Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AY9786

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
10-10-2006
Zaaknummer
408989 VV 06-90
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onterechte weigering tot betaling van beëindigingsvergoeding op een wijze als door de rechthebbende aangewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 111
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2006/271 met annotatie van mr. E. Knipschild
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Breda

zaak/rolnr.: 408989 VV EXPL 06-90

vonnis in kort geding d.d. 20 september 2006

inzake

[eiseres],

wonende te [adres]

eiseres,

gemachtigde: mr. D.B. Muller, advocaat te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRG Accountants B.V.,

statutair gevestigd te [adres]

gedaagde,

gemachtigde: mr. N.C.M. Koch, advocaat te Breda.

1. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de navolgende stukken:

- het exploot van dagvaarding van 28 augustus 2006, met producties;

- de op 13 september 2006 ter griffie ontvangen brief van de gemachtigde van gedaagde, met producties.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 september 2006. Ter zitting is verschenen namens eiseres, haar echtgenote, [X], bijgestaan door mr. Muller voornoemd, alsmede namens gedaagde, mr. Koch voornoemd. Ter zitting hebben beide gemachtigden hun pleitaantekeningen en heeft [X] een verklaring van [eiseres] overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

De inhoud van bovengenoemde stukken met de daarbij behorende bescheiden geldt als hier ingelast.

Partijen worden hierna ook aangeduid als respectievelijk “[eiseres]” en “BRG”.

2. Het geschil

2.1

[eiseres] vordert - kort gezegd - bij wijze van voorlopige voorziening, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

- BRG te gebieden om binnen 48 uur na het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen 48 uur nadat zij de door [eiseres] terug te storten som van € 17.280,= heeft ontvangen, een bedrag van € 36.000,= over te maken op de kwaliteitsrekening van Rassers Advocaten & Notarissen ten behoeve van [eiseres], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 750,= per dag;

Subsidiair:

- BRG te gebieden om binnen 48 uur na ontvangst van de door [eiseres] overgelegde goedkeurende verklaring van de belastinginspecteur en na terugstorting door [eiseres] van de ontvangen € 17.280,-- een bedrag van € 36.000,= over te maken op de door [eiseres] nog nader op te geven bankrekening van de eveneens nog nader te noemen besloten vennootschap, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 750,= per dag;

en:

- BRG te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.2

BRG voert gemotiveerd verweer . Zij concludeert tot afwijzing van de primaire en de subsidiaire vordering met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3. De beoordeling

3.1

Ten processe kan van het navolgende worden uitgegaan:

- [eiseres] is van 1 mei 2002 tot 15 juli 2006 in dienst geweest van (een rechtsvoorgangster van) BRG;

- zij heeft op 4 mei 2006 bij dit gerecht een verzoekschrift ingediend tot ontbinding van de tussen haar en BRG bestaande arbeidsovereenkomst

- van de haar bij beschikking van de kantonrechter te Breda van 5 juli 2006 (zaaknummer: 397873 AZ 06-504) geboden gelegenheid om haar verzoek in te trekken heeft zij geen gebruik gemaakt.

- voor die situatie luidt de beslissing van de kantonrechter letterlijk als volgt:

ontbindt de arbeidsovereenkomst wegens veranderingen in de omstandigheden

met ingang van 15 juli 2006 .

kent aan [eiseres] ten laste van BRG een vergoeding toe van € 36.000,= (zesendertigduizend euro) bruto;

veroordeelt BRG om deze vergoeding aan [eiseres] binnen 14 dagen na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te voldoen;

- daarenboven is BRG in de proceskosten veroordeeld.

- bij faxbericht van 14 juli 2006 heeft de gemachtigde van [eiseres] aan de gemachtigde van BRG medegedeeld dat zij de vergoeding wenst aan te wenden voor een stamrechtconstructie en dat de vergoeding dan ook niet rechtstreeks aan [eiseres] dient te worden betaald, maar aan de aan het kantoor van de gemachtigde verbonden Stichting Beheer Derdengelden, waarbij BRG zich dan gevrijwaard kan achten van haar verplichtingen jegens de fiscus;

- op 26 juli 2006 heeft de gemachtigde van BRG laten weten dat het bedrag van € 36.000,= niet op de derdenrekening van de gemachtigde van [eiseres] zal worden gestort, maar onder aftrek van de verplichte inhoudingen rechtstreeks aan [eiseres] zal worden overgemaakt;

