Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ2611

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-11-2006
Datum publicatie
20-11-2006
Zaaknummer
416296 VV 06-116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering en wedertewerkstelling in Kort Geding afgewezen. Onprofessioneel gedrag in de zorgsector.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2007, 6
JAR 2006/288 met annotatie van Mr. dr. M.S.A. Vegter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie [vestigingsplaats]

Zaaknr. 416296 VV EXPL 06-116

Vonnis in kort geding d.d. 17 november 2006

inzake

[eiser],

wonend te [adres],

eiser, hierna te noemen [eiser],

gemachtigde: mr. M. Kortekaas, advocaat te Breda,

tegen

de stichting [gedaagde]”,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde, hierna te noemen [gedaagde],

gemachtigde: mr. E.A.M. Raaijmaakers-Rottier, advocaat te Bergen op Zoom.

1. Het verloop van het geding

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het exploot van dagvaarding van 23 oktober 2006 met producties;

b. het schrijven d.d. 27 oktober 2006 van mr. Raaijmaakers-Rottier met producties;

c. het faxbericht d.d. 31 oktober 2006 van mr. Raaijmaakers-Rottier met productie;

d. de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van het geding ter terechtzitting van 31 oktober 2006, waar zijn verschenen mr. Kortekaas vergezeld van

[eiser] en zijn echtgenote en mr. Raaijmaakers-Rottier vergezeld van T. van den Akker en A. van den Brink, respectievelijk algemeen directeur en hoofd P&O van [gedaagde].

1.2 De inhoud van deze stukken en van de ter zitting door mr. Raaijmaakers-Rottier overgelegde pleitnota, geldt als hier ingelast. Op die inhoud en hetgeen overigens door partijen is aangevoerd, wordt, voor zover nodig, hierna teruggekomen.

2. Het geschil

2.1 [eiser] vordert als onmiddellijke voorziening, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen:

1. om over de periode vanaf 1 augustus 2006 tot aan het tijdstip dat aan de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze een einde is gekomen, het aan [eiser] verschuldigde salaris ter hoogte van € 2.387,49 bruto per maand, alsmede de bijbehorende emolumenten, te blijven doorbetalen op de gebruikelijke tijdstippen en de gebruikelijke wijze, onder afgifte aan [eiser] van de bijbehorende salarisspecificaties;

2. om [eiser] binnen 2 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis toe te laten tot uitvoering van zijn eigen werkzaamheden, op de gebruikelijke wijze, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft;

3. in de kosten van deze procedure.

2.2 [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], kosten rechtens.

3. De voorlopige beoordeling

3.1 Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende

weersproken, alsmede op grond van de niet bestreden inhoud van de producties, het volgende vast:

- de thans 30 jarige [eiser] is vanaf 17 september 1997 werkzaam bij [gedaagde], laatstelijk als [functie], tegen een salaris van € 2.387,59 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en een eindejaarsuitkering van 5%;

- vóór 17 september 1997 was [eiser] wisselend bij [gedaagde] in opleiding voor [functie] en in dienstbetrekking werkzaam op diverse afdelingen;

- op 18 juli 2006 heeft mevrouw [X], een ex-patiënte van onder meer de afdeling IC van [gedaagde], bij de Klachtencommissie Ziekenhuis [gedaagde] een schriftelijke klacht betreffende [eiser] ingediend omtrent -kort gezegd- ongewenste intimiteiten;

- naar aanleiding van voormelde klacht en teneinde zich schriftelijk te kunnen verantwoorden heeft [gedaagde] [eiser] op 20 juli 2006 voor de duur van een week geschorst conform artikel 3.1.4 van de CAO-Ziekenhuizen, welke schorsing bij brief van 27 juli 2006 met een week is verlengd;

- bij brief van 1 augustus 2006 heeft [gedaagde] [eiser] op staande voet ontslagen omdat zij van mening is dat -samengevat- [eiser] ten opzichte van [X] zijn professionele houding als zorgverlener uit het oog heeft verloren en dat hij aan [X] mededeling zou hebben gedaan over vermeend laakbaar handelen van medewerkers van [gedaagde];

- bij brief van 4 augustus 2006 heeft de gemachtigde van [eiser] de vernietiging van de opzegging ingeroepen omdat er naar de mening van [eiser] geen sprake is van een dringende reden voor het geven van ontslag op staande voet.

