Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ3275

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-10-2006
Datum publicatie
29-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/2183
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vermomd dividend en aftrek in de IB-sfeer ter zake van niet betaalde rente.

Belanghebbende, houder van een aanmerkelijk belang, heeft aan zijn vennootschap in 1999 een schuld in rekening courant ter zake waarvan geen rente is berekend, betaald, verrekend of overeengekomen. In verband hiermee heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank belanghebbendes inkomen terecht met een bedrag verhoogd. De rechtbank acht aannemelijk dat de vennootschap zich ten behoeve van belanghebbende in diens hoedanigheid van aandeelhouder een voordeel heeft laten ontgaan en dat zowel de vennootschap als belanghebbende zich hiervan redelijkerwijs bewust moeten zijn geweest. Het voordeel dient ingevolge artikel 20a, eerste lid, letter a van de Wet tot belanghebbendes inkomen te worden gerekend en te worden belast naar een tarief van 25%.

Naar het oordeel van de rechtbank is de onderhavige situatie op één lijn te stellen met de situatie waarbij de aandeelhouder een zakelijk te achten rente betaald aan de vennootschap welke rentebetaling wordt gevolgd door dan wel voorafgegaan van een dividenduitkering door de vennootschap tot hetzelfde bedrag en gebiedt een redelijke wetstoepassing dat belanghebbende een aanspraak toekomt de bij de vennootschap tot de winst gerekende rente tot het daarvoor geldende wettelijk maximum als persoonlijke verplichting in aftrek te brengen op zijn inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-2226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2183

Uitspraakdatum: 27 oktober 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 24 mei 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 1999 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, de bij afzonderlijke beschikking opgelegde boete en de beschikking heffingsrente.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2006 te Breda.

Aldaar is verschenen en gehoord, de inspecteur.

Belanghebbendes gemachtigde is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op

31 augustus 2006 aan [gemachtigde] op het adres [straat], [postcode] te [woonplaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbendes gemachtigde is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TPG Post is gebleken dat de brief op 1 september 2006 aan de gemachtigde op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de boetebeschikking;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ? 117.720, waarvan een bedrag groot ? 17.675 is belast op de voet van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 107,33, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende dient te voldoen;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 aan hem vergoedt.

2. Gronden

1.1. Niet in geschil is dat belanghebbende aan [vennootschap] B.V. (hierna: de vennootschap) waarvan hij 77,27% van de aandelen houdt een schuld in rekening courant heeft ter grootte van f 61.429 op 1 januari 1999 en ter grootte van f 444.072 op 31 december 1999. Tevens is niet in geschil dat ter zake van deze schuld geen rente is berekend, betaald, verrekend of overeengekomen. Verder staat vast dat belanghebbende in 1998 aan [de heer] een bedrag ter grootte van f 50.000 heeft geleend en hij ter zake van deze lening in 1999 rente ten bedrage van f 20.000 heeft ontvangen welk bedrag in de aangifte van belanghebbende buiten aanmerking is gelaten.

2.2. De inspecteur heeft gemotiveerd betoogd dat in verband met hetgeen onder 2.1 is vermeld het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen over 1999 per saldo moet worden verhoogd met in totaal f 28.649. Dit bedrag is als volgt samengesteld:

- inkomsten uit vermogen (fictieve rente) ?7% van ?(61.229 + 444.072):2?? ? 17.675

- aftrekbare rente (tot drempel) -/- ? 9.026

- niet aangegeven ontvangen rente ? 20.000 Ter zitting heeft de inspecteur daarbij de kanttekening geplaatst dat het bedrag ad ? 17.675 ten onrechte is aangemerkt als een inkomst uit vermogen doch in plaats daarvan dient te worden aangemerkt als een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 20a, eerste lid, onderdeel a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) dat op de voet van artikel 57a van de Wet is onderworpen aan het bijzonder tarief van 25%. Verder heeft de inspecteur zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zulks nochtans niet moet leiden tot een vermindering van de aanslag omdat zijns inziens bij het opleggen van de onderhavige aanslag ten onrechte de fictieve rente voor een bedrag ad ? 9.026 als persoonlijke verplichting is aangemerkt en wel omdat niet voldaan is aan het betalingscriterium.

2.3.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur zich terecht op het standpunt gesteld dat het inkomen van belanghebbende in verband met de in 2.1 vermelde feiten op een hoger bedrag moet worden vastgesteld. In dit kader wordt opgemerkt dat de rechtbank aannemelijk acht dat de vennootschap, door in het onderhavige jaar ter zake van de onder 2.1 genoemde schuld geen rente in rekening te brengen, zich ten behoeve van belanghebbende in diens hoedanigheid van aandeelhouder een voordeel heeft laten ontgaan en dat zowel de vennootschap als belanghebbende zich hiervan redelijkerwijs bewust moeten zijn geweest. Dit voordeel, waarvan de omvang ad ? 17.675 niet in geschil is, dient ingevolge artikel 20a, eerste lid, letter a van de Wet tot belanghebbendes inkomen in 1999 te worden gerekend. Aan dit oordeel doet niet af dat, zoals door belanghebbende is gesteld, de inspecteur voor het jaar 2000 de gehele rekening-courantschuld heeft aangemerkt als een (vermomde) winstuitdeling. Feiten of omstandigheden op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat de in rekening-courant geboekte gelden reeds het onderhavige jaar het vermogen van de vennootschap ten gunste van belanghebbende voor het geheel of ten dele definitief hebben verlaten, zijn gesteld noch gebleken.

