Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ1629

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-09-2006
Datum publicatie
07-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/4638
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

naheffing omzetbelasting met boete. Belanghebbende had in 2000 een omzet van circa 1.200.000 gulden. Bij een Duitse verkoper zijn 2 facturen aangetroffen, van in totaal DEM 12.000, die niet in de administratie van belanghebbende waren verwerkt. De inspecteur heeft, wegens gebreken in de administratie, met omkering van de bewijslast nageheven. De rechtbank overweegt dat deze gebreken, mede gezien de omvang daarvan ten opzichte van de omzet, onvoldoende zijn om te concluderen tot omkering van de bewijslast. De inspecteur heeft op basis van alleen de genoemde facturen, nu ten minste twijfel is gerezen aan de betrouwbaarheid van de Duitse verkoper, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de leveringen ad DEM 12.000 aan belanghebbende hebben plaatsgevonden. Verlaging aanslag en boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-2071
V-N 2007/17.13

Uitspraak

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4638

Uitspraakdatum: 14 september 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] VOF, gevestigd te [woonplaats], eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar.

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 28 oktober 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting, alsmede de daarbij bij beschikking opgelegde boete.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2006 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, en de inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken waarvan bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 1.718,00;

- vermindert de boete tot € 345,00;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644 en wijst de Staat aan als rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende zal voldoen;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 276 aan haar vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende handelt in tassen, die zij onder meer inkoopt in Duitsland. De omzet van belanghebbende in het jaar 2000 beliep ongeveer NLG 1.200.000,00 exclusief BTW, zo is ter zitting door gemachtigde van belanghebbende medegedeeld en door de inspecteur niet weersproken. Op verzoek van de Duitse belastingdienst heeft de inspecteur gecontroleerd of belanghebbende een viertal facturen uit het jaar 2000 die waren aangetroffen bij een Duitse leverancier van plastic tassen, [firma] uit [woonplaats], in zijn administratie heeft verwerkt. Gebleken is dat twee inkoopfacturen, gedagtekend 19, respectievelijk 29 februari 2000, ten bedrage van respectievelijk, DM 8.000,00 en DM 4.000,00, niet in de administratie van belanghebbende waren verwerkt. De beide andere inkoopfacturen werden wel in de administratie van belanghebbende aangetroffen.

2.2. De bestreden naheffingsaanslag betreft het tijdvak 1 september 1998 tot en met 31 december 2002. De naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, verminderd tot € 3.159,00 aan enkelvoudige belasting en € 1.065,00 aan boete. De op de litigieuze omzetcorrectie betrekking hebbende omzetbelasting bedraagt NLG 3.175,00 ( € 1.441,00) en de boete NLG 1.587,00 ( € 720,00). Het bezwaarschrift is op 11 september 2003 gemotiveerd. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 28 oktober 2005.

2.3. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vragen:

? of de inspecteur terecht de omzet van belanghebbende over 2000 heeft verhoogd met NLG 18.145,00 wegens niet geboekte inkopen van [firma],

? of de inspecteur terecht omkering van de bewijslast heeft toegepast en

? of de boete van 50 % over de terzake nageheven omzetbelasting in overeenstemming is met de geconstateerde feiten en de duur van de bezwaarprocedure.

Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de inspecteur bevestigend met dien verstande dat de inspecteur een matiging van de boete met 10 % voorstelt wegens undue delay.

2.4. Bij een namens de inspecteur bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek heeft de controleur geconstateerd dat de kasadministratie van belanghebbende gebreken vertoonde. De inspecteur is er daarop van uitgegaan dat belanghebbende inkopen heeft gedaan tot het bedrag van de onder 2.1. vermelde, niet geboekte facturen, heeft de daaruit voortkomende omzet, vertaald in guldens, geschat op basis van de gemiddelde bruto-winstpercentages van belanghebbende en de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Hij stelt dat belanghebbende, door de gebrekkige kasadministratie, niet heeft voldaan aan de op haar rustende administratieve verplichtingen van artikel 52 AWR, respectievelijk artikel 34 Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) en dat belanghebbende derhalve, gezien het bepaalde in artikel 27e AWR, respectievelijk artikel 36 Wet OB moet doen blijken dat en in hoeverre ten onrechte is nageheven (omkering van de bewijslast). Belanghebbende bestrijdt dat de betreffende inkopen van respectievelijk DM 8.000,00 en DM 4.000,00 hebben plaatsgevonden.

2.5. De rechtbank zal eerst een oordeel geven over de vraag wie de juistheid van de onderhavige correcties dient te bewijzen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat omkering (verschuiving en verzwaring) van de bewijslast slechts dan als sanctie op het niet voldoen aan de administratieve verplichtingen gerechtvaardigd is, indien de in de administratie vastgestelde gebreken daarvoor voldoende ernstig zijn.

2.6. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen de inspecteur met betrekking tot de administratie van belanghebbende heeft gesteld, niet voldoende voor het verwerpen van die administratie als voldoende betrouwbare basis voor de vaststelling van de omzet. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gesteld of gebleken dat de hoogte van het brutowinstpercentage per saldo betekenend afwijkt van hetgeen landelijk in de desbetreffende branche gebruikelijk is noch dat het netto-privé van de firmanten van belanghebbende onaannemelijk laag is.

2.7.Daarenboven betreffen naar het oordeel van de rechtbank de door de inspecteur geconstateerde gebreken in de kasadministratie van belanghebbende niet zo een wezenlijk bestanddeel van het totaal van de omzet zoals die uit de administratie blijkt, dat hieruit zonder meer geconcludeerd kan worden tot een gebrekkige administratie.

2.8. Het onder 2.2 tot en met 2.7. overwogene leidt tot de conclusie dat de bewijslast voor de omzetcorrecties bij de inspecteur ligt. De inspecteur heeft daartoe niet meer bewijs aangevoerd dan de beide onder 2.1. vermelde facturen. Vaststaat dat de op de facturen vermelde verkoper (c.q. de wettelijk vertegenwoordiger daarvan) in Duitsland inmiddels met de noorderzon is vertrokken. Dat rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank tenminste enige twijfel aan de betrouwbaarheid van die verkoper, en daarmee ook aan de betrouwbaarheid van diens administratieve vastleggingen. Nu de inspecteur daaromtrent in het geheel geen informatie heeft, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet geslaagd is in zijn bewijslast Dit een en ander, in onderling verband bezien, leidt tot het oordeel dat de inspecteur onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de betreffende leveringen van tassen aan belanghebbende in 2000 voor DM 8.000,00 en DM 4.000,00 daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan belanghebbende.

2.10. Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd en dat de aanslag nader moet worden vastgesteld op een bedrag van € 1.718,00 aan enkelvoudige belasting en de boete op € 345,00.

2. 11. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (2 punten voor proceshandelingen met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2006 door mr.drs. G.H.C.Blommers, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. D. Hund, rechters en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. I. van Wijk als griffier. De griffier is verhinderd dit proces-verbaal mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ‘s-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.