- bij brief van 27 juli 2006 heeft de gemachtigde van [eiseres] de gemachtigde van BRG wederom verzocht om de vergoeding niet rechtstreeks aan [eiseres] over te maken, maar op voornoemde kwaliteitsrekening, waarbij wederom is medegedeeld dat het kantoor van de gemachtigde, de afdrachtplicht richting de fiscus van BRG overneemt en dat BRG daarvoor gevrijwaard is;

- BRG heeft op 27 juli 2006 de som van € 17.280,= , zijnde het netto-equivalent van de toegekende vergoeding van € 36.000,-- bruto, rechtstreeks op de bankrekening van [eiseres] overgemaakt;

- namens [eiseres] is op 1 augustus 2006 geprotesteerd tegen deze wijze van betaling en zijn rechtsmaatregelen jegens BRG aangekondigd indien de betaling niet zou worden teruggedraaid en niet alsnog (na terugstorting door haar van het bedrag van € 17.280,--) aan haar verzoek om overmaking van de som van € 36.000,-- op meergenoemde kwaliteitsrekening zou worden voldaan.

- dit laatste is niet gebeurd.

3.2

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat BRG ten onrechte geweigerd heeft de beëindigingsvergoeding op de door haar gewenste wijze uit te betalen, waar het heel gebruikelijk is dat deze bruto-vergoeding wordt aangewend voor een stamrecht, de beschikking van 5 juli 2006 deze vorm van uitbetaling toelaat en BRG bij een weigering geen enkel belang heeft. Volgens [eiseres] loopt BRG bij de storting van (het bruto-bedrag van) de vergoeding aan haar gemachtigde geen risico, nu haar gemachtigde BRG gevrijwaard heeft van naheffingen die door de fiscus aan BRG mochten worden opgelegd. De weigering is in strijd met de (post-) contractuele verplichting om zich als goed werkgever te gedragen, aldus [eiseres] en schaadt haar belangen.bij aanwending van de beëindigingsvergoeding ten behoeve van een stamrecht.

3.3

BRG stelt dat zij op grond van de beschikking van de kantonrechter te Breda van 5 juli 2006 de vergoeding rechtstreeks diende over te maken aan [eiseres], aan welke verplichting zij heeft voldaan. Volgens BRG heeft [eiseres] zelf verzuimd om destijds in de beschikking te laten opnemen dat de vergoeding op een door haar aan te geven wijze zou moeten worden uitbetaald en kan [eiseres] aan de toekenning van een vergoeding ten laste van BRG geen recht ontlenen op een stamrecht. Voorts stelt BRG dat zij bij een terugstorting van de vergoeding en het wederom uitbetalen van de bruto-vergoeding een groter risico loopt op een fiscale claim, zodat zij er belang bij heeft dat de vordering van [eiseres] wordt afgewezen. [eiseres] dient een beroep te doen op het Besluit van 27 november 2002, dat voor deze situaties is geschreven, aldus BRG.

3.4

De kantonrechter zal allereerst ingaan op de stelling van BRG dat [eiseres] aan de toekenning door de kantonrechter bij diens beschikking van 5 juli 2006 van de daarin genoemde beëindigingsvergoeding ten laste van BRG, geen recht kan ontlenen op een stamrecht.

BRG grijpt hier kennelijk terug op het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 18 juli 1995, waarvan zij een kopie als produktie 1 bij haar faxbericht van 13 september 2006 in het geding heeft gebracht.

3.5

In het bedoelde vonnis is overwogen dat de eiser in die zaak (de ex-werknemer), aan wie bij een beschikking ex artikel 7:685 van het burgerlijk wetboek (BW) een beëindigingsvergoeding was toegekend, aan die beschikking geen recht kan ontlenen op een door zijn ex-werkgever te vestigen stamrecht bij een verzekeringsmaatschappij.

In casu is geen sprake geweest en nog altijd geen sprake van een door de ex-werkgever te vestigen stamrecht.

Dat neemt niet weg dat juist is dat [eiseres] het recht op vestiging van een stamrecht niet aan de beschikking van 5 juli 2006 kan ontlenen.

