Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AY5715

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
07-08-2006
Zaaknummer
AWB 05/4158
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: grondwaterbelasting. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling dat de onttrekking van vervuild grondwater niet belast zou zijn. De naheffingsaanslagen worden toch verminderd dan wel vernietigd nu een deel van de onttrekkingen is vrijgesteld op grond van de saneringsvrijstelling. Daaraan doet niet af dat het hoofddoel van een deel van de onttrekkingen is gelegen in het productieproces van belanghebbende, nu ook deze onttrekkingen sanering van het grondwater tot gevolg hebben.

Wetsverwijzingen
Grondwaterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2006/1496
V-N 2007/7.2.4
FutD 2006-1512
JBO 2006/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4158

Uitspraakdatum: 19 juli 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het gedi[belanghebbende BV]ssen

[belanghebbende BV], gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 1], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende naheffingsaanslagen grondwaterbelasting opgelegd over de tijdvakken:

01 januari 1999 t/m 31 mei 2004, inclusief een boetebeschikking van € 21.329,

01 juni 2004 t/m 31 oktober 2004,

01 november 2004 t/m 30 november 2004,

01 december 2004 t/m 31 december 2004.

1.2. Met dagtekening 7 maart 2005 heeft belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen en de boete bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij vier afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 28 september 2005 de naheffingsaanslagen gehandhaafd. Ook de per afzonderlijke beschikking opgelegde boete is daarbij gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 2 november 2005, ontvangen bij de rechtbank op 3 november 2005, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 276. De inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.3. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur en behoren tot de stukken van het geding.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2006 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

1.5. Partijen hebben ter zitting pleitnota’s voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

1.6. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende (vóór 15 mei 2001 genaamd [BV 1]) is in 1983 opgericht na overname van de silicatenactiviteiten van [BV 2] door [BV 3]. In juli 1997 nam [BV 4] de aandelen [BV 1] over van [BV 3]. In 2001 verkocht [BV 4] haar chemiepoot, waarvan belanghebbende deel uitmaakte, aan [BV 5], gevestigd in [plaats 2], [land]. Bij die gelegenheid werd de naam van belanghebbende gewijzigd in [belanghebbende BV]. De overige activiteiten van [BV 2] werden ondergebracht in [BV 6]. Deze vennootschap heeft haar naam gewijzigd in [BV 7]. Zowel belanghebbende als [BV 7] oefenen hun bedrijfsactiviteiten uit op het voormalig bedrijfsterrein van [BV 2] op de locatie [adres] te [plaats 1].

2.2. Belanghebbende produceert chemische (half)producten welke verwerkt worden in diverse industrieën, zoals in de chemische industrie, papier- en kartonindustrie en de textielindustrie.

2.3. Als gevolg van het productieproces door de jaren heen is de bodem, ter grootte van circa 400 bij 400 meter, op de locatie [adres] te [plaats 1] ernstig verontreinigd. Gevolg hiervan is dat ook het grondwater daardoor verontreinigd is geworden met onder andere cadmium, zink, barium en arseen.

2.4. Al sedert 1974 wordt met twee putten (genaamd put A en put D) op de locatie [adres] te [plaats 1] ten behoeve van het productieproces grondwater onttrokken. In 1974 heeft [BV 2] een proefvergunning voor het onttrekken van 1.300.000 m³ grondwater verkregen.

2.5. Op 17 maart 1998 verleenden Gedeputeerde Staten van [provincie] (hierna: GS), op grond van artikel 14, eerste lid van de Grondwaterwet (hierna: Gww), belanghebbende een grondwateronttrekkingsvergunning die in mei 2003 is verlopen en waarbij door GS werd gedoogd dat de vergunningsvoorwaarden van toepassing bleven tot de in 2.10 aangehaalde op 17 februari 2004 afgegeven vergunning. Het besluit waarin de vergunning is neergelegd luidt, voor zover hier van belang:

"BESLUIT

Wij besluiten aan [BV 1] te [plaats 1], onder voorwaarden, vergunning te verlenen als bedoeld in artikel 14, lid 1 van de Grondwaterwet en de Grondwaterverordening [provincie]. De vergunning wordt verleend voor een periode van 5 jaar. Het eerste jaar mag er maximaal 50.000 m³ per maand en 600.000 m³ grondwater per jaar ontrokken worden. Voor de daarop volgende 4 jaar mag er maximaal 43.750 m³ per maand en 525.000 m³ grondwater per jaar worden onttrokken. De periode gaat in op de dag dat deze vergunning onherroepelijk is geworden. Het grondwater mag worden onttrokken met als doel het voorkomen van verspreiding van verontreinigd grondwater"

(...)

Gegevens over de grondwateronttrekking

(...)

Er mag enkel water onttrokken worden uit de bestaande pompput in het westen van het bedrijfsterrein (zogenaamde pompput A), of uit een nieuw te plaatsen pompput welke conform het voorschrift 3e is ingericht .

2.6. Op 8 juli 1998 meldden [BV 6], [BV 1] en de gemeente [plaats 1], op grond van artikel 28 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb), aan de provincie [provincie] het voornemen te hebben de bodem te saneren op de locatie voormalige stortterreinen [plaats 1] en bedrijfsterrein [adres] te [plaats 1].

2.7. Op 3 november 1998 beslisten GS op grond van de Wbb dat er met betrekking tot de locatie voormalige stortterreinen [plaats 1] en het bedrijfsterrein van belanghebbende sprake is van een geval van ernstige en urgente bodemverontreiniging.

2.8. Per brief van 10 april 2003 schreef de gemeente [plaats 1] aan belanghebbende, voorzover hier van belang:

"Op 31 maart 2003 ontvingen wij van U een verzoek om in het kader van Uw voornemen om de hoeveelheid op te pompen grondwater ten behoeve van Uw bedrijfsvoering te verhogen te onderbouwen met een noodzaak in het kader van het lopende saneringsproject "stortterrein [plaats 1]".

(...)

In het saneringsplan wordt als randvoorwaarde/uitgangspunt aangegeven dat als beheersmaatregel gebruik wordt gemaakt van de bestaande bedrijfsonttrekking ter beheersing van de verspreiding van de verontreinigingen via het grondwater.

(...)

De bestaande onttrekkingsputten die door [belanghebbende BV] gebruikt worden, werden door GS voldoende ervaren om het grondwater "binnen het gedefinieerde plangebied - het geval van bodemverontreiniging - te beheersen, zodanig dat er geen verdere verspreiding plaatsvindt". Tijdens het verdere verloop van het saneringstraject is gebleken dat de bestaande grondwateronttrekking door [belanghebbende BV] niet het totale plangebied omvat. Een deel van het voormalige gemeentestort blijkt buiten het intrekkingsgebied te vallen.

(...)

Resumerend zijn wij van oordeel dat een verruiming van het intrekkingsgebied voor het grondwater voortvloeit uit het goedgekeurde saneringsplan krachtens de Wet bodembescherming.".

2.9. Op 2 juni 2003 heeft belanghebbende verzocht om afgifte van een nieuwe grondwateronttrekkingsvergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid van de Gww en de Verordening Waterhuishouding [provincie] 1997. Bij de aanvraag is een rapport "Onttrekken en beheersen" van 23 mei 2003 gevoegd. Dit rapport is op verzoek van belanghebbende opgemaakt door deskundigen van [BV 8]

2.10. Op 17 februari 2004 verlenen GS, op grond van artikel 14, eerste lid van de Gww een tijdelijke grondwateronttrekkingsvergunning tot 1 juni 2006. De bewoordingen van de vergunning luiden, voorzover hier van belang:

"Onttrekking

In het bij de aanvraag overgelegd rapport "Onttrekken en beheersen, Onderbouwing vergunningaanvraag Grondwaterwet, mei 2003, [BV 8]" (verder: "[BV 8] Rapport 2003") worden een aantal oplossingen aangedragen voor het beheersen van de grondwaterverontreiniging op en rond het [belanghebbende BV] terrein, een en ander conform en ingevolge het saneringsbesluit van 3 november 1998. De aangedragen oplossingen beogen steeds te voorkomen dat verontreinigd grondwater als gevolg van grondwaterstroming wordt verplaatst tot buiten het bedrijfsterrein.

