Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AY5706

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-06-2006
Datum publicatie
07-08-2006
Zaaknummer
AWB 05/3899
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2007:BA7866, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende laat zijn grand café schoonmaken door twee personen. Aan de hand van de feiten komt de rechtbank tot het oordeel dat zij werkzaam zijn op grond van de zogenoemde gelijkgesteldenregeling. Van een van de twee (fictieve) werknemers is de identiteit niet bekend en ontbreken de vereiste gegevens in de loonadministratie. Toepassing van het anoniementarief acht de rechtbank in casu terecht. De heffing van premie volksverzekeringen van de in België woonachtige werknemer is op grond van Vo.1408/71 aan Nederland toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/58.2.4
FutD 2006-1506
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3899

Uitspraakdatum: 20 juni 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende BV], gevestigd te [plaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de loonbelasting en premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2002 opgelegd van € 23.846, alsmede een vergrijpboete van € 5.961, zijnde 25% van de nageheven loonbelasting en premie volksverzekeringen.

1.2. De inspecteur heeft bij de uitspraken op bezwaar van 13 september 2005 de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een bedrag van € 13.464 aan enkelvoudige belasting, en de boetebeschikking vernietigd.

1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 18 oktober 2005, ontvangen bij de rechtbank op 19 oktober 2005, beroep ingesteld tegen voornoemde uitspraak op bezwaar van 13 september 2005.

1.4. De inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. De inspecteur heeft vóór de zitting een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb, zijnde een kopie van het rapport d.d. 15 maart 2004 naar aanleiding van een bij belanghebbende ingestelde controle, ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoort tot de stukken van het geding.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2006 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende, haar gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1.7. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.8. De inspecteur heeft ter zitting zonder bezwaar van de wederpartij stukken overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij, te weten een overzicht 'kosten schoonmakers' over 2002. De rechtbank rekent deze stukken tot de stukken van het geding.

1.9. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende exploiteert in de vorm van een besloten vennootschap een grand café-diner, waarbij het accent ligt op het verstrekken van maaltijden in de ruimste zin van het woord. Voorts wordt er zaalruimte ter beschikking gesteld voor zakenlunches, cursussen en vergaderingen.

2.2. Op 12 en 13 november 2003 is bij belanghebbende een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2002. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 15 maart 2004.

2.3. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de arbeidsverhouding van de schoonmakers [werknemer 1] en [werknemer 2] dient te worden aangemerkt als een (fictieve) dienstbetrekking.

2.4. [werknememer 1], woonachtig in [land], was van 1 januari 1998 tot 30 september 2001 in dienst bij belanghebbende als afwasser in de keuken. Van 1 september 1998 tot en met 28 februari 2002 verrichtte hij schoonmaakwerkzaamheden in het restaurant. De schoonmaakwerkzaamheden bestonden uit het poetsen van de toiletten, de ruiten en de vloeren. Zij vonden plaats buiten de openingsuren van het restaurant. [werknemer 1] ontving een bedrag van € 1.021 netto per maand voor verrichte schoonmaakwerkzaamheden. Dit bedrag werd maandelijks achteraf per kas aan hem uitbetaald, buiten de loonadministratie om en zonder omzetbelasting.

2.5. Vanaf medio maart 2002 worden de schoonmaakwerkzaamheden verricht door de heer [werknemer 2]. Ook hij verricht de schoonmaakwerkzaamheden buiten de openingsuren van het restaurant. [werknemer 2] laat zich bij de werkzaamheden soms bijstaan door zijn echtgenote en/of zijn kinderen. Hij heeft een sleutel van het restaurant.

2.6. Op bladzijde 8 van het controlerapport staat vermeld:

"Van persoon [werknemer 1] is de identiteit bekend. Hij woont in [land], is belastingplichting in [land] en premieplichtig in Nederland. Volgens onderstaande berekening is aan hem ter zake van het poetsen over de jaren 1999 tot en met 2002 een nettoloon van € 37.651,00 betaald.

Van persoon [werknemer 2] is de identiteit niet bekend. Van deze persoon is geen loonbelastingverklaring opgemaakt en is er geen kopie van zijn identiteitsbewijs aanwezig. Hierdoor moeten wij het tarief voor anonieme werknemers toepassen. In 2002 is aan hem is een nettoloon van € 4.573 betaald."

2.7. Naar aanleiding van voornoemde controle is aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

3. Geschil

3.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de volgende vragen:

1. Is sprake van een dienstbetrekking - in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) - van [werknemer 1] en [werknemer 2]?

2. Zo ja, is ten aanzien van [werknemer 2] terecht het anoniementarief toegepast?

3. Is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd voor zover de inkomsten reeds in de inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen zijn betrokken?

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend, waardoor aan de volgende vragen niet wordt toegekomen. De inspecteur beantwoordt de eerste en tweede vraag bevestigend en de derde vraag ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

- Belanghebbende heeft nooit aan [werknemer 1] gevraagd of hij zijn inkomsten in [land] heeft opgegeven.

- [werknemer 2] poetst het café alleen, zonder toezicht. Iedere ochtend wordt het café gepoetst. [werknemer 2] poetst ook dagelijks de toiletten. Om 10.00 uur gaat het café open. Het is een eetcafé. Het café wordt opgestart door het personeel. De ene eigenaar komt omstreeks 12.00 uur, de andere omstreeks 14.00 uur. Er zijn dan al klanten aanwezig. Als het café niet schoon is, meldt de bedrijfsleider dat. Soms maakt het eigen personeel tussentijds schoon, in geval van een ongelukje.

- Schoonmaakmateriaal is grotendeels in de zaak aanwezig. Belanghebbende heeft nooit klachten van klanten gehad over het schoonmaken.

- De situatie is niet gecreëerd naar aanleiding van BNB 1998/210. Waarom zouden de feiten en omstandigheden niet met het arrest in overeenstemming zijn?

- De keuken en de bar worden door het eigen personeel schoongehouden. Dat zijn de essentiële onderdelen van het café. Er is sprake van een overeenkomst van opdracht. Belanghebbende zal uiteraard kijken of de opdracht is uitgevoerd, maar dat is wezenlijk anders dan gezag uitoefenen.

- Er is sprake van een gezagverhouding bij een klein café wanneer het grove schoonmaakwerkzaamheden betreft. Voor wat betreft de maatschappelijke gelijkstelling moet worden vergeleken met dezelfde opdrachtgever en hetzelfde samenstel van feiten. Naar maatschappelijke maatstaven is er geen dienstbetrekking.

- Een onjuiste factuur speelt een marginale rol. Het betreft een loonbelastinggeschil, geen omzetbelastinggeschil. De factuur speelt geen rol bij de beantwoording van de vraag of er al dan niet sprake is van een dienstbetrekking. Belanghebbende kende [werknemer 2] als ondernemer die ook bij anderen werkzaamheden heeft verricht.

- Als [werknemer 1] ook in [land] werkt, verschuift ook de premieplicht naar [land].

Inspecteur

- [werknemer 2] heeft geen inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden aangegeven voor de heffing van inkomstenbelasting.

- Belanghebbende heeft ten aanzien van [werknemer 1] geen IB-47 ingezonden. Er is aan [werknemer 1] geen Verklaring arbeidsrelatie afgegeven. [werknemer 1] valt onder de grensarbeidersregeling. Zijn inkomsten zijn derhalve ter belastingheffing aan [land] toegewezen. Het is voor mij niet eenvoudig na te gaan in hoeverre [werknemer 1] zijn inkomsten aan de [buitenlandse] fiscus heeft opgegeven. Sinds 1996 heeft [werknemer 1] geen premies volksverzekeringen in Nederland opgegeven. In de naheffingsaanslag is alleen het premiedeel opgenomen. De premieheffing volksverzekeringen is aan Nederland toegewezen.

- De opgelegde boete is inmiddels teruggebracht tot nihil.

- Belanghebbende had zich naar aanleiding van de kwitanties moeten afvragen of hij wel met een ondernemer te maken had. De kwitanties voldoen niet aan artikel 35 van de Wet Omzetbelasting. Door belanghebbende is de voorbelasting uit het totaalbedrag berekend. Dat kan nooit.

- Mijn uitleg van BNB 1998/210 is niet gelijk aan die van belanghebbende. Het arrest geeft alleen aan dat schoonmaken niet als aanneming van werk is aan te merken.

- De onderneming van belanghebbende is meer een restaurant dan een eetcafé. De zaak moet brandschoon zijn. Daar zal belanghebbende controle op willen houden.

- [werknemer 1] is als afwasser in dienstbetrekking bij belanghebbende begonnen. Daarna gaat hij over tot het verrichten van schoonmaakwerkzaamheden en is ineens niet meer in dienstbetrekking. Dat is vreemd. De situatie is gecreëerd naar aanleiding van BNB 1998/210.

- Er is sprake van een gezagsverhouding omdat belanghebbende de bevoegdheid heeft om bindende aanwijzingen te geven omtrent de wijze van poetsen en wanneer er wordt gepoetst. Verder spreekt het gezag nergens uit.

- Het anoniementarief is van toepassing. Aanknopingspunt zijn de kwitanties. Belanghebbende had hieraan moeten twijfelen. Door belanghebbende is nagelaten zich ervan te vergewissen dat er sprake zou kunnen zijn van een dienstbetrekking. Hij had, hierop anticiperend, de identiteit van [werknemer 2] moeten vragen.

- [werknemer 2] is nergens bekend als ondernemer c.q. glazenwasser.

- Ik ben bereid na te vragen of [werknemer 1] in [land] inkomstenbelasting heeft betaald, maar ik weet absoluut niet wanneer ik op die vraag antwoord krijg.

- Ik ben zelf in de zaak van belanghebbende geweest. Het is meer een restaurant dan café. Er worden ook zalen verhuurd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is geweest van arbeid waarvoor door belanghebbende buiten de loonadministratie om betalingen zijn verricht.

4.2. Tussen partijen is evenmin in geschil dat zowel ten aanzien van [werknemer 1] als ten aanzien van [werknemer 2] de overeengekomen beloning doorgaans per week meer bedraagt dan tweevijfde van het minimumloon.

- Aard van de arbeidsverhouding

4.3. De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat [werknemer 1] en [werknemer 2] in privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet tot belanghebbende staan. De inspecteur stelt daartoe dat voldaan is aan de vereisten voor het bestaan van een dienstbetrekking, te weten een gezagsverhouding, de verplichting om gedurende zekere tijd persoonlijk arbeid te verrichten en een bepaalbare beloning. Subsidiair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat indien tussen belanghebbende en [werknemer 1] respectievelijk [werknemer 2] geen gezagsverhouding mocht bestaan, er sprake is van een fictieve dienstbetrekking in de zin van artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet en omdat wordt voldaan aan de vereisten van artikel 2c in samenhang met artikel 2e van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 Belanghebbende stelt daartegenover dat geen sprake is van een dienstbetrekking tussen haar en [werknemer 1] respectievelijk [werknemer 2]. Belanghebbende voert daartoe aan dat [werknemer 1] en [werknemer 2] op grond van een overeenkomst van opdracht diensten hebben verricht voor belanghebbende.

4.4. De rechtbank zal eerst het subsidiaire standpunt van de inspecteur bespreken, omdat zij van oordeel is dat dit standpunt juist is. Beoordeeld dient te worden of de arbeidsverhouding van [werknemer 1] en [werknemer 2] in maatschappelijk opzicht gelijk is te stellen met een dienstbetrekking. In het onderhavige geval is hiervoor, gelet op het bepaalde in artikel 4, aanhef en onderdeel e, van de Wet juncto artikel 2c van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 vereist dat [werknemer 1] en [werknemer 2]:

- persoonlijk arbeid verrichten anders dan in het kader van de uitoefening van een bedrijf of zelfstandig beroep;

- op doorgaans ten minste twee dagen per week;

- tegen een beloning die doorgaans per week meer dan tweevijfde van het minimumloon bedraagt;

- niet in privaatrechtelijke dienstbetrekking staan tot belanghebbende.

De rechtbank zal veronderstellenderwijs er van uitgaan dat aan de laatste voorwaarde is voldaan, zoals belanghebbende betoogt. Indien deze vooronderstelling van de rechtbank onjuist is, is de naheffingsaanslag immers in beginsel terecht opgelegd.

4.5. Ten aanzien van [werknemer 1] is niet in geschil dat hij de arbeid persoonlijk heeft verricht. Ten aanzien van [werknemer 2] heeft belanghebbende niet, althans onvoldoende, weersproken dat [werknemer 2] de arbeid persoonlijk heeft verricht, dan wel zich incidenteel met toestemming van de opdrachtgever heeft laten vervangen. Gelet hierop heeft [werknemer 2] naar het oordeel van de rechtbank de arbeid eveneens persoonlijk verricht.

4.6. De rechtbank acht voorts niet aannemelijk geworden dat [werknemer 2] de arbeid heeft verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat [werknemer 2] in de onderhavige periode een onderneming dreef.

4.7. Gelet op belanghebbendes verklaring ter zitting, welke verklaring door de inspecteur niet is weersproken, staat onweersproken vast dat zowel [werknemer 1] als [werknemer 2] op zeven dagen per week het café-restaurant van belanghebbende hebben schoongemaakt. Aan de voorwaarde dat op doorgaans ten minste twee dagen per week arbeid voor belanghebbende is verricht, is daarmee voldaan. Ingevolge hetgeen onder 4.2. is overwogen, is zowel ten aanzien van [werknemer 1] als [werknemer 2] tevens voldaan aan de voorwaarde dat de overeengekomen beloning doorgaans per week meer bedraagt dan tweevijfde van het minimumloon.

4.8. Belanghebbendes stelling dat de term ‘maatschappelijk gelijk kan worden gesteld’ in artikel 4, onderdeel e, van de Wet zo dient te worden uitgelegd dat de onderhavige arbeidsverhouding moet worden vergeleken met een situatie waarbij sprake is van een zelfde opdrachtgever en een zelfde samenstel van feiten, met als gevolg dat de arbeidsverhouding van [werknemer 2] en [werknemer 1] niet als fictieve dienstbetrekking kan worden aangemerkt, acht de rechtbank onbegrijpelijk. Aan genoemde term is, gelet op het bepaalde in de aanhef van artikel 4 van de Wet, reeds invulling gegeven bij Algemene Maatregel van Bestuur, meer specifiek in artikel 2c van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 waardoor geen plaats is voor enige andere uitleg van genoemde term. Gelet hierop berust belanghebbendes stelling op een onjuiste wetsinterpretatie.

4.9. Gelet op het onder 4.4 tot en met 4.8 overwogene, is de rechtbank van oordeel dat de subsidiaire stelling van verweerder juist is en kan de primaire stelling van verweerder onbesproken blijven.

- Toepassing anoniementarief

4.10. Met betrekking tot de toepassing van het anoniementarief over de aan [werknemer 2] uitbetaalde gelden oordeelt de rechtbank als volgt. Het staat vast dat in de administratie van belanghebbende niet de in artikel 26b van de Wet voorgeschreven gegevens waren opgenomen. Belanghebbende heeft evenmin weersproken dat de identiteit van [werknemer 2] bij hem niet bekend was. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank terecht het anoniementarief toegepast. Belanghebbendes stelling dat zij meende, te goeder trouw, met een ondernemer te hebben gecontracteerd doet aan het voorgaande niet af nu belanghebbende ter zake, mede gelet op het overwogene in 4.6, zelfs geen begin van bewijs ter zake heeft geleverd.

- Geen naheffing loonbelasting indien reeds inkomstenbelasting is betaald?

4.11. Belanghebbende voert aan dat naheffing van loonbelasting niet mogelijk is indien de inkomsten van [werknemer 2] en [werknemer 1] reeds in de inkomstenbelasting zijn betrokken. De inspecteur dient na te gaan in hoeverre over de vergoeding reeds inkomstenbelasting is betaald.

4.12. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat de bedragen die aan [werknemer 2] zijn uitbetaald, niet in de inkomstenbelastingheffing zijn betrokken. Ten aanzien van [werknemer 2] treft belanghebbendes grief daarom geen doel.

4.13. Ter zitting heeft de inspecteur onweersproken gesteld dat ten aanzien van [werknemer 1] alleen premies volksverzekeringen zijn geheven gelet op de op [werknemer 1] van toepassing zijnde zogenoemde grensarbeidersregeling. De heffing van inkomstenbelasting is toegewezen aan [land]. Ten aanzien van [werknemer 1] treft belanghebbendes grief daarom evenmin doel.

- Heffing van premies volksverzekering toegewezen aan [land]?

4.14. Ter zitting heeft de inspecteur gesteld, welke stelling door belanghebbende niet, althans onvoldoende, is weersproken, dat [werknemer 1] sinds 1996 nimmer in Nederland aangifte heeft gedaan voor de premieheffing volksverzekeringen. Belanghebbende stelt dat de heffing van premie volksverzekeringen aan [land] is toegewezen indien [werknemer 1] ook in [land] inkomsten zou hebben en dat de inspecteur dit in [land] dient na te gaan.

4.15. Voor wat betreft de premieheffing volksverzekeringen geldt ingevolge artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van Verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen, (hierna: de Verordening), onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17, in de relatie met [land] een werkstaatheffing, hetgeen betekent dat het heffingsrecht voor premies sociale zekerheid over de inkomsten die een inwoner geniet ter zake van zijn in Nederland uitgeoefende dienstbetrekking toekomt aan Nederland, als werkstaat. Voor de toepassing van de Verordening dient onder het begrip "werkzaamheden in loondienst"' de werkzaamheden te worden verstaan die als zodanig worden beschouwd voor de toepassing van de sociale-zekerheidswetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan deze werkzaamheden worden uitgeoefend (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg 30 januari 1997, C-340/94 (De Jaeck), onder andere gepubliceerd in BNB 1997/308).

4.16. Artikel 6, lid 1, aanhef, en letter b, van de Algemene Ouderdomswet en de met deze bepaling overeenkomende bepalingen in de andere volksverzekeringen, rekenen degene die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen, tot de kring der verzekerden. [werknemer 1] is geen ingezetene. Ingevolge het in 4.9 overwogene is hij ter zake van zijn voor belanghebbende in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting onderworpen. Gelet op hetgeen in 4.15 is overwogen, alsmede gelet op het bepaalde in artikel 15 van de Wet financiering volksverzekeringen, zijn de inkomsten die [werknemer 1] bij belanghebbende heeft verdiend, terecht in de onderhavige aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag begrepen.

4.17. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat [werknemer 1] naast de schoonmaakwerkzaamheden die [werknemer 1] in loondienst voor belanghebbende in Nederland verricht, in [land] werkzaamheden anders dan in loondienst verricht, hetgeen tot gevolg zou hebben dat de heffing van premie volksverzekeringen uitsluitend aan [land] zou zijn toegewezen, verwerpt de rechtbank deze stelling. Ook in dat geval is, gelet op het bepaalde in artikel 14quater van de Verordening, de premieheffing volksverzekeringen voor wat betreft de inkomsten die [werknemer 1] in loondienst bij belanghebbende heeft verdiend, aan Nederland toegewezen en derhalve terecht in de onderhavige aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag begrepen.

4.18. Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep van belanghebbende faalt. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 20 juni 2006 door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Balkom, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH 's-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.