Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AY9781

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
06-10-2006
Datum publicatie
10-10-2006
Zaaknummer
411603 VV 06-97
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verbod om gehuurde steigers zelf te repareren door deze volledig te vervangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 612

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie: Breda

zaak/rolnr.: 411603 VV 06-97

vonnis d.d. 6 oktober 2006

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ NIEUWE JACHTHAVEN B.V., gevestigd te Drimmelen aan de Nieuwe Jachthaven 1,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg,

tegen:

de vereniging WATERSPORTVERENIGING BIESBOSCH, gevestigd te Drimmelen, aan de Nieuwe Jachthaven 55,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.D.M. Oude Grote Bevelsborg, advocaat te Breda.

1. Het verloop van het geding.

De procesgang blijkt allereerst uit:

- de dagvaarding in kort geding van 4 september 2006 met producties 1 tot en met 8.

- de akte van Watersportvereniging van 8 september 2006 houdende eis in reconventie met producties 15 tot en met 43.

- de op 13 september 2006 ontvangen aanvullende producties van de zijde van Jachthaven.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 september 2006. Bij die gelegenheid hebben de gemachtigden de partijstandpunten nader toegelicht en over een weer becommentarieerd. Elk heeft zijn pleitnotities overgelegd.

De inhoud van alle genoemde stukken geldt als hier ingelast.

2. De geschillen.

Jachthaven vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. Watersportvereniging te verbieden om over te gaan tot vervanging en/of wijziging van de gedaante en/of inrichting van de door haar van Jachthaven gehuurde steigers en/of andere faciliteiten, een en ander op straffe van verbeurte van een boete ten bedrage van € 50.000,-- per overtreding, althans ten bedrage als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren;

b. Watersportvereniging te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Jachthaven te betalen de huurpenningen over 2006 ten bedrage van € 222.730,12 althans ten bedrage van € 178.184,09 (80 %), althans ten bedrage als de kantonrechter in goede justitie vermeent te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

c. Watersportvereniging te veroordelen in de kosten van deze procedure en te bepalen dat zij de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij de proceskosten niet binnen 8 dagen na het te dezen te wijzen vonnis zal hebben betaald.

Watersportvereniging voert gemotiveerd verweer.

In reconventie vordert Watersportvereniging, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. haar (Watersportvereniging) te machtigen voor zoveel noodzakelijk op de voet van artikel 3:299 iuncto 7:206 lid 3 althans 7:215 van het burgerlijk wetboek (BW) de in het door haar van Jachthaven gehuurde water gelegen steigers te vervangen en de in het rapport van de Grontmij (produktie 33) aangegeven gebreken in en om het toiletgebouw te verhelpen/herstellen, op de wijze en tegen de bedragen als in de offerte van Walcon Marine (productie 42) is voorzien;

II. Jachthaven in dat kader te veroordelen aan Watersportvereniging te betalen, bij wijze van voorschot op de nader vast te stellen schadevergoeding de som van € 803.674,18 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf het moment waarop Watersportvereniging de kosten aan Walcon Marine heeft voldaan tot aan de dag waarop alles volledig door Jachthaven aan Watersportvereniging is voldaan;

III. te bepalen dat Jachthaven vanaf 3 november 2002 tot aan de dag dat de steigers zijn vervangen recht heeft op de overeengekomen huurprijs, onder aftrek van een jaarlijkse vermindering van € 92.647,95 althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

IV. te bepalen dat de door Watersportvereniging gemaakte kosten in de voorlopige deskundigen procedure ten laste van Jachthaven worden gebracht, welke kosten bedragen € 8.655,-- (€ 9.500,-- -/- € 845,--) aan deskundigenkosten en € 3.859,86 exclusief OB aan juridische bijstand;

V. Jachthaven te veroordelen aan Watersportvereniging te voldoen bij wijze van voorschot op de nader vast te stellen schadevergoeding terzake van de kosten van het deskundigenbericht € 8.655,-- en € 3.859,86 alsmede de over de periode van 3 november 2002 tot en met 31 december 2005 ten onrechte betaalde huur ad € 292.665,99 althans een zodanig bedrag als door de kantonrechter wordt vastgesteld, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over al deze bedragen vanaf 6 september 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

VI. Jachthaven te veroordelen in de proceskosten.

Jachthaven voert gemotiveerd verweer.

