Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ1651

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
28-09-2006
Datum publicatie
07-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/2250
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen VAMIL voor verfcabine nu deze niet uitsluitend geschikt is voor het gebruik van waterafdunbare verf

Belanghebbende heeft in 2000 een tweetal spuitcabines aangeschaft die voornamelijk worden gebruikt voor het opbrengen van waterafdunbare verf. Een VAMIL-aanvraag ter zake is afgewezen omdat de cabines niet voldoen aan de daaraan verbonden voorwaarden. De rechtbank stelt vast dat, nu met de cabines ook andere dan waterafdunbare verf kan worden opgebracht en in de praktijk wordt opgebracht, niet wordt voldaan aan het vereiste gesteld in code 2036 van de bijlage bij de aanwijzingsregeling milieu-investeringsaftrek 2000, dat de installatie "uitsluitend geschikt is voor het gebruik van waterafdunbare verf". Het gegeven dat, technisch bezien, naar de toenmalige stand der techniek, niet één installatie aan deze eis kan voldoen, verandert deze gevolgtrekking niet. De rechtbank heeft niet de vrijheid de eenduidige bewoordingen van code 2036 te interpreteren in de zin van het door belanghebbende voorgestane "bestemd voor". De VAMIL-aanvraag is terecht geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 1625
FutD 2006-2056
V-N 2007/15.2.2

Uitspraak

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2250

Uitspraakdatum: 28 september 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als belanghebbende, respectievelijk inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2000 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van f 296.703.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 mei 2005 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 20 juni 2005, ontvangen bij de rechtbank op 21 juni 2005, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 276. De inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2006 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de inspecteur.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Belanghebbende vormt, samen met haar dochtervennootschap B.V. een fiscale eenheid (hierna: de fiscale eenheid) voor de vennootschapsbelasting.

2.2. In het jaar 2000 heeft de fiscale eenheid een bedrag van f 390.310 geïnvesteerd in een tweetal spuitcabines (hierna: de installatie), ontwikkeld in samenwerking met een Belgische fabrikant. De spuitcabines worden voornamelijk gebruikt voor het opbrengen van waterafdunbare verf en daarnaast ook wel voor het opbrengen van niet-waterafdunbare verf.

2.3. De investering is, door middel van het daarvoor bestemde formulier op 31 oktober 2000 gemeld bij het Bureau investeringsregelingen en willekeurige afschrijving te Breda, onder vermelding van code 2036, zoals omschreven in de bijlage bij de aanwijzingsregeling milieu-investeringsaftrek 2000 (hierna: Milieulijst 2000) in het kader van de Wet Vervroegde Afschrijving Milieuinvesteringen (VAMIL):

“2. Investeringen ter voorkoming of beperking van luchtverontreiniging

(….)

2036. Installatie voor het opbrengen van waterafdunbare verf/coating/lijm bestemd voor: het spuiten van objecten door middel van een installatie welke uitsluitend geschikt is voor het gebruik van waterafdunbare verf, waterafdunbare coating, oplosmiddelvrije coating of waterafdunbare lijm, en bestaande uit eventueel spoelpomp, (eventueel) spuitpistolen, (eventueel) circulatiepomp, (eventueel) warmtewisselaar, (eventueel) droogapparatuur (….)”

2.4. Met dagtekening 27 augustus 2001 heeft [bureau] de gemelde investering aan de belastingdienst gerenseigneerd en daarbij, op grond van een technische beoordeling, geconcludeerd dat het bedrijfsmiddel niet voldeed aan de technische eisen van de Milieulijst 2000. In de toelichting wordt ter zake opgemerkt:

“Uit de door de belastingplichtige verstrekte informatie blijkt dat de spuitinstallatie ook gebruikt wordt voor het spuiten van niet-waterafdunbare verf. In de installatie voor het opbrengen van verf mag uitsluitend waterafdunbare verf gespoten worden, zoals gesteld is in de omschrijving van code 2036 van de milieulijst 2000. Het gemelde bedrijfsmiddel voldoet niet aan deze eis en komt daarmee niet in aanmerking voor VAMIL”

2.5. Belanghebbende heeft op 4 maart 2002 haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2000 ingediend, naar een belastbaar bedrag van nihil. In de aangifte is een bedrag groot

f 309.599 opgenomen als VAMIL-afschrijving ter zake van genoemde investering en daarnaast is ter zake van energie-investeringsaftrek een bedrag opgevoerd van f 63.848.

