Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ2684

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-09-2006
Datum publicatie
21-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/981
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proefprocedure over ziektekosten geestelijk gehandicapten.

Gemachtigde heeft duizenden T-biljetten ingediend voor geestelijk gehandicapten die in een verzorgingstehuis verpleegd worden. In alle aangiften worden kosten opgevoerd waarvan de gemachtigde stelt dat zij als ziektekosten (buitengewone lasten/uitgaven) zijn aan te merken. Na mediation is afgesproken dat er voor ieder belastingjaar een aantal proefprocedures gevoerd zouden worden op grond van artikel 7:1a AWB. De rechtbank heeft in een negental procedures, voorzover dit punt in geschil was, de volgende uitspraak gedaan:

de eigen bijdrage AWBZ vormt ziektekosten voor zover deze de kosten van voeding en huisvesting van een alleenstaande met laag inkomen (Nibud-norm) te boven gaat; de omstandigheid dat belanghebbende niet alleen kan wonen, maakt niet dat moet worden uitgegaan van een aandeel in de kosten van een gezin;

partijen zijn overeengekomen dat 30% van de kosten van vakantie en activiteiten betrekking heeft op medische begeleiding en tot de ziektekosten behoort;

kosten van therapeutische activiteiten zijn geen ziektekosten nu ze niet op medisch advies of onder medische begeleiding geschiedden

beheerskosten die het verzorgingshuis in rekening brengt voor het beheer van de financiën van belanghebbende zijn geen ziektekosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 1776
FutD 2006-2131
V-N 2007/16.21

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/981

Uitspraakdatum: 28 september 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

Rechtstreeks beroep

Belanghebbende heeft tegen de aan belanghebbende voor het jaar 1998 opgelegde hihilaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen van ƒ 21.907, met toestemming van de inspecteur, op grond van artikel 7:1a AWB rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2006.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, gemachtigde van belanghebbende , alsmede de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende, geboren mei 1961, is ongehuwd en woont vanwege zijn geestelijke handicap met andere geestelijk gehandicapten in een woning onder begeleiding en verzorging van het verzorgingstehuis. Belanghebbende geniet een Wajong-uitkering.

2.2. Belanghebbende heeft in 2003 een T-biljet over 1998 ingediend. Op grond van het bepaalde in artikel 64, eerste lid, onderdeel c van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) en artikel 20 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 kan indiening van een T-biljet leiden tot een teruggaaf van belastingen en premies mits het biljet binnen 3 jaar na het einde van het kalenderjaar is ingediend. Het biljet van belanghebbende is buiten de termijn van 3 jaar ingediend. Op grond van het Besluit van de staatssecretaris van 4 december 2001, nummer CPP 2001/2126M kan alsdan toch een aanslag, strekkende tot teruggaaf van belasting en premies worden opgelegd, mits de te verlenen teruggaaf meer bedraagt dan ƒ 1000 (€ 454). Belanghebbende heeft geen teruggaaf gekregen.

2.3. De gemachtigde van belanghebbende heeft op verzoek van verschillende verzorgingstehuizen duizenden aangiften ingediend voor de verschillende geestelijk gehandicapten die in het verzorgingstehuis verpleegd worden, voor verschillende belastingjaren. De T-biljetten over 1998 zijn zo laat ingediend omdat een teruggaaf van belasting en premies onder de tot en met het jaar 2002 geldende wettelijke regeling leidde tot een verhoging van de eigen bijdrage die de belanghebbende verschuldigd was op grond van de AWBZ.

2.4. Na mediation tussen de gemachtigde en de inspecteur is afgesproken dat van elk belastingjaar door de inspecteur 50 T-biljetten zouden worden beoordeeld en dat daarvoor aanslagen zouden worden opgelegd, waarna de gemachtigde daaruit voor elk belastingjaar een aantal procedures zou opstarten (via rechtstreeks beroep). De onderhavige procedure is er daar één van. In alle aangiften zijn kosten opgevoerd waarvan de gemachtigde stelt dat zij als buitengewone lasten zijn aan te merken.