3. De beoordeling.

Ten processe kan van het navolgend worden uitgegaan:

a. Jachthaven heeft ingaande 1 mei 1998 voor een periode van 20 jaar, derhalve tot en met 30 april 2018, aan Watersportvereniging een perceel water met daarin aanwezig aanlegsteigers, gelegen in de Nieuwe Jachthaven te Drimmelen, kadastraal bekend gemeente Made en Drimmelen, sectie T, nummers 2039 en 2452 met een oppervlakte van ongeveer 1.90 00 hectare, alsmede een op de noord westzijde gelegen toiletgebouw, kadastraal bekend gemeente Made en Drimmelen, sectie T, nummer 891 met een oppervlakte van 0,41 hectare en aan het water belendende gronden, kadastraal bekend gemeente Made en Drimmelen sectie T, nummers 2039 en 2452 met een oppervlakte van ongeveer 0. 13. 62 hectare, verhuurd.

b. De huurakte houdt onder meer het navolgende in:

Artikel 2

1. De door de huurder te betalen huurprijs, is overeengekomen tot en met een en dertig december 2003 zoals is vermeld op de door partijen ondertekende staat welke aan deze minuut zal worden gehecht.

2. De huurprijs zal automatisch, en dus zonder dat daarvoor enige aanzegging nodig is, worden herzien aan de hand van de Consumentenprijsindexcijfers ( hierna te noemen CPI) (….)

6. De verhuurder staat er voor in dat geen kosten voortvloeiende uit nieuwe investeringen in het kader van de uitvoering van de Structuurvisie WRCD in rekening worden gebracht aan huurder.

Artikel 3

De betaling der huurprijs, vermeerderd met de daarover verschuldigde Omzetbelasting, dient jaarlijks in een bedrag voor een mei van het betreffende jaar te zijn geschied op een door de verhuurder aan huurder op te geven bank- of girorekening.

(….)

Artikel 7

Het is aan de huurder verboden de gedaante, het uiterlijk of de inrichting van het gehuurde te wijzigen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurder.

Artikel 10

Het onderhoud van het gehuurde met uitzondering van hetgeen hieromtrent in artikel 11 is bepaald, alsmede het op genoegzame diepte houden van de haven is voor rekening van de verhuurder.

Het onderhoud zal in goede overleg tussen de verhuurder en huurder plaatsvinden. De verhuurder is gehouden het onderhoud tijdig en adequaat uit te voeren.

De verhuurder is niet aansprakelijk voor schade ontstaan aan lijf of goederen van de leden van de huurder, tenzij deze schade een direct gevolg is van de staat van het gehuurde en voorzover de verhuurder daarvan zelf grove schuld treft of de verhuurder ernstig nalatig is gebleven.(….)

Artikel 11

De huurder is gehouden tot het (doen) verrichten van het onderhoud van het gehuurde toiletgebouw. Uitsluitend het zogenaamde "groot onderhoud" aan het gebouw zelf, zoals de vervanging van het dak, het schilderwerk e.d., komt voor rekening van de verhuurder, alle dagelijkse onderhoud komt voor rekening van de huurder.

c. De steigers, die Watersportvereniging huurt dateren van 1968. Het zijn houten steigers met kunststofdrijvers. Zij beslaan ca. 25 % van alle steigers in het havencomplex, waarin zij zijn gelegen. De overige steigers zijn verhuurd aan WSV De Amer en WSV Drimmelen.

d. Partijen hebben al jaren een meningsverschil over de vraag of Jachthaven voor de (door haar voorgenomen en voor wat WSV De Amer en WSV Drimmelen betreft inmiddels gerealiseerde) volledige vervanging van de houten steigers in het havencomplex, al dan niet een verhoogde huurprijs toekomt.