2.6. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur de volgende correcties aangebracht:

- meer energie-investeringsaftrek f 12.896

- geen afschrijving VAMIL f 309.599

verhoging belastbaar bedrag met f 296.703.

De aanslag is, met dagtekening 15 november 2003, opgelegd naar een belastbaar bedrag van

f 296.703. Het bezwaar richt zich tegen deze correctie.

2.7. Met dagtekening 6 december 2003 is het belastbaar bedrag, in verband met terugwenteling van verliezen uit het jaar 2001, nader vastgesteld op f 245.505.

3. Geschil

3.1. In geschil is:

1. of de investering in de spuitcabines in aanmerking komt voor vervroegde afschrijving in het kader van de VAMIL

2. of uitlatingen van de overheid in het kader van de discussie die aan de investering vooraf is gegaan moeten worden uitgelegd als een toezegging waaraan de inspecteur is gebonden.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

Waar code 2036 eist dat de installatie uitsluitend geschikt is voor het spuiten van waterafdunbare verf eist het iets onmogelijks. Er bestaat geen installatie die “uitsluitend” daarvoor geschikt is. Dit zo zijnde noopt dan te kijken naar de bedoeling die de wetgever heeft gehad bij het tot stand brengen van de regeling, namelijk: het bestrijden van luchtverontreiniging in brede zin. En daaraan wordt in dit geval ruimschoots voldaan.

Er zijn geen stukken betreffende de contacten tussen [bureau] en [bv] en [firma] in de tijd dat de machine is ontwikkeld.

De inspecteur:

De milieulijst is niet uitsluitend voor de autobranche opgesteld. In vergelijkbare gevallen zijn in een andere branche wel begunstigende beschikkingen afgegeven. Er staat niet voor niets “geschikt voor” en “uitsluitend”. Als men bedoeld zou hebben ”gebruikt voor” en

“voornamelijk” dan had dat er wel gestaan. Feit is dat over 2000 geen enkele verfcabine aan de vereisten van code 2036 heeft kunnen voldoen. Later is het criterium bijgesteld in die zin dat meer naar het gebruik werd gekeken dan naar de geschiktheid. Wij toetsen pas als er een aanvraag binnenkomt, niet in de fase daarvoor. De andersluidende stelling van belanghebbende wordt daarom betwist. Uit een gespreksnotitie uit 2001 van [bureau] blijkt dat toen gezegd zou zijn dat in de branche de investering niet kwalificeert.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbar bedrag van nihil, met vaststelling van het verlies over 2000 op f 12.896 ( € 5852).

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van de eerste in geschil zijnde vraag:

4.1. Partijen zijn het er over eens dat, zo de investering in aanmerking komt voor vervroegde afschrijving in het kader van de VAMIL, deze kwalificatie uitsluitend ontleend kan worden aan code 2036 van de Milieulijst 2000, zoals verwoord in 2.3.

4.2. Voorts zijn partijen het er over eens dat de in het geding zijnde installatie naar de letter, technisch gesproken, onmogelijk kan voldoen aan de in code 2036 gestelde voorwaarden. Er is immers geen spuitinstallatie op de markt die “uitsluitend” geschikt is voor het gebruik van waterafdunbare verf en de onderhavige installatie vormt daarop geen uitzondering. In alle gevallen is de desbetreffende spuitinstallatie tevens geschikt voor het aanbrengen van verfsoorten vermengd met andere verdunmiddelen dan water.