Dit doet echter niet terzake.Uit niets blijkt dat [eiseres] het standpunt zou huldigen dat zij aan de beschikking van de kantonrechter van 5 juli 2006 en meer in het bijzonder aan de toekenning van de daarin genoemde beeindigingsvergoeding ten laste van BRG het recht op een stamrecht zou kunnen ontlenen. Zij heeft BRG niet verzocht om voor haar een stamrecht te vestigen. Zij heeft enkel verzocht de vergoeding op een zodanige wijze uit te betalen dat zij daardoor in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag te storten in een door haar zelf op te richten stamrecht-B.V.

3.6

Waar het werkelijk in deze zaak om gaat en waarover de kantonrechter een voorlopig oordeel moet geven, is de vraag of BRG het verzoek van [eiseres] om de haar ten laste van BRG toegekende beëindigingsvergoeding op de door haar aangegeven wijze uit te betalen naast zich neer mag en moet leggen omdat zij bij de beschikking van 5 juli 2006 is veroordeeld om die vergoeding binnen 14 dagen na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan [eiseres] te voldoen.

De kantonrechter overweegt hieromtrent als volgt:

3.7

Het onderhavige onderdeel van het dictum van de beschikking van de kantonrechter van 5 juli 2006 houdt geen aanwijzingen in omtrent de wijze van voldoening ( contante betaling; girale betaling ) van de beeindigingsvergoeding en de plaats waar deze moet worden betaald.

3.8

Dienaangaande is BRG gehouden aan de bepalingen van boek 6 titel 1 afdeling 11 van het burgerlijk wetboek (BW), die in de onderhavige situatie van analoge toepassing zijn.

3.9

Voornoemde afdeling heeft als uitgangspunt dat de schuldenaar (naar analogie: de veroordeelde ) zich dienaangaande dient te gedragen naar de - redelijke- aanwijzingen van de schuldeiser (naar analogie: de rechthebbende).

3.10

De in de beschikking van 5 juli 2006 gegeven veroordeling tot betaling van de beindigingsvergoeding richt zich enkel tot BRG en heeft als doel [eiseres] een executoriale titel te verschaffen om de betaling van de beëindigingsvergoeding zonodig af te kunnen dwingen. De strekking is niet en kan dat ook niet zijn, om haar als rechthebbende op de betaling van de beeindigingsvergoeding het recht te ontnemen om zich op de door haar aangegeven wijze - mits het een rechtsgeldige wijze van betalen is - te laten betalen.

3.11

Waar BRG haar standpunt baseert op de letterlijke bewoordingen van de veroordeling en meer in het bijzonder het gebruik van het woord "aan", miskent zij dit en kan zij niet in haar opvattingen over de betekenis van de bewoordingen van het aan de orde zijnde onderdeel van het dictum van de beschikking van 5 juli 2006 woren gevolgd.

3.12

Een redelijke uitleg van de veroordeling van BRG in de beschikking van de kantonrechter van 5 juli 2006, die in overeenstemming is met de strekking daarvan, brengt mee dat de betaling van de vergoeding – teneinde bevrijdend te zijn – niet noodzakelijkerwijs rechtstreeks aan [eiseres] dient te geschieden, maar dat voldoende is dat de betaling ten gunste van haar plaatsvindt.

3.13

Daaronder valt de betaling op de derdenrekening van de gemachtigde van [eiseres], aangezien op deze wijze het bedrag aan [eiseres] ten goede komt en zij – ook al staat het geld op de derderekening – daarover vrijelijk kan beschikken.

3.14

Het moet BRG redelijkerwijs duidelijk geweest zijn dat een overboeking van de vergoeding op de derdenrekening van de gemachtigde onder vermelding van “[eiseres]” geen schending van de bij de beschikking van 5 juli 2006 tegen haar gegeven veroordeling zou hebben opgeleverd en niet tot executiemaatregelen zou hebben geleid. Zij zou immers hebben gedaan wat [eiseres] als rechthebbende verlangde en mocht verlangen.

3.15

Een verzoek van een werknemer om hem het bruto bedrag van de hem toe te kennen beeindigingsvergoeding te betalen ten behoeve van een door hem te vestigen stamrecht, is niet ongebruikelijk. Wordt het in het kader van een ontbindingsprocedure gedaan dan is het vast gebruik om bij toekenning van een vergoeding in de beschikking op te nemen dat deze moet worden uitbetaald op een door de werknemer aan te geven wijze, mits fiscaal toelaatbaar.