e. Bij dagvaarding van 28 juni 2006 is Jachthaven tegen de Watersportvereniging een bodemprocedure bij dit gerecht begonnen, waaraan het zaaknummer 405080 CV EXPL 06-5027 is toegekend en waarin - onder meer - dat geschilpunt aan de orde is.

f. Partijen zijn het verder al jaren niet eens over de onderhoudstoestand van de door Watersportvereniging gehuurde steigers en het door haar gehuurde toiletgebouw.

g. Watersportvereniging heeft bij verzoekschrift van 3 oktober 2005, aangevuld bij verzoekschrift van 3 november 2005 aan de kantonrechter te Breda verzocht om een voorlopig deskundigenbericht te bevelen terzake de staat van onderhoud van die steigers en van dat toiletgebouw.

h. Bij zijn beschikking van 27 februari 2006 (zaaknummer 371286/OV/05-2505) heeft de kantonrechter de daarin genoemde drie personen, die werkzaam zijn bij Grontmij als deskundige benoemd en de daarin geformuleerde vraagpunten ter beantwoording voorgelegd.

i. De deskundigen hebben op 9 juni 2006 het rapport uitgebracht, waarvan een kopie door Watersportvereniging als productie 33 is overgelegd.

j. Jachthaven is om haar moverende redenen niet bij het onderzoek, dat op 19, 20 en 21 april 2006 is gehouden, aanwezig geweest.

k. De bevindingen van de door de kantonrechter benoemde deskundigen hebben als leidraad gediend bij onderhoudswerkzaamheden, die Jachthaven na 9 juni 2006 heeft laten uitvoeren.

l. In opdracht van Jachthaven heeft haar vaste aannemingsbedrijf: Kraaijeveld's Aannemingsbedrijf te Barendrecht na de uitvoering van de bedoelde onderhoudswerkzaamheden aan de steigers een inspectie uitgevoerd.

m. Zij heeft bij brief van 21 augustus 2006, waarvan Jachthaven een kopie als productie 5 heeft overgelegd, haar bevindingen en zienswijzen aan Jachthaven gerapporteerd.

n. Watersportvereniging heeft de rekening van Jachthaven van 1 april 2006 terzake de huur over 2006 ad € 222.730,12 inclusief BTW, tot op heden onbetaald gelaten.

ad: het verbod, de machtiging en het voorschot op de kosten van de vervanging van de steigers.

Jachthaven stelt dat Watersportvereniging haar bij brief van 17 juli 2006 (productie 2 bij dagvaarding) heeft gesommeerd om de door haar van Jachthaven gehuurde steigers te vervangen, haar heeft verzocht om voor 20 augustus 2006 te bevestigen dat zij dit zal doen en heeft aangekondigd dat zij (Watersportvereniging) bij gebreke van een bevestiging zelf tot vervanging zou overgaan. Watersportvereniging heeft daarbij aangegeven dat zij niet van plan was om een rechterlijke machtiging te vragen, nu de vertraging die dat met zich meebrengt niet opweegt - zoals zij heeft geschreven - tegen het gevaar van het zich materialiseren van de aan de precaire staat van de steigers verbonden veiligheidsrisico's. Ondanks het feit dat Watersportvereniging thans in reconventie een machtiging vordert, is niet uit te sluiten dat zij bij afwijzing daarvan toch met de aangekondigde vervanging van de steigers gaat beginnen. Zij vordert bedoelde machtiging immers: voorzoveel noodzakelijk, hetgeen inhoudt dat zij primair van oordeel is deze niet nodig te hebben. Vervanging zonder machtiging is een vorm van eigen richting die het eigendomsrecht van Jachthaven aantast. Jachthaven heeft daarom - zo stelt zij en wordt door de kantonrechter onderschreven - een spoedeisend belang bij het door haar gevorderde verbod.

