Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ4843

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
421043 ov 06-3271
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging meerderjarigenbewind: afwijzing deel van het verzoek: raadsman en broer rechthebbende volgen instructie kantonrechter niet op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 421043 OV VERZ 06-3271

beschikking d.d. 13 december 2006 op een machtigingsverzoek

1. Het verzoek en de beoordeling

1.1 De kantonrechter heeft kennis genomen van een op 7 november 2006 door de griffie ontvangen schriftelijk verzoek tot het verlenen van machtiging om te betalen aan:

- [X], broer van rechthebbende, hierna te noemen broer, te betalen een bedrag van €3.357,--;

- Mr. W.H.P. de Jongh een bedrag van € 1.029,76, zijnde door hem gedeclareerde kosten.

1.2 Dit machtigingsverzoek is mondeling behandeld op 12 december 2006 in aanwezigheid van:

[rechthebbende], bijgestaan door haar broer [X] en de Stichting Beschermingsbewind Meerderjarigen, verschenen bij haar administrateur

P.J.M. Musters.

1.3 In zijn beschikking van 3 januari 2006 heeft de kantonrechter duidelijk aangegeven dat de beperkte financiële middelen van rechthebbende geen ruimte bieden om in een korte periode zoveel goederen aan te schaffen. De kantonrechter heeft daarom alle verzoeken tot het aanschaffen van goederen afgewezen. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij een plan van aanpak wenselijk acht om in de komende jaren steeds één aanschaffing tegelijk te realiseren op het moment dat daar financiële ruimte voor is.

1.4 De kantonrechter stelt vast dat hem sinds 3 januari 2006 vele brieven hebben bereikt. Brieven van mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal en brieven van SBM. In welke hoedanigheid mr. W.H.P. de Jongh de brieven schrijft is onduidelijk. Vast staat dat de bewindvoerder geen machtiging heeft gevraagd op basis waarvan mr. W.H.P. de Jongh als raadsman van rechthebbende op mocht treden. Nu de kantonrechter mr. W.H.P. de Jongh geen machtiging heeft verleend om als raadsman voor rechthebbende op te treden, mag niet verwacht worden dat rechthebbende de kosten van de raadsman voor haar rekening neemt.

1.5 Zowel ter zitting als uit de eerder bedoelde brieven is gebleken dat zonder plan van aanpak al vele aanschaffingen zijn verricht: aankoop van bankstel, fornuis, TV, wasmachine, droger en koelkast. Ter zitting heeft de broer van rechthebbende verklaard dat hij de wasmachine, droger en koelkast voor zijn rekening neemt. Uit een brief van SBM van 3 november 2006 aan mr. W.H.P. de Jongh blijkt dat rechthebbende maandelijks nog geen € 100,-- kan sparen. Zolang de broer van rechthebbende de motorrijtuigenbelasting niet zelf betaalt blijft er nagenoeg niets over van haar maandelijkse inkomsten. Nu enerzijds vaststaat dat rechthebbende in het gunstigste geval minder dan € 100,-- per maand overhoudt en anderzijds blijkt dat rechthebbende nog veel aanpassingen in haar woning wil realiseren, is het van groot belang dat deze aanpassingen worden gerealiseerd aan de hand van een plan van aanpak. Gelet op de beperkte financiële middelen van rechthebbende acht de kantonrechter het niet in het belang van rechthebbende om achteraf alsnog machtiging te verlenen voor uitgaven die zijn gedaan zonder een plan van aanpak.

1.6 Ter zitting heeft de kantonrechter gehoord dat er nog geschilderd moet worden, dat rechthebbende laminaat wenst en dat er nog een badkamer moet worden geplaatst.

Om te voorkomen dat er opnieuw uitgaven worden gedaan die niet voor vergoeding in aanmerking komen, zal de kantonrechter aangeven hoe de procedure gevoerd moet worden.

Rechthebbende schrijft, met hulp van haar broer, in een brief welke plannen er zijn om de woning verder op te knappen. De plannen dienen in volgorde van belangrijkheid te worden vermeld. Voor het eerste plan wordt een offerte bijgevoegd. Het lijstje met plannen wordt tezamen met een offerte voor het belangrijkste plan naar SBM gestuurd. SBM voorziet het lijstje met plannen en de offerte van een machtigingsverzoek en stuurt het geheel naar de kantonrechter. Pas als de kantonrechter de machtiging verleend heeft kan het genoemde plan worden uitgevoerd.

1.7 Ter zitting is gebleken dat de broer van rechthebbende het beste voor heeft met zijn zus. Wel is de kantonrechter van oordeel dat zulks niet betekent dat de broer van rechthebbende zonder tussenkomst van de bewindvoerder en de kantonrechter activiteiten kan ontplooien die financiële gevolgen hebben voor rechthebbende. De kantonrechter hoopt dat de instructie opgenomen onder 1.6 er toe bij zullen dragen dat de broer van rechthebbende en SBM op een betere wijze gezamenlijk de belangen van rechthebbende zullen gaan behartigen.

1.8 Gelet op de door SBM gedane toezegging is de kantonrechter van oordeel dat vanaf 30 juni 2006 wekelijks een bedrag van € 50,-- aan zakgeld dient te worden betaald. Mevrouw Musters zegt toe dat er nog een aanvullend bedrag van €670,-- aan rechthebbende zal worden overgemaakt.

1.9 Verder mag rechthebbende van het bedrag van € 670,--, eenmalig een bedrag van € 300,-- halen voor de aanschaf van kleding. Na ontvangst van de prijskaartjes zal SBM het verbruikte bedrag tot maximaal € 300,-- aanvullen.

1.10 SBM stuurt de broer van rechthebbende een brief waarin exact staat hoe groot de achterstand in betalingen op dit moment is. Tevens zal SBM aangeven wanneer, welk bedrag, periodiek betaald dient te worden om achterstanden in de toekomst te voorkomen. Een kopie van de brief aan de broer van rechthebbende zal naar de kantonrechter te Bergen op Zoom worden gezonden.

1.11 Gelet op de motivering van het verzoek zal het verzoek worden toegewezen voor zover is vermeld onder 1.8 en 1.9.

2. De beslissing

De kantonrechter verleent de gevraagde machtiging zoals omschreven onder 1.8 en 1.9.

De kantonrechter wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven op 13 december 2006 door mr. W.E.M. Verjans en door deze en de griffier ondertekend.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.