2.5. Belanghebbende heeft onder meer de volgende kosten opgevoerd waarvan niet in geschil is dat zij kunnen worden aangemerkt als ziektekosten:

f

Ziekenfondspremie 1.507

Nominale premie 318

Arbeidsongeschiktheidsaftrek 1.000

Uitvaartverz. 58

Huisapotheek 50

Prothesen en hulpmiddelen 175

Extra uitgaven kleding/beddegoed 630

Totaal 3.738

Nu de juistheid van de kwalificatie van deze kosten als ziektekosten tussen partijen niet in geschil is, en deze kwalificatie de rechtbank juist voorkomt, zal de rechtbank daarvan uitgaan.

2.6. Belanghebbende heeft daarnaast de volgende kosten opgevoerd, die de inspecteur niet heeft geaccepteerd:

f

Medische begeleiding vakantie 40% x 600 240

Kosten activiteitenbegeleiding 245

Reiskosten specialist 350

Therapeutische activiteiten 360

Eigen bijdrage AWBZ 2.916

Beheerskosten 210

Totaal 4.321

Hiervan is de post reiskosten niet in geschil. De rechtbank zal ten aanzien van de overige

kosten beoordelen of en in hoeverre zij als ziektekosten zijn aan te merken.

Eigen bijdrage AWBZ

2.7.1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 januari 1993, nr. 28 644 bepaald dat tot de uitgaven terzake van ziekte kan worden gerekend de eigen bijdrage ingevolge de AWBZ, verminderd met de besparing op de kosten van huisvesting en voeding, in aanmerking genomen de vóór de opneming gevolgde levenswijze (de zogeheten subjectieve benadering). De Hoge Raad heeft in het arrest van 9 november 2001, nr. 36 331, geaccordeerd dat bij gebrek aan deze subjectieve gegevens, voor de bepaling van de besparingswaarde kan worden uitgegaan van Nibud-cijfers.

2.7.2. Nu belanghebbende nimmer zelfstandig heeft gewoond, zijn geen subjectieve gegevens voorhanden omtrent de besparing van belanghebbende op de kosten van huisvesting en voeding. Belanghebbende stelt dat voor de door hem gerealiseerde besparing van de kosten niet kan worden uitgegaan van de door de Nibud berekende kosten die een gezonde alleenstaande zou maken, omdat belanghebbende door zijn handicap alleen in een gezinsverband kan wonen. Belanghebbende stelt dat voor de besparing moet worden uitgegaan van de kosten voor huisvesting en voeding, uitgaande van de totale kosten hiervoor bij gezinnen van 3 of 4 personen, waarvan dan 1/3e of 1/4e deel aan belanghebbende moet worden toegerekend. Uit praktische overwegingen wil belanghebbende akkoord gaan met een percentage van 25%.

2.7.3. Bij de kwalificatie van door een zieke of gehandicapte gemaakte extra kosten als buitengewone lasten geldt in het algemeen als uitgangspunt dat slechts sprake is van ziektekosten indien de kosten hoger zijn dan de kosten die worden gemaakt door valide en overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkerende personen. Aldus wordt, bij gebreke aan subjectieve gegevens, een redelijke benadering gevonden van het uitgangspunt dat alleen kosten die “buitengewoon” zijn tot de ziektekosten kunnen worden gerekend. Belanghebbende is alleenstaand en zal dat, naar voortvloeit uit zijn handicap, ook blijven. Naar het oordeel van de rechtbank ligt dan een vergelijking met de door het Nibud vastgestelde uitgaven van een valide alleenstaande die, net als belanghebbende, een laag inkomen genieten, voor de hand. Dit klemt temeer nu uit de gegevens die belanghebbende heeft overgelegd niet is te herleiden of de door hem opgevoerde gezinnen vergelijkbaar zijn met het gezin waarin belanghebbende zou hebben gewoond, noch in hoeverre rekening is gehouden met de uitkering van belanghebbende en de eventuele afdracht van die uitkering - bijvoorbeeld als kostgeld – binnen het gezin.