Uit de stellingen van Watersportvereniging blijkt genoegzaam dat zij de steigers zelf wil (laten) vervangen omdat Jachthaven - in haar ogen - toerekenbaar te kort schiet in het verhelpen van de gebreken aan/van die steigers en vervanging -in haar ogen - daarvoor de enige reële oplossing is.

Artikel 7:206 BW bepaalt dat de verhuurder verplicht is op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze niet van de verhuurder zijn te vergen. Is de verhuurder met het verhelpen in verzuim dan kan de huurder dit verhelpen zelf verrichten en de daarvoor gemaakte kosten, voorzover deze redelijk waren, op de verhuurder verhalen, desgewenst door deze in mindering op de huurprijs te brengen.

Volledige vervanging van de uit 1968 daterende steigers met de bedoeling om de gebreken daaraan op adequate wijze te verhelpen, gaat veel verder dan het enkele herstel van gebreken als in artikel 7:206 BW bedoeld en houdt zelfs in dat herstel als in dat artikel bedoeld kennelijk onmogelijk is.

Reeds daarom komt - naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter - aan Watersportvereniging niet het recht toe om (zonder machtiging ) tot volledige vervanging van de door haar gehuurde steigers over te gaan. Daar komt bij dat volledige vervanging hoge kosten met zich brengt en niet op voorhand waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat redelijkerwijze van Jachthaven is te vergen dat zij deze voor haar rekening neemt, zolang daar geen huurverhoging tegenover staat.

Het voorgaande houdt in dat er onvoldoende grond is voor het verlenen van een machtiging als bedoeld in artikel 3:299 BW .

Watersportvereniging wil de steigers vervangen op de wijze als in de offerte van Walcon Marine (productie 42) vermeld. Kort gezegd komt dit neer op de vervanging van houten steigers door betonnen steigers.

Naar het oordeel van de kantonrechter is dat niet zomaar een ingreep, die de gedaante of inrichting van de steigers, verandert maar een volledig "nieuwbouw" project, waarvan de kosten in de orde van grootte van € 800.000,-- zijn gelegen. Dat project is van dien aard dat er niet van kan worden uitgegaan dat het bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten ongedaan kan worden gemaakt.

Nu Jachthaven geen (schriftelijke) toestemming voor de verandering wil geven, mag Watersportvereniging hier niet toe overgaan zonder machtiging ex artikel 7:215 BW.

Lid 2 van dat artikel bepaalt dat de kantonrechter de vordering van een huurder (niet zijnde de huurder van woonruimte) om hem te machtigen tot het aanbrengen van de door hem gewenste verandering van de gedaante of inrichting van het gehuurde geheel of gedeeltelijk te veranderen, slechts toewijst indien de veranderingen noodzakelijk zijn voor een doelmatig gebruik van het gehuurde door de huurder of het woongenot verhogen en geen zwaarwichtige bezwaren aan de zijde van de verhuurder zich tegen het aanbrengen daarvan verzetten.

In casu is hier niet het doelmatig gebruik van de steigers door Watersportvereniging of een verhoging van het haar krachtens de overeenkomst toekomende huurgenot aan de orde maar - zoals uit het met de vervanging beoogde doel blijkt - het verkrijgen van het huurgenot dat Watersportvereniging op grond van de overeenkomst mag verwachten en dat zij stelt als gevolg van de precaire onderhoudstoestand van de steigers te missen.

Reeds om die reden is niet waarschijnlijk dat Watersportvereniging in een bodemprocedure de verlangde machtiging zal worden gegeven. Zulks is des te minder waarschijnlijk nu Jachthaven er een zwaarwichtig belang bij heeft dat het homogene beeld dat ca 75% van de steigers in het havencomplex als gevolg van de door Jachthaven voorgenomen en voor dat deel reeds gerealiseerde renovatie laat zien, niet wordt verstoord. Onweersproken is dat de door Watersportvereniging gewenste vervanging dat beeld wel zou verstoren.

Derhalve is ook voor het verlenen van een machtiging tot verandering van de steigers ex artikel 7:215 BW in deze procedure geen plaats.