4.3. Illustratief in dit verband is dat [bureau], in overleg met het ministerie van VROM, ertoe is overgegaan om de zinsnede “geschikt voor” uit code 2036 te interpreteren als “bestemd voor”. Aangezien echter de eis van het “uitsluitend” naast het “bestemd zijn” bleef gelden leverde deze “verruiming” in de praktijk geen andersluidende resultaten op. Ook een uitsluitende bestemming blijkt in de praktijk niet te onderbouwen.

Een in de praktijk wel hanteerbaar criterium, zoals het feitelijk gebruik, valt ook hieraan niet te ontlenen. Maar ook al mocht de nadere invulling door [bureau] worden uitgelegd als mede het feitelijk gebruik betreffende, dan staat nog vast, op basis van de stukken en het ter zitting verhandelde dat belanghebbende ook aan dit criterium niet voldeed. De spuitinstallatie werd immers ook gebezigd voor het opbrengen van andere dan waterafdunbare verf, zoals de zogenaamde “high solid” verf, waarvan ter zitting is vastgesteld dat deze weliswaar milieuwinst oplevert ten opzichte van conventionele lakken, maar waarvan de uitstoot aan oplosmiddelen nog altijd aanzienlijk is.

4.4. Dat, zoals belanghebbende stelt, uit de vaststelling dat met het in code 2036 neergelegde criterium het onmogelijke wordt gevergd, moet worden geconcludeerd dat daarmee het criterium onjuist was, vermag de rechtbank niet in te zien. In de context van de regeling moet daarin veeleer een uitdaging worden gezien voor het zoeken naar nieuwe, op dat moment nationaal wellicht nog niet beschikbare technologieën.

4.5. De vraag doet zich derhalve voor in hoeverre uit de wetsgeschiedenis op dit stuk een andersluidende bedoeling van de wetgever kan worden afgeleid, dan wel in hoeverre een redelijke wetsuitleg zou dwingen de installatie als wel kwalificerend aan te merken.

Voor wat betreft de bedoeling van de wetgever is het navolgende citaat uit de Memorie van antwoord bij de totstandkoming van de VAMIL (Tweede Kamer, 20 872, nr. 5) van belang:

“…Welke bedrijfsmiddelen worden op de lijst geplaatst ? Deze vraag wordt ook gesteld door de leden van de GPV-fractie. Mede in het licht van de budgettaire begrenzing zal de lijst een zodanige selectie van (type) bedrijfsmiddelen moeten omvatten dat daarmee de belangen van het milieu optimaal zijn gediend. Vanuit deze optiek is gekozen voor bedrijfsmiddelen: die in Nederland nog niet gangbaar zijn en er in belangrijke mate toe kunnen bijdragen dat de nadelige gevolgen voor het milieu van menselijke activiteiten, waaronder het gebruik van energie en grondstoffen, door verontreiniging aantasting of uitputting worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Het gaat hier bijvoorbeeld om bedrijfsmiddelen ten behoeve van milieuvriendelijke zaken en processen: om de zogenaamde procesgeïntegreerde voorzieningen. Deze voorzieningen belasten bij gebruik het milieu minder dan bestaande of meest gebruikte voorzieningen. Het zijn milieuvriendelijke, duurdere varianten van bestaande technieken.

Daarnaast zal de VA toegepast kunnen worden op de meer geavanceerde bedrijfsmiddelen die geheel of nagenoeg geheel bestemd zijn om de verontreiniging van het milieu te voorkomen of te beperken. In veel gevallen betreft het hier bedrijfsmiddelen die worden toegevoegd aan een bestaande of nieuw op te richten produktie-installatie ”

De rechtbank ziet in dit citaat geen aanleiding een andere betekenis toe te kennen aan de term “uitsluitend” dan de letterlijke betekenis daarvan. Het standpunt van belanghebbende dienaangaande wordt daarom verworpen.