(...)

BESLUIT

Gelet op de Grondwaterwet, artikel 14, lid 1, de Verordening Waterhuishouding [provincie] 1997 en het Provinciaal Omgevingsplan 2001, besluiten wij:

Aan [belanghebbende BV], [adres] te [plaats 1], een tijdelijke vergunning te verlenen voor het onttrekken van water aan de bodem. De vergunning wordt verleend tot 1 juni 2006.

(...)

Het grondwater zal, conform en ingevolge het saneringsbesluit "98/4785OW" van ons college van 3 november 1998, worden onttrokken ten behoeve van het geohydrologisch beheersen van grondwaterverontreiniging op en rond het [belanghebbende BV] terrein. Er mag maximaal 80.000 m³ per maand en 775.000 m³ per jaar worden onttrokken.

(...)

Voorschriften

Aan deze vergunning verbinden wij de volgende voorschriften:

GEGEVENS OVER DE GRONDWATERONTTREKKING

1. Conform scenario 3B (zie het [BV 8] rapport 2003) dient een nieuwe pompput te worden ingericht".

2.11. Tijdens een door de inspecteur bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek, waarvan verslag wordt gedaan in een rapport van 18 oktober 2004, is geconstateerd dat er in de onderhavige jaren grondwater is onttrokken via de bestaande pompputten A en D tot de navolgende hoeveelheden kubieke meters per jaar:

Jaar Onttrokken uit pompput A Onttrokken uit pompput D Totaal onttrokken

1999 492.976 61.869 554.845

2000 453.150 89.925 543.075

2001 466.202 108.765 574.967

2002 546.514 66.526 613.040

2003 589.183 65.055 654.238

1 januari 2004

t/m 31 mei 2004 238.719 61.948 300.667

Totaal onttrokken 2.786.744 454.088 3.240.832

2.12. De inspecteur heeft op grond van deze constateringen naheffingsaanslagen grondwaterbelasting opgelegd, ervan uitgaande dat op jaarbasis, op basis van onder 2.5 genoemde vergunning van 17 maart 1998 tot en met 31 mei 2004 slechts uit pompput A maximaal 525.000 m³ grondwater onttrokken mag worden (het zogenaamde beheersdebiet).

De naheffingsaanslag (exclusief heffingsrente ad € 6.257 en boete ad € 21.329) voor het tijdvak 01 januari 1999 tot en met 31 mei 2004 is als volgt berekend (volumes in kubieke meters):

Jaar Onttrok-ken uit pompput A Beheers-debiet Verschil Onttrok-ken uit pompput D Te belasten onttrek-kingen Tarief in € per m³ Na te heffen belasting in €

1999 492.976 525.000 -32.024 61.869 61.869 0,0788 4.873,81

2000 453.150 525.000 -71.850 89.925 89.925 0,1195 10.748,35

2001 466.202 525.000 -58.798 108.765 108.765 0,1631 17.738,33

2002 546.514 525.000 21.514 66.526 88.040 0,1682 14.808,33

2003 589.183 525.000 64.183 65.055 129.238 0,1743 22.526,18

1-1-2004 t/m 31-5 2004 238.719 525.000 * 5/12 = 218.750 19.969 61.948 81.917 0,1785 14.622,18

Totaal 85.317,18

Door ondertekening van een brief van de inspecteur van 13 oktober 2004 ging belanghebbende akkoord met het verlengen van de naheffingstermijn ex artikel 20, derde lid van de AWR, voor het tijdvak 1999 tot 1 mei 2005.

Op bladzijde 11 van het onder 2.11 genoemde rapport is een vergrijpboete van 50% aangekondigd. Naar aanleiding van een bespreking op 24 november 2004 is de inspecteur tot het inzicht gekomen dat de boete verlaagd dient te worden tot een percentage van 25%. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking met 25% boete zijn op 24 februari 2005 opgelegd.