Jachthaven heeft onvoldoende betwist dat zich in en om het toiletgebouw de gebreken voordoen, waarvan in het rapport van Grontmij (sub 5.3) melding wordt gemaakt. De door haar overgelegde rapportage van Kraaijeveld van 21 augustus 2006 (productie 5) houdt daaromtrent geen enkele kanttekening in.

Naar het oordeel van de kantonrechter is echter geen sprake van een situatie die een ogenblikkelijk verbod tot het verhelpen van die gebreken of een ogenblikkelijke machtiging om dat herstel te mogen uitvoeren, vordert.

Het voorgaande brengt mede dat het door Jachthaven gevorderde verbod voor wat de steigers betreft voor toewijzing gereed ligt; dat de vordering van Watersportvereniging om haar te machtigen tot vervanging van de steigers (de spoedeisendheid daarvan daargelaten) als onvoldoende gegrond moet worden afgewezen en dat beide partijen niet ontvankelijk zullen worden verklaard in haar vorderingen tot respectievelijk het verbieden van en het machtigen tot het verhelpen van de door Grontmij in haar rapport van 9 juni 2006 aangegeven gebreken in en om het toiletgebouw.

De als boete aangeduide dwangsom, die Jachthaven ter ondersteuning van het verbod tot vervanging van de steigers vordert is toewijsbaar. Voor maximering is geen grond.

De afwijzing van de door Watersportvereniging gevorderde machtiging brengt mede dat het door haar in dat kader gevorderde voorschot op het bedrag dat zij uiteindelijk - als de machtiging zou zijn verleend - voor de vervanging van de steigers aan door Jachthaven te vergoeden kosten zou maken (en aan Walcon Marine zou moeten betalen) eveneens moet worden afgewezen.

ad: de huur over 2006

Jachthaven stelt dat Watersportvereniging op toerekenbare wijze te kort schiet in de voor haar uit de wet en de huurovereenkomst voortvloeiende huurbetalingsverplichting, nu zij (Watersportvereniging) de huur over 2006 ad

€ 222.730,12 inclusief BTW, die Jachthaven haar bij factuur van 1 april 2006 (productie 7) in rekening heeft gebracht niet wil betalen. Door het missen van die inkomsten, komt Jachthaven - naar zij stelt - in liquiditeitsproblemen.

Het spoedeisend belang van haar vordering tot betaling door Watersportvereniging van voornoemde huurbedrag, waarin

– naar onweersproken is gesteld – geen verhoging wegens de nog altijd voorgenomen renovatie van de door Watersportvereniging gehuurde steigers is opgenomen, is daarmee gegeven.

Watersportvereniging stelt dat zij de huurbetaling heeft opgeschort en daartoe bevoegd is omdat Jachthaven in gebreke is met het verschaffen van het overeengekomen huurgenot. De steigers zijn ontoereikend. Er is sprake van een zeer krakkemikkig geheel. Om de haverklap gaan steigerplanken kapot, knappen palen af , breken steigers door rotte verbindingsbalken doormidden en lopen drijvers vol water. Reparaties zijn niet deugdelijk of niet kundig verricht en het blijven lapmiddelen omdat de steigers technisch “op” zijn Met name bij zwaar weer is sprake van gevaar.

Jachthaven betwist dat Watersport een opschortingsrecht toekomt. Gelet op de actuele staat van de steigers, zoals deze uit het rapport van Kraaijeveld van 21 augustus 2006, dat zij als productie 5 heeft overgelegd blijkt; het niet door Watersportvereniging benutte aanbod van Jachthaven om haar vervangende steigers ter beschikking te stellen en het tot op heden ongewijzigd voortgezet gebruik van de steigers door de leden van Watersportvereniging en passanten, is opschorting van huurpenningen niet gerechtvaardigd.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter komt aan het rapport van Grontmij van 9 juni 2006 omtrent de staat van onderhoud van de steigers meer waarde toe dan aan het rapport van Kraaijeveld van 21 augustus 2006 .

