Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ1573

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
04-09-2006
Datum publicatie
06-11-2006
Zaaknummer
AWB 05/2612
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

naheffing loonbelasting. De naheffingsaanslag is terecht met omkering van de bewijslast opgelegd nu belanghebbende niet heeft voldaan aan haar verplichting om boeken en bescheiden ed. aan de inspecteur ter beschikking te stellen. De naheffingsaanslag wordt toch vernietigd nu deze naar willekeur is vastgesteld. De feitelijke situatie bij de vorige exploitanten van de werf kan niet leiden tot de conclusie dat dienstbetrekkingen aanwezig waren tussen belanghebbende en Poolse dan wel Roemeense arbeidskrachten. Daaraan doet niet af dat belanghebbende voor betaling van de arbeidskrachten gebruik maakte van de diensten van dezelfde entiteit als de rechtsvoorgangers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/14.1.2
FutD 2006-2053
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2612

Uitspraakdatum: 4 september 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], kantoorhoudende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende, met dagtekening 12 september 2003, over het tijdvak 1 januari 2002 tot en met 30 juni 2003, een naheffingsaanslag opgelegd in de loonbelasting en premie volksverzekeringen tot een bedrag aan enkelvoudige belasting van € 396.243 en een bedrag aan heffingsrente van € 4.274.

1.2. Na daartegen op 16 september 2003 gemaakt bezwaar heeft de inspecteur, bij uitspraak op bezwaar van 30 juni 2005, de naheffingsaanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft, bij brief van 29 juli 2005, op diezelfde dag per fax bij de rechtbank binnengekomen, daartegen beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 276. De inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.3. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.4. De inspecteur heeft, op grond van artikel 8:58 van de Awb, vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende en behoren tot de stukken van het geding.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, met getuige, alsmede, de inspecteur.

1.6. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van de inspecteur behorende bijlage. De rechtbank rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

1.7. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is opgericht naar Roemeens recht, met een vestiging in [woonplaats]. Zij is statutair gevestigd aan de [straat] te [woonplaats]. Belanghebbende, gespecialiseerd in scheepsbouw en scheepsherstel, heeft in Nederland als doel het afsluiten van contracten ten behoeve van haar vennoten.

2.2. Op 13 augustus 2001 heeft belanghebbende een formulier “opgaaf gegevens startende onderneming” ingediend. Op basis daarvan is belanghebbende alleen aangemerkt als belastingplichtig voor de omzetbelasting.

2.3. Belanghebbende is in juli 2002 begonnen met de exploitatie van een van [Beheer] B.V. gehuurde scheepswerf inclusief kranen en roerende zaken aan [straat] te [woonplaats], bekend als [de werf] (hierna: de werf). De werkzaamheden werden uitgevoerd door Poolse en Roemeense arbeidskrachten (hierna: de arbeidskrachten).

2.4. In september en oktober 2002 heeft de Belastingdienst boekenonderzoeken uitgevoerd bij de entiteiten die de werf exploiteerden vóór belanghebbende. Naar aanleiding van deze boekenonderzoeken is begin november 2002 een boekenonderzoek bij belanghebbende aangekondigd. Het rapport van dit boekenonderzoek dateert van 20 april 2004. In dit rapport zijn onder andere de volgende passages opgenomen:

“2.1 Beoordeling bedrijfsactiviteiten

(…)

Uit eerdere onderzoeken van bedrijven welke voorafgaand aan de activiteiten van [belanghebbende] op de scheepswerf werkzaam waren, is uit de feitelijke arbeidsomstandigheden en de inhoud van het werk overduidelijk gebleken dat de prestaties van de zogenoemde Poolse en/of Roemeense zelfstandigen worden uitgevoerd in ondergeschikt verband. Om een tewerkstelling in dienstverband te ontduiken en daarmee loonbetalingen te versluieren, werd een constructie opgezet door de verantwoordelijken van [belanghebbende], haar voorgangers en de verantwoordelijken van scheepswerf [de werf], met de bedoeling elke schijn van concrete gezagsuitoefening te vermijden.

(…)

3.1 Zelfstandigheid buitenlandse arbeidskrachten

Bij het onderzoek heeft de vraag naar de zelfstandigheid van de Poolse en Roemeense arbeidskrachten steeds centraal gestaan. Dit is vanaf het begin aan belanghebbende kenbaar gemaakt. Bij eerdere onderzoeken op de scheepswerf werden Poolse arbeidskrachten aangetroffen, die na bemiddeling van een Poolse onderneming (de eerder genoemde onderneming [firma]) daar tewerk werden gesteld. Hiervan hebben wij vastgesteld dat er geen sprake kon zijn van zelfstandige ondernemers.