3.16

Vanwege de hiervoor vermelde positie van een rechthebbende (naar analogie van de positie van de schuldeiser van een geldsom) kan niet (a contrario) gelden dat degene, die nalaat om de kantonrechter te vragen bedoeld verzoek in de ontbindingsbeschikking te honoreren, daardoor het recht heeft verspeeld om de veroordeelde een aanwijzing tot uitbetaling van het bruto-bedrag van de vergoeding te geven.

3.17

Het verzoek van [eiseres] om het bruto-bedrag van de vergoeding over te maken op de derdenrekening, c.q. kwaliteitsrekening van haar gemachtigde, teneinde de vergoeding later te kunnen aanwenden voor een stamrecht-constructie is in haar belang. Het is voorts tijdig - immers nog voor de ontbindingsdatum - geschied en aldus - indien fiscaal toelaatbaar - alleszins redelijk.

3.18

BRG, die geacht moet worden daarvoor de benodigde kennis in huis te hebben, heeft geen feiten en omstandigheden aangedragen, die tot de conclusie kunnen leiden dat de door [eiseres] aangewezen wijze van betalen niet fiscaal toelaatbaar zou zijn.

3.19

BRG heeft voorts op geen enkele wijze duidelijk laat staan aannemelijk weten te maken dat zij een gerechtvaardigd belang heeft bij de weigering om de vergoeding uit te betalen zoals door [eiseres] verzocht.

De gemachtigde van [eiseres] heeft BRG meerdere malen uitdrukkelijk gevrijwaard voor eventuele aanspraken van de belastingdienst, zodat er van moet worden uitgegaan dat BRG in fiscaal opzicht geen risico loopt.

Het - overigens eerst ter zitting - aangevoerde verweer dat BRG belang heeft bij afwijzing van de vordering aangezien sprake is van een verhoogd risico op een fiscale claim (indien zij na terugstorting van het netto equivalent van de vergoeding, het bruto bedrag nogmaals moet uitbetalen) leidt niet tot een ander oordeel. Door niet aanstonds uitvoering te geven aan het verzoek van [eiseres] om de vergoeding overeenkomstig haar aanwijzingen te voldoen heeft BRG dit verhoogde risico - zo dat al bestaat - over zichzelf afgeroepen.

3.20

Gezien het voorgaande is de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat in een eventuele bodemprocedure waarschijnlijk zal worden geoordeeld dat BRG gehouden is om (ook achteraf) mee te werken aan de door [eiseres] gewenste wijze van betaling van de aan haar toegekende vergoeding ad € 36.000,= bruto.

3.21

Dat er andere wegen zijn voor [eiseres] om alsnog tot een stamrechtconstructie te komen buiten medewerking van BRG (te weten: middels het beide partijen genoegzaam bekende Besluit van 27 november 2002) doet hieraan niet af, aangezien het aan [eiseres] is om te bepalen op welke wijze - mits fiscaal toelaatbaar - de beëindigingsvergoeding door BRG aan haar betaald moet worden en het aan BRG is, om hieraan gevolg te geven.

De primaire vordering van [eiseres] zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat het totaal bedrag van de eventueel te verbeuren dwangsommen naar redelijkheid zal worden gemaximeerd tot € 50.000,=.

3.22

BRG dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. De beslissing bij wege van voorlopige voorziening

De kantonrechter:

- veroordeelt BRG om binnen 48 uur na dit vonnis, althans binnen 48 uur nadat zij het door [eiseres] terug te storten bedrag ad € 17.280,= heeft ontvangen, een bedrag ad € 36.000,= ten behoeve van [eiseres] over te maken op de kwaliteitsrekening van Rassers Advocaten & Notarissen met nummer 44.06.28.512 o.v.v. “[eiseres]/BRG – 20060016 – beëindigingsvergoeding”, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 750,= per dag, voor iedere dag dat BRG met deze veroordeling in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000,=;

- veroordeelt BRG in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiseres] tot op heden gevallen en begroot op € 1.080,87, waarin begrepen een bedrag ad € 800,= aan salaris voor de gemachtigde van [eiseres];

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Koopman en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2006.