In de procedure, die tot de benoeming van de deskundigen heeft geleid heeft Jachthaven geen bezwaar tegen het inschakelen van Grontmij en tegen de aan de deskundigen voor te leggen vraagpunten gemaakt hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld. Weliswaar heeft zij het onderzoek niet bijgewoond maar die omstandigheid dient voor haar risico te komen, nu zij zich op een volle agenda beroept maar niet verklaart waarom zij op alle drie onderzoeksdagen telkens prioriteit aan andere bezigheden heeft gegeven.

In het licht van het voorgaande kan De Jachthaven kan dan ook niet - zoals zij ter zitting heeft gedaan - volstaan met de mededeling dat zij de onafhankelijkheid en deskundigheid van de onderzoekers van Grontmij, die bij beschikking van de kantonrechter van 27 februari 2006 (zaaknummer 371286/OV/05-2505) als deskundige zijn benoemd, in twijfel trekt. Het rapport van Kraaijeveld geeft daar ook geen reden toe al is het reeds omdat daaruit blijkt dat de rapportage van Grontmij aanleiding heeft gegeven tot het uitvoeren van de door Kraaijeveld opgesomde reparaties.

Nu voortdurend reparaties nodig blijken te zijn, in wezen sprake is van lapmiddelen en sprake is van gebreken die – ook volgens Kraaijeveld – een gevaarlijke situatie kunnen opleveren, verschaft Jachthaven aan Watersportvereniging niet het huurgenot van de steigers dat haar toekomt. Dat Watersport desondanks van de steigers gebruik maakt doet daar niet aan af en de omstandigheid dat Jachthaven vervangende steigers heeft aangeboden maakt - te meer nu dat onder voorwaarden is gebeurd, die Watersportvereniging niet behoefde te accepteren - niet anders.

Een en ander rechtvaardigt de opschorting door Watersportvereniging van de betaling van een evenredig deel van de huurpenningen over 2006.

Mede gelet op het feit dat het huurobject uit meer dan de steigers bestaat, stelt de kantonrechter dit deel op 20% van de totale huursom over 2006 van € 222.730,12 inclusief BTW.

Op grond van het voorgaande is het gerechtvaardigd om Watersportvereniging bij wege van voorlopige voorziening te veroordelen tot betaling van 80% van de overeengekomen huur over 2006, zijnde de door Jachthaven subsidiair gevorderde som van € 178.184,09 inclusief BTW. De wettelijke rente hierover is toewijsbaar vanaf 1 mei 2006, krachtens de huurovereenkomst de vervaldatum.

ad: de huurprijs vanaf 2 november 2002

Watersportvereniging vordert dienaangaande een verklaring voor recht. Daarvoor is in deze procedure geen plaats. Zij kan dan ook niet in haar vordering worden ontvangen.

ad: de kosten van de voorlopige deskundigenprocedure.

Ook hier vordert Watersportvereniging een declaratoire uitspraak en geldt dat daarvoor geen plaats is.

ad: het sub V in reconventie gevorderde voorschot.

De bij wege van voorschot gevorderde vergoeding van de kosten van de voorlopige deskundigenprocedure zal worden toegewezen.

Nu dit bericht kennelijk nodig was om Jachthaven er toe te brengen om de gebreken te herstellen, waarvan Kraaijeveld in haar rapportage van 21 augustus 2006 melding maakt, is voldoende waarschijnlijk dat die kosten in een bodemprocedure ten laste van Jachthaven zullen worden gebracht.

De rente die over dit bedrag wordt gevorderd is evenzeer toewijsbaar, nu aan de vereisten daarvoor is voldaan.

In haar vordering tot betaling door Jachthaven van een voorschot op de nader vast te stellen schadevergoeding terzake het bedrag aan huur dat Watersportvereniging volgens haar stellingen over de periode 3 november 2002 tot en met 31 december 2005 ten onrechte heeft betaald, kan Watersportvereniging niet worden ontvangen.