De huidige situatie is niet anders. Ook nu worden personen door tussenkomst van [firma] te werk gesteld en is er ook overigens een vergelijkbare situatie.”

2.5. Tijdens en na het boekenonderzoek bij belanghebbende heeft de inspecteur diverse malen stukken opgevraagd bij belanghebbende. Bij brief van 11 november 2002 heeft de inspecteur duidelijk opgesomd welke boeken, bescheiden en overige gegevensdragers hij wenst te ontvangen. In de brief van de inspecteur van 19 augustus 2003 volgt een wat uitgebreidere opsomming van te ontvangen stukken. De inspecteur heeft naar aanleiding van laatstgenoemde brief rappellen verzonden op 6 en op 27 oktober 2003. Belanghebbende heeft de gevraagde stukken niet (volledig) verstrekt.

3. Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

I. Mocht de inspecteur de naheffingsaanslag met toepassing van omkering van de bewijslast opleggen?

II. Is belanghebbende loonbelasting en premie volksverzekeringen verschuldigd ter zake van op de werf namens haar werkzame arbeidskrachten?

III. Dient bij de berekening van de verschuldigde loonbelasting en premie volksverzekeringen het anoniementarief te worden toegepast?

IV. Heeft de inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag de “Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Poolse Volksrepubliek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen” juist toegepast?

Belanghebbende is van oordeel dat al deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

[getuige], die als getuige naar de zitting is meegekomen, kan verklaren dat hij, vóórdat de controle heeft plaatsgevonden, een gesprek met de Belastingdienst heeft gehad. Tijdens dat gesprek had hij een laptop bij zich waarop door de inspecteur opgevraagde stukken stonden. De inspecteur presenteert geen feiten op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de situatie bij belanghebbende hetzelfde was als bij haar rechtsvoorganger. Het is de vraag of er een gezagsverhouding was tussen belanghebbende en de arbeiders. Het is ons niet bekend of er in Polen iets is geregeld ter voorkoming van dubbele belasting. Indien de loonbelasting aftrekbaar is voor de vennootschapsbelasting, waar praten we dan nog over? [getuige] hoeft niet onder ede te worden gehoord.

[getuige]

Tijdens de bespreking op het kantoor in [woonplaats], ergens in het jaar 2003, was er inderdaad een laptop aanwezig. De door de inspecteur opgevraagde stukken stonden op een schijfje. Op dat schijfje kan ik nu de hand niet meer leggen. Tijdens de bespreking was ik de enige vertegenwoordiger van belanghebbende. Een aantal vragen kon ik niet beantwoorden, aangezien ik de antwoorden niet kende. Ik moet aannemen dat er een boekhouding was, nu ik daar geen inzicht in had. Hetgeen ik op de werf heb waargenomen, spoorde met de juridische voorstelling van de gang van zaken. De inspecteur heeft niet gevraagd om een print van de boekhouding welke op de laptop stond. Tijdens de bespreking waren er geen afschriften van identiteitsbewijzen van de arbeiders aanwezig. Belanghebbende beschikte over een bankrekening in Nederland. Ik weet niet wie de bankafschriften had. De administratie van belanghebbende werd in Polen verzorgd. Over de aanwezigheid van een kasboek is mij niets bekend.

De inspecteur

Bij de rechtsvoorganger van belanghebbende heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden, naar aanleiding waarvan een naheffingsaanslag is opgelegd. Op diezelfde dag is de onderneming, om niet, overgedragen. Zes dagen daarna is de onderneming voor een bedrag van € 75.000 aan belanghebbende doorverkocht. De koop vond plaats zonder dat de boeken zijn ingezien. De enige bedoeling was het voortzetten van de onderneming met een ander vehikel. Nu belanghebbende geen stukken overlegde, hebben wij zelfs niet kunnen controleren of de door haar gepresenteerde feiten juist zijn. Wij gaan er van uit dat bij belanghebbende, organisatorisch bezien, op dezelfde wijze wordt gewerkt als bij haar rechtsvoorganger. De feiten om dit te staven ontbreken, nu [de heer] deze niet wilde verstrekken. Indien de arbeiders ondernemer zijn, dan staat dat nog niet in de weg aan het bestaan van dienstbetrekkingen met belanghebbende. De controlerend ambtenaren hebben geconstateerd dat het er bij belanghebbende net zo aan toe ging als bij haar rechtsvoorganger. Wij wilden de gezagsverhouding tussen belanghebbende en de arbeiders onderzoeken, maar men wilde hier niet aan meewerken. [toezichter] werd door belanghebbende betaald om toezicht te houden op de arbeiders. Civielrechtelijk kijken we door belanghebbende heen, maar fiscaalrechtelijk, voor de loonbelasting, niet. Bij de bespreking met [getuige] hebben wij geen laptop gezien. Wij hebben geen vragen aan [getuige].

De controlerend ambtenaren

Feitelijk en organisatorisch is er niets veranderd na de overname van de onderneming door belanghebbende. De op de werf gehouden onderzoeken liepen in elkaar over. Bij ieder onderzoek hing er een andere rechtspersoon boven de onderneming. Nadat belanghebbende de onderneming had overgenomen, liepen er op de werf dezelfde personen rond als bij haar rechtsvoorganger. Voorts zijn er facturen aangetroffen van arbeiders aan belanghebbende, welke zelfde facturen eerder door de arbeiders bij de rechtsvoorganger van belanghebbende waren ingediend. Volgens de civiele rechter is sprake geweest van een schijnoverdracht van de onderneming. Of dat tot gevolg heeft dat de onderneming niet aan belanghebbende is overgedragen, kan ik niet beoordelen nu ik geen jurist ben.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van vraag I : mocht de inspecteur de naheffingsaanslag met toepassing van omkering van de bewijslast opleggen?

4.1. De rechtbank overweegt dat belanghebbende, gelet op de in 2.5 geschetste feiten, niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel b van de AWR op haar rustende verplichting om boeken en bescheiden etc., waarvan de raadpleging voor de belastingheffing van belang kunnen zijn, aan de inspecteur beschikbaar te stellen.

4.2. Gelet op het in 4.1 overwogene, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de naheffingsaanslag, op grond van het bepaalde in artikel 25, zesde lid, onderdeel b van de AWR, terecht met omkering van de bewijslast heeft opgelegd. De eerste in geschil zijnde vraag wordt derhalve bevestigend beantwoord.

Ten aanzien van vraag II: is belanghebbende loonbelasting en premie volksverzekeringen verschuldigd ter zake van op de werf namens haar werkzame arbeidskrachten?

4.3. Nu de naheffingsaanslag terecht met omkering van de bewijslast is opgelegd, dient de rechtbank te beoordelen of sprake is geweest van een willekeurige schatting van het verschuldigde bedrag aan loonbelasting en premie volksverzekeringen door de inspecteur. Indien dit niet het geval is, dient de rechtbank, op grond van het bepaalde in artikel 27e, onderdeel b van de AWR, te beoordelen of is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.4. Uit de in 2.4 geschetste passages uit het rapport boekenonderzoek van 20 april 2004, komt sterk het beeld naar voren dat de inspecteur het vermoeden van de aanwezigheid van dienstverbanden tussen belanghebbende en de arbeidskrachten voor een belangrijk deel baseert op de feitelijke situatie bij de entiteiten die de werf vóór belanghebbende hebben geëxploiteerd. Dit beeld wordt bevestigd en versterkt door hetgeen de inspecteur in dit opzicht ter zitting heeft opgemerkt (zie hiervoor onderdeel 3.2).

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank kan de feitelijke situatie bij de vorige exploitanten van de werf niet leiden tot de conclusie dat er dienstverbanden aanwezig waren tussen belanghebbende en de arbeidskrachten. Uit de stukken blijkt onvoldoende dat er sprake was van dienstbetrekkingen tussen belanghebbende en Poolse dan wel Roemeense arbeidskrachten. Daaraan doet niet af dat belanghebbende, evenals de vorige exploitanten van de werf, gebruik maakte van de diensten van “[firma]” ter zake van de betalingen aan de arbeidskrachten. De naheffingsaanslag is dan ook niet gebaseerd op een redelijk vermoeden van aanwezigheid van dienstbetrekkingen op grond waarvan belanghebbende inhoudingsplichtige was, zodat deze naar willekeur is vastgesteld.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene dient de tweede in geschil zijnde vraag ontkennend te worden beantwoord en dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd. Nu belanghebbende met betrekking tot deze vraag in het gelijk wordt gesteld en het beroep derhalve gegrond is, behoeven de beide andere vragen geen beantwoording meer en dient te worden beslist als hierna vermeld.

5. Proceskosten

5.1. In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Awb de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5).

5.2. In het beroepschrift verzoekt belanghebbende tevens om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Uit de gedingstukken kan echter, in tegenstelling tot hetgeen dienaangaande in het beroepschrift wordt opgemerkt, niet worden afgeleid dat belanghebbende in de bezwaarfase reeds om vergoeding van deze kosten heeft verzocht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 966, en wijst de Staat (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

- gelast dat de Staat (Ministerie van Financiën) het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 276 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 4 september 2006 door mr. A.A. den Hartog, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. D. Hund, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.