strekking van deze bepaling is “een directeur-grootaandeelhouder zoveel mogelijk in dezelfde positie te brengen als een “gewone” werknemer. Deze laatste zal immers geen uitstel van salaris wensen, omdat hij de fiscale motieven niet of niet in dezelfde mate heeft”. Gelet op deze strekking en in aanmerking genomen dat deze bepaling een uitzondering vormt op de regels inzake het tijdstip van genieten van het loon van artikel 13a, lid 1, moet worden aangenomen dat deze bepaling, ook al is zulks niet in haar tekst tot uitdrukking gebracht, niet ziet op situaties van “gewone” werknemers, die- anders dan directeuren-grootaandeelhouders – niet in feite zelf kunnen bepalen wanneer zij hun salaris genieten. Nu uit ’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding niet blijkt dat door het Hof is vastgesteld of door een der partijen is aangevoerd dat G in feite zelf kon bepalen wanneer hij zijn salaris zou genieten, heeft het Hof derhalve ten onrechte artikel 13a, lid 2 van de Wet van toepassing geacht”.

4.5 Gelet op de laatste volzin van voormelde overweging van de Hoge Raad, belanghebbende “G” was namelijk geen directeur-grootaandeelhouder van belanghebbende, leidt de rechtbank af dat artikel 3.146, lid 2 Wet op de inkomstenbelasting 2001, juncto artikel 13a, lid 2 van de Wet op de loonbelasting 1964 ook geldt voor werknemers die weliswaar geen directeur-grootaandeelhouder zijn maar in feite wel in staat zijn zelf te bepalen wanneer zij hun salaris genieten. Gelet op het in 4.2. overwogene is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende in staat is geweest te bepalen het onderhavige in geschil zijnde salaris, waarbij niet in geschil is dat dit gealloceerd dient te worden aan de in Nederland vervulde dienstbetrekking, op een later moment dan het jaar 2001 te gaan genieten. Dit latere moment heeft belanghebbende bepaald op het tijdstip dat de dienstbetrekking zal eindigen, hetwelk naar het oordeel van de rechtbank een ongebruikelijk tijdstip is omdat onder normale omstandigheden, gemeten naar Nederlandse maatstaven, ook een bonussalaris niet later aan belanghebbende zal zijn uitbetaald dan in het jaar 2001.

4.6 Uit de samenhang tussen het tweede en het eerste lid van artikel 13a van de Wet op de loonbelasting 1964 volgt dat, indien geen rekening wordt gehouden met een overeenkomst tot uitstel van betaling van salaris, dat salaris niet wordt genoten op het tijdstip waarop dit op grond van die overeenkomst in feite is betaald, maar op het tijdstip waarop dat salaris zonder die overeenkomst zou zijn genoten. In casu zou zonder het “Plan” en zonder de in 2.6. aangehaalde overeenkomst onderhavig salaris zijn genoten in het jaar 2001. Nu, gelet op diezelfde overeenkomst, vaststaat dat belanghebbende voor een meer dan bijkomstig deel zijn salaris heeft uitgesteld, naar een, op grond van Nederlandse maatstaven, ongebruikelijk tijdstip, wordt dit, naar het oordeel van de rechtbank, geacht te zijn genoten in het onderhavige jaar 2001.

4.7 Gezien voormeld oordeel is het gelijk aan de inspecteur en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 december 2006 door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. J.J.J. Engel en mr.drs. G.H.C. Blommers , rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.M.J.F. Jansen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.