Niet valt in te zien welk spoedeisend belang zich thans opeens voordoet. Overigens zij opgemerkt dat zich bewijsproblemen voordoen, zodat de vordering zich ook om die reden niet leent voor een behandeling in kort geding.

ad: de proceskosten

De uitkomst van de procedures geeft aanleiding om Watersportvereniging in de in conventie gevallen kosten te veroordelen en om de in reconventie gevallen kosten te compenseren, aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. De (voorwaardelijk) gevorderde rente over de proceskosten is toewijsbaar als na te melden.

4. De beslissing in kort geding.

De kantonrechter:

In conventie:

- verbiedt Watersportvereniging om over te gaan tot vervanging en/of wijziging van de gedaante en/of inrichting van de door haar van Jachthaven gehuurde steigers een en ander op straffe van verbeurte van een boete ten bedrage van € 50.000,-- (vijftigduizend euro) per overtreding.

- verklaart Jachthaven niet ontvankelijk in haar vordering om Watersportvereniging te verbieden om over te gaan tot vervanging en/of wijziging van de gedaante en/of inrichting van het door haar van Jachthaven gehuurde toiletgebouw.

- veroordeelt Watersportvereniging om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Jachthaven te betalen een gedeelte van 80% van de huurpenningen over 2006 ten bedrage van in totaal € 222.730,12 inclusief BTW, derhalve de som van € 178.184,09 (honderdachtenzeventigduizend honderdvierentachtig euro en negen cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt Watersportvereniging in de kosten van deze procedure aan de zijde van Jachthaven gevallen en tot op heden begroot op € 663,32 waarvan € 400,= aan salaris voor de gemachtigde van Jachthaven, te vermeerderen met de wettelijke rente als Watersportvereniging de proceskosten niet binnen 8 dagen na de betekening van dit vonnis zal hebben betaald.

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

- wijst af hetgeen in conventie meer of anders is gevorderd.

in reconventie:

- ontzegt aan Watersportvereniging de gevorderde machtiging tot het vervangen van de steigers.

- verklaart Watersportvereniging niet ontvankelijk in haar vordering om haar te machtigen tot het verhelpen van de in het rapport van de Grontmij (produktie 33) aangegeven gebreken in en om het toiletgebouw.

- wijst af de vordering tot veroordeling van Jachthaven om aan Watersportvereniging bij wijze van voorschot op de nader vast te stellen schadevergoeding de som van

€ 803.674,18 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf het moment waarop Watersportvereniging de kosten aan Walcon Marine heeft voldaan tot aan de dag waarop alles volledig door Jachthaven aan Watersportvereniging is voldaan;

- verklaart Watersportvereniging niet ontvankelijk in haar vordering om te bepalen dat Jachthaven vanaf 3 november 2002 tot aan de dag dat de steigers zijn vervangen recht heeft op de overeengekomen huurprijs, onder aftrek van een jaarlijkse vermindering van € 92.647,95 althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

- verklaart Watersportvereniging niet ontvankelijk in haar vordering om te bepalen dat de door Watersportvereniging gemaakte kosten in de voorlopige deskundigen procedure ten laste van Jachthaven worden gebracht, welke kosten bedragen € 8.655,-- (€ 9.500,-- -/- € 845,--) aan deskundigenkosten en €3.859,86 exclusief OB aan juridische bijstand;

- veroordeelt Jachthaven om aan Watersportvereniging te voldoen bij wijze van voorschot op de nadere vast te stellen schadevergoeding terzake van de kosten van het deskundigenbericht € 8.655,-- en € 3.859,86 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over deze bedragen vanaf 6 september 2006 tot aan de dag der algehele voldoening.

- wijst af de vordering van Watersportvereniging om Jachthaven te veroordelen tot voldoening bij wijze van voorschot op de nadere vast te stellen schadevergoeding terzake de over de periode van 3 november 2002 tot en met 31 december 2005 ten onrechte betaalde huur ad € 292.665,99.

- compenseert de kosten van de procedure aldus dat ieder van partijen de eigen in reconventie gevallen kosten draagt.

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Koopman en uitgesproken op de openbare terecht-zitting van 6 oktober 2006.