Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ4432

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
14-12-2006
Zaaknummer
993046-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet ontvankelijkverklaring OM:

De wijze waarop door verbalisanten is omgegaan met de informatie van verdachten X en Y omtrent hun eerdere contacten met de poltie en de adviezen die de verbalisanten in dat kader en daarna aan verdachten hebben gegeven alsmede het niet informeren van de zaaks-officier van justitie over dit alles leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens grove veronachtzaming van de belangen van verdachten X en Y aan hun recht op een behoorlijke behandeling van hun zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 993046-05

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren op [datum en plaats],

wonende te [adres]

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. Van Vugt, advocaat te Eindhoven.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

[mede[mededader] en/of [mededader] in of omstreeks de periode van 01 januari

2003 tot en met 02 maart 2004 te Werkendam en/of Wijk en Aalburg, gemeente

Aalburg, en/of Giessen, gemeente Giessenlanden, en/of Heukelum, gemeente

Lingewaal, en/of Roosendaal, in elk geval (elders) in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans die [mededader] en/of die [mededader], in strijd met het verbod van artikel 5 lid 1 van de Wet op de Accijns, opzettelijk (een) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoed(eren), namelijk

tabaksproducten als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder f van genoemde wet, te

weten sigaretten, onder meer:

- in of omstreeks de periode van 01 november 2003 tot en met 30 november 2003

een hoeveelheid van (ongeveer) 9.727.000 sigaretten (zie 5/OPV, hfdst. 5),

althans (telkens) een (groot) aantal sigaretten voorhanden heeft/hebben

gehad, dat telkens niet overeenkomstig te bepalingen van de Wet op de Accijns

in de heffing was betrokken,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, in

of omstreeks de periode van 01 januari 2003 tot en met 02 maart 2004 te

Werkendam en/of Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg en/of Giessen, gemeente

Giessenlanden, en/of Heukelum, gemeente Lingewaal en/of Roosendaal, in elk

geval (elders) in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest

- door - zakelijk weergegeven - een loods en/of erf en/of een trailer ter

beschikking te stellen t.b.v. het lossen van (een) deklading(en) en sigaretten

en/of

- sigaretten te scheiden van (een) deklading(en) (peren en/of

fitnessapparatuur) en/of (vervolgens) die sigaretten om te pakken in

(neutrale) dozen;

art 5 lid 1 onder a Wet op de accijns

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Bij de behandeling van de zaak op 13 oktober 2005 is namens verdachte [verdachte] en medeverdachte [mededader] gesteld dat [verdachte] CIE-informant was; dat [mededader] en [verdachte] de politie over het strafbaar feit waarvan zij worden verdacht hebben geïnformeerd; dat dit tijdens de latere verhoren aan de verbalisanten is medegedeeld en dat de verbalisanten hetgeen zij in dat verband hebben verklaard niet hebben opgenomen in hun verklaring.

De officier van justitie heeft tijdens die zitting aangegeven pas kort geleden door de raadsman van voormelde omstandigheden op de hoogte te zijn gebracht en voor die tijd niet van een en ander te hebben geweten.

Bij de rechter-commissaris zijn op 2 november 2006 behalve [verdachte] en [mededader], ook gehoord de leider van het Fromberg-onderzoek [naam verbalisant] en de groepschef van de CIE [naam verbalisant].

Verdachte [verdachte] en medeverdachte [mededader] hebben tegenover de rechter-commissaris verklaringen afgelegd die erop neerkomen dat zij, [verdachte] en [mededader], contacten hebben gelegd met de politie nadat zij betrokken waren geraakt bij een door Jaap [mededader] in de loods van [verdachte] geplaatste trailer met fitnessapparatuur, welke trailer sigaretten bleek te bevatten. Dit zou in november / begin december 2003 zijn geweest. Voorts hebben zij bij de rechter-commissaris verklaard dat zij direct na hun aanhouding en tijdens de verhoren tegenover de FIOD-ECD-ambtenaren, hetgeen zich in maart 2004 heeft afgespeeld, hebben verteld over hun eerdere contacten met de politie over de sigarettenzaak. Volgens [verdachte] en [mededader] zouden de verhorende ambtenaren van de FIOD-ECD hen hebben ontraden om informatie daarover in het proces-verbaal van verhoor op te laten nemen en tevens hebben gezegd dat ze de eerdere contacten met de politie niet in hun proces-verbaal mochten en/of wilden opnemen.