2.3.2. Het ontvangen bedrag aan rente ter zake van de lening aan [de heer] dient, nu is gesteld noch gebleken dat dit bedrag niet valt aan te merken als winst uit onderneming, winst uit aanmerkelijk belang of als inkomsten uit arbeid, op grond van artikel 24 van de Wet tot belanghebbendes inkomen in 1999 te worden gerekend. Aangezien belanghebbende het door de inspecteur op dit punt ingenomen standpunt niet op inhoudelijke gronden heeft betwist, maakt hij naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat de navorderingsaanslag in zoverre tot een te hoog bedrag is opgelegd.

2.3.3. Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende voornoemde inkomensbestanddelen ten onrechte niet in zijn aangifte inkomstenbelasting opgenomen. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de navorderingsaanslag tot een te hoog bedrag aan inkomen is opgelegd, is het beroep in zoverre ongegrond.

2.4.1. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat bij het opleggen van de onderhavige aanslag het meergenoemde bedrag van ? 17.675 ten onrechte is belast naar het tabeltarief als bedoeld in artikel 53a van de Wet in plaats van naar het bijzonder tarief van 25% op de voet van artikel 57a van de Wet en dat de aanslag in zoverre te hoog is vastgesteld. Ten aanzien van de stelling van de inspecteur dat dit nadeel voor belanghebbende wordt gecompenseerd door het feit dat ten onrechte een deel van voormeld bedrag in aanmerking is genomen als persoonlijke verplichting, overweegt de rechtbank het volgende.

2.4.2. Vaststaat dat de winst van de vennootschap met voormeld bedrag is verhoogd. Hieraan ligt ten grondslag dat indien de winst is beïnvloed door de relatie tussen de vennootschap en de aandeelhouder, de winst van deze invloeden dient te worden geschoond en te worden herleid naar zakelijke verhoudingen. In een situatie als de onderhavige houdt dit in dat de belastbare winst van de vennootschap wordt verhoogd met de rente die de vennootschap in zakelijke verhoudingen zou hebben bedongen waartegenover zij geacht wordt een dividenduitkering voor hetzelfde bedrag aan de aandeelhouder te hebben gedaan. Een situatie als de onderhavige komt dan wat uitkomst betreft overeen met de situatie waarin een en ander via de kas is afgewikkeld: een rentebetaling door de aandeelhouder enerzijds en een daaraan voorafgaande dan wel daarop volgende dividenduitkering door de vennootschap anderzijds. Het lijdt geen twijfel dat in de laatstbedoelde situatie aan de aandeelhouder voor wat betreft de betaalde rente voor de heffing van de inkomstenbelasting – binnen de daarvoor geldende grenzen – het recht toekomt de rente als persoonlijke verplichting in aftrek te brengen op zijn inkomen. Naar het oordeel van de rechtbank gebiedt een redelijke wetstoepassing dat in het onderhavige geval de bij wijze van fictie in aanmerking genomen winstuitdeling geacht moet worden te zijn verrekend met de bij de vennootschap tot de winst gerekende rentebate en dat mitsdien belanghebbende een aanspraak toekomt deze rente tot het daarvoor geldende wettelijk maximum als persoonlijke verplichting in aftrek te brengen op zijn inkomen.

2.4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.4.1 en 2.4.2 is de rechtbank van oordeel dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld en dat de uitspraak waarvan beroep dient te worden vernietigd.

2.5. In zijn beroepschrift stelt belanghebbende dat niet is voldaan aan de formaliteiten met betrekking tot het horen. Vast staat dat op 8 maart 2005 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen belanghebbende en de inspecteur. De rechtbank heeft geen reden om eraan te twijfelen dat, nu belanghebbende zich heeft bij laten staan door een professionele gemachtigde, hij op die datum in de gelegenheid is geweest zijn grieven met betrekking tot de onderhavige zaak naar voren te brengen, zodat niet gezegd kan worden dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb. Gelet op de brief van de inspecteur van 17 maart 2005 dient belanghebbendes stelling dat van het horen geen verslag is opgemaakt te worden afgewezen.

2.6. Uit de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar leidt de rechtbank af dat aan belanghebbende in verband met de onderhavige navorderingsaanslag een boete is opgelegd. Nu de inspecteur geen inzicht heeft gegeven in de grondslag van de boete en evenmin in de omstandigheden welke hebben geleid tot het opleggen van de boete, alsmede door hem geen stukken zijn overgelegd ten aanzien van de aankondiging en motivering van de boete, kan niet worden gezegd dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast ter zake van de boete. De rechtbank dient de boetebeschikking derhalve te vernietigen.

2.7. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3. Proceskosten

3.1. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij gaat de rechtbank uit van drie samenhangende zaken waarbij belanghebbenden in het gelijk zijn gesteld, welke zaken bij de rechtbank bekend zijn onder de nummers 05/2180, 05/2182 en 05/2183.

Voornoemde kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak en een wegingsfactor 1 voor het aantal samenhangende zaken).

De rechtbank zal in ieder van voornoemde zaken eenderde van € 322 aan proceskostenvergoeding toekennen.

3.2. De rechtbank acht geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, nu is gesteld noch gebleken dat belanghebbende, zoals is vereist op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb, om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat uitspraak op bezwaar is gedaan.

3.3. Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht ad € 37 te worden vergoed.

Deze uitspraak is gedaan op 27 oktober 2006 door mr. J.J.J. Engel, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ‘s-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.