4.6. Ook de vraag of een redelijke interpretatie van de regelgeving tot een andersluidend resultaat leidt beantwoordt de rechtbank ontkennend. Waar code 2036 op dit stuk eenduidig is en waar [bureau] zelf reeds een versoepeling heeft aangebracht, als gememoreerd onder 4.3., heeft de rechtbank niet de vrijheid ter zake een redelijkheidstoets aan te leggen, hoezeer ook de rechtbank kan meegaan met de constatering van partijen dat, in ieder geval getoetst aan de in 2000 bestaande stand der techniek, met de in code 2036 neergelegde voorwaarde het onmogelijke wordt gevraagd. Het feit dat de bewoordingen van code 2036 in latere jaren, mede naar aanleiding van technologische ontwikkelingen, zijn aangepast en wellicht meer ruimte laten voor een interpretatie als voorgestaan door belanghebbende doet hieraan niet af, aangezien de investering plaatsvond in het jaar 2000 en uitsluitend dient te worden getoetst aan de regelgeving zoals die in dat jaar gold.

4.7. Ook de nog door belanghebbende aangevoerde jurisprudentie met betrekking tot de VAMIL, met name de uitspraak van het Gerechtshof te ’s Gravenhage van 13 mei 1998, nr. 97/3718 (onder meer gepubliceerd in V-N 1998/54.15) en het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2004, nr. 39 490 (BNB 2004/153) bevat, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten met de thans aan de orde zijnde problematiek om tot een andersluidend oordeel te kunnen geraken.. In de eerstgenoemde aangelegenheid was duidelijk dat de vereiste installatie in beginsel beschikbaar was, alleen in het in geschil zijnde jaar niet meer leverbaar. In de door de Hoge Raad besliste aangelegenheid betrof het een tweetal onderdelen die fysiek niet, doch functioneel wel aanwezig waren. Ook daarvan is thans geen sprake..

4.8. Ook het door belanghebbende aangevoerde, dat de installatie per saldo, mede als gevolg van het feit dat deze zuinig met energie omgaat, een belangrijke bijdrage levert aan de doelstellingen van de VAMIL baat haar niet, nu voor de toepassing van de VAMIL andere criteria bepalend zijn.

4.9. Op grond van het vorenstaande moet de eerste in geschil zijnde vraag ontkennend worden beantwoord.

Naar aanleiding van de tweede in geschil zijnde vraag.

4.10. Belanghebbende stelt dat bij voorafgaande contacten met [bureau] de indruk werd gewekt dat ter zake van de investering in de installatie recht zou worden verkregen op vervroegde afschrijving. Belanghebbende voert echter geen stukken aan die deze stelling onderbouwen. De inspecteur verklaart dat inderdaad bij vooroverleg een dergelijke toezegging is gedaan, maar stelt dat zulks plaatsvond onder de voorwaarde dat de “high solid verf”, voor het opbrengen waarvan de spuitcabines mede werden ingezet, oplosmiddelvrij was. Nu belanghebbende aan die voorwaarde niet kon voldoen hoefde de toezegging niet gestand te worden gedaan. Mede in het licht van het feit dat het toekennen van vervroegde afschrijving aan installaties als de onderhavige nadrukkelijk is geplaatst in het kader van investeringen ter voorkoming of beperking van luchtverontreiniging, hecht de rechtbank geloof aan de verklaring van de inspecteur. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat jegens haar toezeggingen zijn gedaan dat de investeringen in aanmerking komen voor vervroegde afschrijving in het kader van de VAMIL. De tweede in geschil zijnde vraag moet daarom eveneens ontkennend worden beantwoord.

4.11. Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 28 september 2006 door mr. D. Hund, voorzitter, mr. A.A. den Hartog en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E. Woltman, griffier. De griffier is verhinderd dit proces-verbaal mede te ondertekenen

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.