De rechtbank acht de verklaringen van [verdachte] en [mededader] - voor zover hierboven weergegeven - geloofwaardig. Deze verklaringen vinden bevestiging in de verklaring van FIOD-ECD-ambtenaar [naam verbalisant], die bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij voorafgaand aan de aanhouding van [verdachte] had vernomen dat [verdachte] als informant fungeerde en dat [verdachte] hem direct bij de aanhouding al heeft verteld over zijn eerdere contacten met de politie over de sigarettenzaak. Ook CIE-groepschef [naam verbalisant] heeft bij de rechter-commissaris bevestigd dat [verdachte] en [mededader] contacten hadden gelegd met de politie over de sigarettenzaak. In een later stadium, na de verhoren, toen [verdachte] en [mededader] aangaven dat zij de zaak wilden opengooien voor wat betreft hun eerdere contacten, heeft hij hen geadviseerd dat niet te doen.

Nu uit vorenstaande verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, de aannemelijkheid naar voren komt van hetgeen namens verdachte [mededader] en [verdachte] tijdens de zitting van 13 oktober 2005 naar voren is gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan die onderdelen van hun verklaring die niet of niet geheel door andere verklaringen worden gesteund.

Op grond daarvan gaat de rechtbank van het volgende uit:

- De verhorende verbalisanten hebben de contacten met de politie tegen de wens van verdachten [verdachte] en [mededader] in uitdrukkelijk niet willen opnemen in de processen-verbaal van verhoor.

- Na de verhoren is in gesprekken met de verdachten gezegd dat de verdachten beter geen advocaat konden inschakelen; dat het contact met de CIE niet mocht worden genoemd en dat het niet nodig was om naar de pro forma zitting te gaan; dat ze eerst de uitkomst bij de rechtbank moesten afwachten en dat de zaaksofficier van de contacten op de hoogte zou zijn.

- De zaaksofficier is door de verbalisanten niet op de hoogte gesteld van deze gang van zaken.

Hetgeen verdachten wilden verklaren omtrent hun contacten, acht de rechtbank van belang voor enige in het eindonderzoek te nemen beslissing, nu deze informatie mede beslissend kan zijn voor de beoordeling van het opzet van verdachten bij het delict. Mitsdien had hetgeen de verdachten wilden verklaren uiteindelijk in het proces-verbaal vermeld moeten worden. Aan opsporingsambtenaren komt weliswaar een zekere vrijheid toe bij de weergave van hetgeen door hen wordt bevonden en mitsdien bij de weergave daarvan in een proces-verbaal, maar daarbij geldt als criterium dat hetgeen niet wordt vermeld over wat door hen is verricht of bevonden naar hun, aan de toetsing door de officier van justitie onderworpen, oordeel redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing. Die toetsing heeft de zaaksofficier niet kunnen doen, doordat elke informatie over hetgeen over verdachten bekend was en over hetgeen zij in dat verband hadden verklaard, achter-wege is gebleven. Dat van de kant van de politie is afgeraden om de informatie met betrekking tot de eerdere contacten openbaar te maken in verband met de problemen die [verdachte] en [mededader] dan zouden kunnen krijgen, zoals door [naam verbalisant] is verklaard, doet aan het vorenstaande niet af.

Voormeld optreden van de onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie handelende functionarissen, in onderling verband en samenhang bezien, vormt naar het oordeel van de rechtbank een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachten [verdachte] en [mededader] aan hun recht op een behoorlijke behandeling van hun zaak is tekort gedaan, dat dit dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

6 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Volkers en mr. Den Hartog, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier De Roos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 december 2006.