2.7.4. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inspecteur voor de berekening van de besparing terecht is uitgegaan van de Nibudnormen voor alleenstaanden met een laag inkomen. Vaststaat dat uit die berekening geen bedrag aan ziektekosten resulteert.

Verpleegkosten tijdens vakantie

2.8. Partijen zijn ter zitting nader tot overeenstemming gekomen over de verpleegkosten tijdens vakantie in die zin, dat tot de ziektekosten kan worden gerekend een gedeelte groot 30% van de door belanghebbende betaalde kosten voor dergelijke gelegenheden. Blijkens de stukken heeft belanghebbende in 1998 een bedrag van f 600 betaald voor vakantie/uitstapjes. Tot de ziektekosten behoort dan 30% daarvan of ƒ 180.

Kosten begeleiding bij activiteiten

2.9. Partijen zijn ter zitting nader tot overeenstemming gekomen over de kosten van de begeleiding bij activiteiten in die zin, dat tot de ziektekosten kan worden gerekend een gedeelte groot 30% van de door belanghebbende betaalde kosten voor dergelijke activiteiten. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat dergelijke kosten zijn gemaakt. De rechtbank zal de inspecteur hierin volgen nu belanghebbende in het geheel geen gegevens over de kosten heeft overgelegd en ook uit het overzicht van het tehuis niet blijkt dat dergelijke kosten zijn gemaakt.

Kosten therapeutische activiteiten

2.10.1. Tot de therapeutische activiteiten behoren volgens belanghebbende activiteiten als paardrijden, muziek maken, schilderen en dergelijke. Belanghebbende stelt dat de kosten voor de therapeutische activiteiten vergelijkbaar zijn met de kosten voor therapeutisch zwemmen en daarom uitgaven voor geneeskundige hulp ex artikel 46, derde lid, Wet IB 1964 zijn.

2.10.2. Volgens vaste jurisprudentie kunnen kosten als door belanghebbende opgevoerd alleen dan tot de ziektekosten worden gerekend, indien de activiteiten plaatsvinden op voorschrift van de behandelende arts en onder begeleiding van een arts of verpleegkundige. De bewijslast hiervan rust op belanghebbende. Nu belanghebbende hiertoe geen gegevens of bescheiden heeft overgelegd, is belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, met hetgeen hij heeft aangevoerd niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de inspecteur de aftrek van uitgaven voor geneeskundige hulp voor de kosten van therapeutische activiteiten terecht heeft geweigerd.

Beheerskosten

2.11. Belanghebbende kan vanwege zijn handicap niet zelf zijn financiën beheren. Dat beheer wordt gedaan door de instelling, die daarvoor jaarlijks een bedrag in rekening brengt. Artikel 46, derde lid, van de Wet IB 1964 geeft een limitatieve opsomming van uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling die als buitengewone lasten/ziektekosten in aanmerking kunnen worden genomen. De beheerskosten die belanghebbende heeft moeten maken zijn daarbij niet genoemd. Voor aftrek als ziektekosten is derhalve geen ruimte.

Conclusie

2.12. Op grond van het onder 2.7. tot en met 2.11. overwogene worden de door de inspecteur geaccepteerde ziektekosten ad ƒ 3.738 verhoogd met ƒ 180 tot ƒ 3.918. Blijkens de aangifte is de drempel voor aftrek ƒ 2.788 zodat aftrekbaar is ƒ 1.130. Het belastbaar inkomen wordt dan ƒ 21.727 en de verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ƒ 4.765. De ingehouden loonheffing/premie volksverzekeringen is ƒ 5.134. De aangifte leidt aldus tot een teruggaaf van ƒ 369. Nu dat minder is dan ƒ 1.000 dient de uitspraak te worden bevestigd.

2.13. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 28 september 2006 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ‘s-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.