De naheffingsaanslagen (heffingsrente is niet verschuldigd) over de tijdvakken 1 juni 2004 tot en met 31 oktober 2004, 1 november 2004 tot en met 30 november 2004 en 1 december tot en met 31 december 2004, die allemaal ook op 24 februari 2005 zijn opgelegd, zijn als volgt berekend (volumes in kubieke meters):

Tijdvak Aangege-ven ontrokken Beheers-debiet Verschil Te belasten onttrekking Tarief in € Na te heffen belasting in €

1-6-2004 t/m 31-10-2004 316.614 525.000 * 5/12 = 218.750 98.064 98.064 0,1785 17.504

1-11-2004 t/m 30-11-2004 54.888 525.000 * 1/12 = 43.750 11.138 11.138 0,1785 1.988

1-12-2004 t/m 31-12-2004 61.414 525.000 * 1/12 = 43.750 17.664 17.664 0,1785 3.153

2.13. In een brief van 30 december 1997, in vervolg op een bezwaarschrift in verband met grondwaterbelasting over de periode november 1997 tot en met januari 1998, schrijft belanghebbende aan de inspecteur:

"Ik heb contact gehad met de Provincie [provincie] (...) en met advocatenbureau [kantoor] (destijds adviseur mbt grondwateronttrekking). In de bijgevoegde documenten wordt duidelijk omschreven, dat [BV 1] grondwater onttrekt tbv saneringsmaatregelen! (De gesprekken tussen [BV 1] en de Provincie [provincie] destijds (1995) hebben geleid tot de aanvraag voor een vergunning voor grondwateronttrekking. Deze vergunningsprocedure loopt op dit moment nog).".

Bij deze brief zijn bijlagen gevoegd, waaronder een document grondwaterbeheerssysteem afkomstig van [BV 8] van augustus 1996. In de samenvatting op bladzijde 2 van dit document wordt het volgende gemeld:

"Op grond van de uitgevoerde berekeningen wordt geconcludeerd dat het beheersende effect van de huidige grondwaterwinning ook in stand gehouden kan worden bij een gereduceerd debiet van 525.000 m³/jaar. Dit debiet zou volledig onttrokken moeten worden vanuit put A.".

2.14. Bij brief van 12 februari 1998 schrijft de inspecteur aan belanghebbende:

"Naar aanleiding van uw brief van 30 december 1997 deel ik u mee, dat u met ingang van heden bent verwijderd uit ons bestand van belastingplichtigen voor de belasting op grondwater. Dit houdt in dat met ingang van 1 maart 1998 aan u geen aangiftebiljet meer wordt uitgereikt.

In dit verband wil ik u nog wijzen op de tekst van artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994. Dit artikel bepaalt dat u gehouden bent, voor het tijdstip waarop de belasting moet worden betaald, bij mij een schriftelijk verzoek om uitreiking van een aangiftebiljet in te dienen als er (wederom) sprake is van belastingplicht als bedoeld in artikel 4 van de Wet belastingen op milieugrondslag".

3. Geschil

3.1. In geschil is primair het antwoord op de volgende vraag:

1. Is de onttrekking van vervuild zoet water geen onttrekking van grondwater in de zin van artikel 4 van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm)?

Bij ontkennende beantwoording van deze vraag is voorts in geschil het antwoord op de volgende vragen:

2. Zijn de grondwateronttrekkingen op grond van de saneringsvrijstelling in de zin van artikel 8, onderdeel f van de Wbm, vrijgesteld?

3. Heeft de inspecteur met zijn brief van 12 februari 1998 het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat belanghebbende voor de grondwaterbelasting niet belastingplichtig was?

Bij (gedeeltelijk) ontkennende beantwoording van vraag 2 en ontkennende beantwoording van vraag 3 is in de laatste plaats het antwoord op de volgende vraag in geschil:

4. Heeft de inspecteur ten onrechte een boete van 25% opgelegd?

Belanghebbende beantwoordt bovenstaande vragen bevestigend, de inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

In de grondwateronttrekkingsvergunning van 17 maart 1998 is abusievelijk pompput D niet vermeld. Ik stel en bij betwisting door de inspecteur wil ik dit middels een getuigenaanbod bewijzen dat de provincie de onttrekkingen uit pompput D gedoogde. Pompput A is de hoofdonttrekkingsput. Pompput D is nodig om de waterdruk in de leidingen ten behoeve van het productieproces constant op 3 bar te houden. Elke door mij onttrokken kubieke meter grondwater is in meer of mindere mate verontreinigd en draagt dus bij aan sanering van de verontreiniging van dat grondwater.

De inspecteur

Ik bestrijd dat de provincie ten tijde van de eerste grondwateronttrekkingsvergunnings-periode de onttrekking van grondwater uit pompput D heeft gedoogd. Het maakt voor de Wbm niet uit of het grondwater voor zowel het productieproces als de sanering van dat grondwater wordt onttrokken. Van belang is slechts of belanghebbende zich al dan niet houdt aan de grondwateronttrekkingsvergunningsvoorwaarden. Indien er zonder vergunning toch grondwater is onttrokken wordt op een andere wijze getoetst of er grondwaterbelasting verschuldigd is.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen, alsmede vernietiging van de boetebeschikking.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ten aanzien van de eerste in geschil zijnde vraag is door belanghebbende gesteld dat uit de parlementaire geschiedenis af te leiden zou zijn, dat slechts heffing van grondwaterbelasting aan de orde is indien er "schoon", zoet grondwater in de zin van artikel 3, onderdeel b en artikel 4 van de Wbm onttrokken wordt. Onttrekking van verontreinigd grondwater zou in die zienswijze niet tot heffing van grondwaterbelasting kunnen leiden. De rechtbank is van oordeel dat dit absolute onderscheid niet uit de parlementaire geschiedenis is af te leiden.

De Memorie van Toelichting kamerstukken II 1992/1993, 22 849, nr. 3, blz. 4 en 5 luidt voor zover te dezen van belang als volgt:

"Of water als schoon kan worden aangemerkt, hangt tot op zekere hoogte af van de doeleinden waarvoor men het wil gebruiken. In het algemeen kan echter worden gesteld dat water schoon is, als het zonder bezwaar zowel voor consumptie- als voor productiedoeleinden kan worden gebruikt. Bij productiedoeleinden gaat het om de aanwending van water als grondstof of als hulpmiddel bij het productieproces, waaronder ook het gebruik in de land- en tuinbouw.

(...)

Onttrekking van grondwater heeft daardoor globaal gesproken tot gevolg dat bestanddelen van hoge kwaliteit verloren gaan en worden vervangen door bestanddelen van mindere kwaliteit.

(...)

Schaarste bestaat feitelijk alleen ten aanzien van zoet grondwater en niet of in mindere mate ten aanzien van zout of brak water. Zout en brak water blijven daarom, zo is het voorstel, voor deze belasting buiten aanmerking."

Blijkbaar heeft de wetgever, zonder daar in de wet een onderscheid tussen te maken, toch niet bedoeld dat de onttrekking van niet schoon zoet water onbelast kan zijn. Wat schoon en niet schoon is, is blijkens de eerste aangehaalde volzin een relatief begrip. Van belang is waarvoor belanghebbende het grondwater onttrekt. Aangezien belanghebbende het overgrote deel van het vervuilde grondwater zonder reiniging in het productieproces gebruikt, is naar het oordeel van de rechtbank in casu sprake van onttrekking van “schoon” zoet water in de zin van de Wbm, zodat, gelijk de inspecteur heeft gesteld, de onderhavige grondwateronttrekkingen onder vigeur van artikel 4 van de Wbm in beginsel aan belastingheffing onderhevig zijn.

4.2. Ten aanzien van de tweede in geschil zijnde vraag is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de relatie tussen enerzijds de Grondwaterwet en anderzijds de grondwaterbelasting, de onttrekkingsdebieten genoemd in de in 2.5 en 2.10 vermelde vergunningen bepalend zijn voor de saneringsvrijstelling als bedoeld in artikel 8, letter f van de Wbm. Vaststaat namelijk dat de provincie de onttrekkingsvergunningen heeft verleend op basis van het onttrekken van grondwater ten behoeve van het saneren van het vervuilde grondwater in het desbetreffende gebied ter grootte van maximale onttrekkingsdebieten. Dat het grondwater tevens ten behoeve van het productieproces wordt onttrokken, doet aan de toepassing van de saneringsvrijstelling, zoals ook door de inspecteur beaamd, niet af. De relatie tussen enerzijds de eerderbedoelde onttrekkingsvergunningen en anderzijds de toepassing van de saneringsvrijstelling gaat naar het oordeel van de rechtbank echter niet zo ver dat het niet vermelden van pompput D in de in 2.5 bedoelde vergunning, alsmede het nog niet gerealiseerd zijn van de in 2.10 bedoelde nieuwe zuidelijke put, leidt tot de door de inspecteur daaraan verbonden gevolgen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de onttrekkingen uit put D wel kunnen meedelen in de saneringsvrijstelling in relatie tot de in 2.5 bedoelde onttrekkingsvergunning en dat het niet realiseren van de nieuwe zuidelijke put, zoals vermeld in de in 2.10 genoemde onttrekkingsvergunning, geen gevolgen heeft voor het toetsen van de saneringsvrijstelling aan die vergunning. Onvoldoende weersproken staat vast dat elke onttrekking van grondwater, ook al is het hoofddoel, zoals bij de onttrekkingen uit put D, het op druk houden van de leidingen ten behoeve van het productieproces, sanering van grondwater tot gevolg heeft. Aangezien het eerdervermelde tweeledige doel van grondwateronttrekkingen, ongeacht het verschil in zwaarte van de nagestreefde doelen, de toepassing van de saneringsvrijstelling niet kan verhinderen, is de rechtbank van oordeel dat het totaal van de onttrekkingen uit de putten A en D bepalend is voor de vraag in hoeverre de saneringsvrijstelling ter grootte van het in de vergunningen vermelde maximale onttrekkingsdebiet is overschreden. Het is om die reden dat de rechtbank voorbij zal gaan aan het door belanghebbende gedane getuigenaanbod.

4.3. Het in 4.2 overwogene brengt met zich mee dat vanaf 1 januari 1999 tot 17 februari 2004 de totale saneringsvrijstelling op grond van de in 2.5 vermelde vergunning 525.000 m³ per jaar bedraagt en dat vanaf 17 februari 2004 tot en met 31 december 2004 deze, op grond van de in 2.10 vermelde vergunning, 775.000 m³ per jaar bedraagt.

Dit brengt met zich mee dat de nageheven grondwaterbelasting dient te worden gecorrigeerd. De rechtbank berekent de na te heffen grondwaterbelasting als volgt (volumes in kubieke meters):

Jaar Onttrok-ken uit pompput A en D Beheers-debiet Verschil Tarief in € per m³ Verschul-digde belasting in € Nageheven belasting in € (exclusief rente en boete) In naheffingaanslag maximaal te betrekken in €

1999 554.845 525.000 29.845 0,0788 2.351,78 4.873,81 2.351,78

2000 543.075 525.000 18.075 0,1195 2.159,96 10.748,35 2.159,96

2001 574.967 525.000 49.967 0,1631 8.149,62 17.738,33 8.149,62

2002 613.040 525.000 88.040 0,1682 14.808,33 14.808,33 14.808,33

2003 654.238 525.000 129.238 0,1743 22.526,18 22.526,18 22.526,18

1-1-2004 t/m 16-02-2004 90.200 525.000 * 1,5/5 = 157.500 -67.300 0,1785 nihil 37.267,18

(geheel 2004) nihil

17-02-2004 t/m 31-12-2004 643.382 775.000 *

10,5/12 =

678.125 -34.743 0,1785 nihil nihil

Totaal 49.995 107.962,18 49.995

De rechtbank berekent de totale onttrekking in de periode 1 januari 2004 tot en met 16 februari 2004 als volgt: de onttrekkingen in de periode 1 januari 2004 tot en met 31 mei 2004, conform bladzijde 2 van het verweerschrift, bedragen 238.719 m³ (pompput A) en 61.948 m³ (pompput D), is 300.667 m³ in totaal in die periode. Tijdsevenredig bedraagt de onttrekking dan 1,5 maand gedeeld door 5 maanden maal 300.667 m³, zijnde 90.200 m³. De onttrekkingen in de periode 17 februari 2004 tot en met 31 december 2004 bedragen dan:

17-02-2004 tot en met 31-05-2004: 3,5 maand gedeeld door 5 maanden maal 300.667 m³ = 210.466 m³

01-06-2004 tot en met 31-10-2004: conform bladzijde 2 van het verweerschrift 316.614 m³

01-11-2004 tot en met 30-11-2004: conform bladzijde 2 van het verweerschrift 54.888 m³

01-12-2004 tot en met 31-12-2004: conform bladzijde 2 van het verweerschrift 61.414 m³

643.382 m³

4.4. Nu gelet op het voorgaande de naheffingsaanslag gedeeltelijk in stand dient te blijven, komt de rechtbank toe aan de derde in geschil zijnde vraag: heeft de inspecteur door zijn handelen bij belanghebbende een gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zonder voorbehoud er geen sprake was van belastingplicht, zodat om die reden de naheffingsaanslag vernietigd dient te worden? Belanghebbende stelt dat de in 2.14 genoemde brief van de inspecteur een toezegging zonder voorbehoud inhoudt waarop de inspecteur in casu niet kan terugkomen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de toezegging in eerdervermelde brief niet los gezien kan worden van de door belanghebbende, in 2.13 aangehaalde, brief met bijlagen. Deze samenhang houdt in dat de saneringsvrijstelling gekoppeld was aan de ook in de bijlage "document grondwaterbeheerssysteem" genoemde 525.000 m³ per jaar en de aanvraag van de in 2.5 bedoelde onttrekkingsvergunning. De tweede alinea van de brief van de inspecteur dient dan ook in het licht van die samenhang te worden gelezen. Belanghebbende kon naar het oordeel van de rechtbank na overschrijding van het maximale debiet van 525.000 m³ redelijkerwijs niet tot de slotsom komen dat de saneringsvrijstelling ook op het excedent van toepassing was. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet en dient de na te heffen grondwaterbelasting (exclusief heffingsrente en boete) verminderd te worden naar het in 4.3 berekende bedrag van € 49.995.

4.5. Het vierde en laatste geschilpunt betreft de boete van 25% van de over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 mei 2004 nageheven grondwaterbelasting. Zoals uit 4.4 blijkt, is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende op het moment dat de grondwateronttrekking van 525.000 m³ werd overschreden, gezien de daar genoemde samenhang van brieven, er niet zonder meer van uit mocht gaan dat de saneringsvrijstelling ook op het meerdere van toepassing was. Dat belanghebbende daar wel van uitging brengt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet mee dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat er te weinig grondwaterbelasting zou worden geheven of betaald. Weliswaar zag de toezegging van de inspecteur op een onttrekking van 525.000 m³ per jaar, echter de primaire stelling van belanghebbende, dat het onttrekken van vuil grondwater niet tot als een in artikel 4 van de Wbm bedoeld belastbaar feit zou hebben te gelden is naar het oordeel van de rechtbank als een pleitbaar standpunt te kenmerken. Het is om die reden dat de opgelegde boete vernietigd dient te worden.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 mei 2004 tot een naar een bedrag van € 49.995, nog te verhogen met de verschuldigde heffingsrente;

- vernietigt de naheffingsaanslagen over de tijdvakken 01 juni 2004 t/m 31 oktober 2004,

01 november 2004 t/m 30 november 2004 en 01 december 2004 t/m 31 december 2004;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 966, en wijst de Staat (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

- gelast dat de Staat (Ministerie van Financiën) het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 276 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juli 2006 door mr. A.J Kromhout, voorzitter, mr. A.A. den Hartog en mr. D. Hund, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH 's-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.