3.2 [eiser] stelt dat hij in elk geval vanaf het begin van zijn opleiding tot [functie] bij [gedaagde] tot mei 2006 altijd zeer goed heeft gefunctioneerd.

Mevrouw [X], die in mei 2006 was opgenomen op de IC-afdeling van [gedaagde], heeft het in juli 2006 nodig gevonden om een klacht tegen hem in te dienen wegens ongewenste intimiteiten, van welke klacht [eiser] van mening is dat deze kennelijk leugenachtig is en enkel bedoeld om hem op alle mogelijke manieren zwart te maken. Deze als leugenachtig te kwalificeren klacht kan een onvoldoende dringende reden vormen om hem op staande voet te ontslaan. Voorts is [eiser] van mening dat [gedaagde] als werkgeefster onvoldoende duidelijk is geweest ten opzichte van haar werknemers in het aangeven waar de grenzen liggen in de zorgrelatie met patiënten. In de inleidende dagvaarding geeft [eiser] een uitgebreide beschrijving van hetgeen in zijn beleving vanaf 22 mei 2006 tijdens de ziekenhuisopname en de periode na ontslag tussen [X] en hem is voorgevallen. In de visie van [eiser] kan hem voor wat betreft zijn handelen als zorgverlener geen enkel verwijt worden gemaakt. Wat betreft zijn handelen in de periode dat [X] uit het ziekenhuis was ontslagen, stelt [eiser] dat hij, achteraf gezien, wellicht anders had moeten handelen, maar dat dit los moet worden gezien van de professionele zorgrelatie met patiënten. Nu [gedaagde] na kennisname van het verweer van hem niet bereid was het ontslag op staande voet in te trekken, ziet [eiser] zich genoodzaakt met de onderhavige vorderingen in kort geding tot de kantonrechter te wenden.

3.3 [gedaagde] voert aan dat zij door een telefonische mededeling van de Inspectie voor de gezondheidszorg aan haar directie op 20 juli 2006 bekend is geworden met de klacht van [X]. Na een nader door haar clustermanager M.H. Sluiter ingesteld onderzoek heeft [gedaagde] [eiser] bij brief van 1 augustus 2006 kennisgegeven van zijn ontslag op staande voet. [gedaagde] verwijt [eiser] dat hij een en ander niet onverwijld aan haar heeft gemeld, alsmede dat hij zich niet voor zover mogelijk aan haar zorg heeft onttrokken. Voorts heeft [eiser] onbetwist gelaten dat hij zich tegenover [X] heeft uitgelaten over onoirbare praktijken van hemzelf, alsmede andere medewerkers van het ziekenhuis, onder wie te verstaan chirurgen en [functie]n. In haar pleitnota gaat de gemachtigde van [gedaagde] puntgewijs in op de gebeurtenissen, die volgens haar onderbouwen dat [eiser] niet adequaat heeft gereageerd op hetgeen tussen [X] en hem is voorgevallen en hij momenten voorbij heeft laten gaan, waarop hij als professional geheel anders met de situatie had kunnen en moeten omgaan. [gedaagde] wijst erop dat de klacht van [X] zo uitgebreid en gedetailleerd is, dat er voor de geneeskundige inspectie en haar geen grond was de klacht als kennelijk leugenachtig af te doen. Omtrent de stelling van [eiser] dat hij door [gedaagde] niet voldoende is gewezen op de risico’s van een [functie]-patiënt relatie, merkt [gedaagde] op dat deze problematiek ruime aandacht in de opleiding krijgt en dat dit soort aangelegenheden ook in de media niet onbesproken blijft. Al met al blijft [gedaagde] van mening dat [eiser] onprofessioneel heeft gehandeld, hetgeen hem verwijtbaar is. Nu door [eiser] de goede naam en faam van [gedaagde] in diskrediet zijn gebracht, kon en kan van [gedaagde] niet gevergd worden hem langer in dienst te houden. [gedaagde] is derhalve van mening dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen.

3.4 Nu vaststaat dat [eiser] sedert 1 augustus 2006 zonder vaste inkomsten is, is voldoende aannemelijk dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

3.5 De kantonrechter overweegt dat ook blijkens de eigen stellingen van [eiser]:

- hij op of omstreeks 22 mei 2006 tijdens zijn (nacht)dienst op de IC-afdeling bij de bedlegerige aan zijn zorg toevertrouwde [X] is geweest voor reguliere controles;

- de zorg voor [X] op of omstreeks 23 en 24 mei 2006 niet aan hem was toevertrouwd, doch dat hij toen toch contacten met haar had en ook enige tijd bij haar doorbracht, zij het dat dit steeds op verzoek van [X] was en kortdurend;

- [X] op of omstreeks 23 en 24 mei 2006 tegenover hem uitsprak dat zij gevoelens voor hem koesterde;

- [X] daar op of omstreeks 24 of 25 mei 2006 op terug kwam toen hij haar een glas water bracht en dat zij hem toen schriftelijk haar telefoonnummer en adres gaf, wat hij meenam;

- hij haar ook vanaf 25 mei 2006 nog opzocht, ondanks het feit dat zij toen inmiddels was overgeplaatst naar een andere afdeling waar hij niet werkte, zij het dat dit op verzoek van [X] zou zijn geweest;

- hij na haar ontslag uit het ziekenhuis vanaf eind mei 2006 meermalen bij [X] thuis op bezoek is geweest, waar hij toen zeer persoonlijke gesprekken met haar heeft gevoerd en haar ook heeft gekust.

3.6 Daargelaten de volledige juistheid van het in haar klachtbrief verwoorde en door [eiser] bewiste relaas van [X], volgt uit de eigen stellingen van [eiser] wel dat hij in de bewuste periode dat [X] als patiënte bij [eiser] was opgenomen, meer en ook andere contacten met haar onderhield dan alleen vanuit professioneel oogpunt van hem kon en mocht worden verlangd, zonder dat [eiser] dit aan zijn leidinggevende meldde zoals dat van hem mocht worden verlangd. Dat [eiser] na de overplaatsing van [X] ook bij haar is geweest, omdat hem dat in een voorkomend geval door een (overigens onwetende) leidinggevende was opgedragen, doet daaraan als zodanig niet af. Dat [X] vervolgens toen zij het bed kon verlaten [eiser] zelf benaderde voor hulp en hij haar toen ook meermalen de gewenste professionele hulp op een andere afdeling gaf, doet er niet aan af dat hij toen tenminste behoorde te weten dat [X] dit anders zou (kunnen) begrijpen, zeker in het licht van de voornoemde omstandigheden en met name omdat [eiser] zelf stelt toen ook te hebben ervaren dat [X] zijn aanwezigheid wel prettig vond, waarbij niet uit het oog kan worden verloren dat zij bovendien al eerder uitdrukkelijk tegenover hem had uitgesproken dat zij gevoelens voor hem koesterde. Dat collega’s van [eiser] nimmer onprofessioneel gedrag van [eiser] tegenover [X] zouden hebben waargenomen en [eiser] blijkens in het kader van deze procedure overgelegde bescheiden in zijn functie als zodanig goed zou hebben gefunctioneerd, doet aan het voorgaande als zodanig eveneens niet af. Dat de gedragscode in beginsel professionele aandacht voor [X] verlangt, leidt evenmin tot een ander oordeel, alsook de stelling van [eiser] dat hij in zijn relatie met zorgvragers voor het overige nog nooit problemen stelt te hebben veroorzaakt of ondervonden.

3.7 Wat betreft de opmerking van [eiser] dat [gedaagde] haar medewerkers onvoldoende zou voorbereiden op en hen aan hun lot zou overlaten in de gevallen waar de relatie zorgverlener-zorgvrager problemen zou (kunnen) opleveren, deelt de kantonrechter het standpunt zoals dat daaromtrent, zoals hiervoor vermeld, naar voren is gebracht van de zijde van [gedaagde].

3.8 Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat [eiser] zich als zorgverlener in hoge mate onprofessioneel heeft gedragen tegenover [X] als zorgvraagster, om reden waarvan [gedaagde] terecht heeft gemeend [eiser] op staande voet te moeten ontslaan. Het aan [eiser] gemaakte verwijt dat hij aan [X] mededeling heeft gedaan van vermeend laakbaar handelen van ziekenhuismedewerkers, kan derhalve onbesproken blijven.

4. De kosten

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van [gedaagde] gevallen.

5. De beslissing bij wege van voorlopige voorziening

De kantonrechter:

- weigert het door [eiser] gevorderde;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde] gevallen, tot deze uit-spraak begroot op € 400,00 als salaris voor de gemachtigde van [gedaagde].

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.W.M. Stienissen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.