Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AY9126

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
29-09-2006
Zaaknummer
06/1953 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het verlengde van de uitspraak van de CRvB van 14 juni 2006 (LJnummer: AO6487) geldt volgens de rechtbank Breda dat eiseres in haar hoedanigheid van overheidswerkgever eveneens als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt indien één van haar werknemers bezwaar maakt tegen de afwijzing van de aanvraag om een WW-uitkering. Uit artikel 7:2, eerste lid, van de Awb volgt dat verweerder eiseres als belanghebbende in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord alvorens op het bezwaar van betrokkene te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, team bestuursrecht

procedurenummer: 06 / 1953 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak van

Gemeente Baarle-Nassau, eiseres,

gemachtigde mr. [gemachtigde eiseres],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Groningen),

verweerder.

1. Het procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 februari 2006 (bestreden besluit), inzake het recht van [naam betrokkene] (betrokkene) op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 31 augustus 2006, waarbij aanwezig waren namens eiseres

mr. [gemachtigde eiseres] en namens verweerder mr. [gemachtigde verweerder]. Betrokkene is eveneens ter zitting verschenen.

2. De beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Betrokkene is op 10 februari 1994 in dienst getreden bij eiseres op grond van een arbeidsovereenkomst als invalskracht op oproepbasis. Betrokkene verrichtte werkzaamheden als invalkracht typekamer/receptie en volgens een vast schema als raadsnotuliste. Met ingang van 1 januari 1998 is de arbeidsovereenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als vaste oproepkracht. Het dienstverband is door eiseres op 8 juni 2005 verbroken met ingang van 1 juli 2005.

Wegens het beëindigen van haar dienstbetrekking heeft betrokkene een WW-uitkering aangevraagd.

Bij primair besluit van 29 augustus 2005 heeft verweerder de door betrokkene aangevraagde WW-uitkering afgewezen vanwege het feit dat zij niet voldaan zou hebben aan het vereiste van minimaal 5 verloren arbeidsuren.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van betrokkene gegrond verklaard in die zin dat bij primair besluit ten onrechte was nagelaten om rekening te houden met het zogenaamd “opeenvolgend arbeidsurenverlies”. Verweerder heeft het primaire besluit ingetrokken en aan betrokkene met ingang van 6 juli 2005 een WW-uitkering toegekend gebaseerd op een arbeidspatroon van gemiddeld 6 uur en 58 minuten per week.

Bij verweerschrift is verweerder nader op de grieven van eiseres ingegaan.

2.2 Eén van de door eiseres geformuleerde grieven luidt dat verweerder de belangen van eiseres heeft geschaad, nu zij niet in de gelegenheid is gesteld aan de bezwaarprocedure deel te nemen. Verweerder had voorafgaand aan het nemen van het besluit op bezwaar hoor/wederhoor dienen toe te passen, hetgeen niet is gebeurd. Verweerder heeft hierdoor gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het bestreden besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt. Indien verweerder eiseres naar haar zienswijze zou hebben gevraagd, dan had hij bij een juiste toepassing van de maatstaf van de artikelen 24 en 27 van de WW moeten besluiten de uitkering geheel of gedeeltelijk te weigeren.

2.3 Volgens artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord voordat het op het bezwaar beslist.

2.3 De rechtbank dient op grond van de aangevoerde grief de vraag te beantwoorden, of eiseres in bezwaar in de gelegenheid had moeten worden gesteld haar zienswijze te geven. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. In zijn uitspraak van 14 juni 2006 (LJN AY0163) heeft de Centrale Raad van Beroep het volgende overwogen:

“4.5. Op grond van de voorhanden zijnde informatie stelt de Raad vast dat de werkgever dient te worden aangemerkt als een overheidswerkgever. In zijn uitspraak van 3 maart 2004, LJN AO6487, USZ 2004, 159, JB 2004/188, heeft de Raad reeds als zijn oordeel te kennen gegeven dat uit artikel 97b, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW rechtstreeks voortvloeit dat de kosten van de aan een overheidswerknemer toegekende WW-uitkering op de desbetreffende overheidswerkgever worden verhaald. Er bestaat derhalve in het geval van toekenning van een WW-uitkering een direct verband tussen de toekenning van de WW-uitkering aan zo’n werknemer en het verhaal van de uit die toekenning voortvloeiende kosten op de overheidswerkgever. In deze uitspraak heeft de Raad daaraan de gevolgtrekking verbonden dat de overheidswerkgever moet worden geacht een voldoende actueel en concreet belang te hebben bij het besluit tot de toekenning van een WW-uitkering aan een werknemer, welke toekenning immers de financiële positie van die werkgever rechtstreeks beïnvloedt.

4.6. Mede gelet op het belang van een heldere en eenvoudig toe te passen invulling van het begrip belanghebbende in zaken als thans aan de orde, is de Raad van oordeel dat als een overheidswerkgever bezwaar maakt, dan wel beroep instelt tegen een besluit met betrekking tot de aanspraken van één van zijn werknemers op een uitkering ingevolge de WW, gelet op zijn hoedanigheid van overheidswerkgever, de aanwezigheid van een voldoende actueel, concreet en rechtstreeks belang bij dat besluit dient te worden verondersteld, zodat ook in dat geval de overheidswerkgever als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb dient te worden aangemerkt.”

Gelet op deze rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat eiseres in haar hoedanigheid van overheidswerkgever eveneens als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden aangemerkt indien één van haar werknemers bezwaar maakt tegen de afwijzing van de aanvraag om een WW-uitkering. Het bezwaar kan er immers – zoals hier – toe leiden dat aan de werknemer in afwijking van het primaire besluit alsnog een WW-uitkering wordt toegekend. Het belang van eiseres is gelegen in handhaving van het primaire besluit, zodat zij een voldoende actueel, concreet en rechtstreeks belang heeft. Uit artikel 7:2, eerste lid, van de Awb volgt dat verweerder eiseres als belanghebbende in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord alvorens op het bezwaar van betrokkene te beslissen. Dat is niet gebeurd. Reeds hierom dient het beroep gegrond te worden verklaard en moet het bestreden besluit worden vernietigd.

2.4 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiseres, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak.

gelast dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 281,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,- te betalen door het UWV.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, en in aanwezigheid van

mr. E.G.F. Vliegenberg, griffier, in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: