Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AY5705

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
07-08-2006
Zaaknummer
AWB 05/4837
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete van 25% in verband met het niet betalen van een balansschuld omzetbelasting. Overschrijding van de redelijke termijn.

In verband met een fout in het boekhoudprogramma ontstaat er per ultimo 2001 een balansschuld omzetbelasting. Belanghebbende stelt dat dat door een controlerend ambtenaar, buiten de scope van het boekenonderzoek, ook is geconstateerd. Belanghebbende veronderstelt dat de inspecteur deze wetenschap zal omzetten in een naheffingsaanslag en onderneemt gedurende 1,5 jaar niets meer om de belastingschuld te voldoen. De inspecteur legt een boete op van 50%. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verklaring van belanghebbende, dat hij veronderstelde dat er een naheffingsaanslag zou volgen, geloofwaardig is, maar vindt wel dat hij niet 1,5 jaar had mogen wachten met het betalen van de verschuldigde omzetbelasting. De rechtbank verlaagt de boete naar een percentage van 25. In verband met overschrijding van de redelijke termijn met meer dan 2 jaar wordt de boete nog eens verminderd met 10%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2006/23.2
V-N 2007/14.1.1
FutD 2006-1503
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/4837

Uitspraakdatum: 14 juli 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 4 november 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de boetebeschikking met het beschikkingsnummer [aanslagnummer].

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2006.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde.

De inspecteur is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 15 mei 2006 aan de inspecteur van de belastingdienst op het adres [adres] te [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De inspecteur is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TPG Post is gebleken dat de brief op 16 mei 2006 aan de inspecteur op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vermindert de boete tot een van € 5.028;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 826,49, en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 138 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende drijft voor eigen rekening en risico een onderneming in de vorm van een autobedrijf en is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Bij een administratieve controle, die op of omstreeks 2 juli 2004 heeft plaatsgevonden, is geconstateerd dat in de jaarrekening voor het jaar 2001 een passiefpost ter zake van nog te betalen omzetbelasting was opgenomen ten bedrage van € 33.192. In deze balanspost was een bedrag van € 22.347 opgenomen dat zag op nog te betalen omzetbelasting over het kalenderjaar 2001.

2.2. Op 2 juli 2004 heeft de inspecteur aan belanghebbende een kennisgeving naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 gezonden. Daarnaast heeft de inspecteur in die brief belanghebbende kenbaar gemaakt dat hij voornemens is een vergrijpboete op te leggen met als motivering dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 niet (tijdig) is betaald. Deze brief is aan te merken als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67k van de AWR.

2.3. Per brief van 17 augustus 2004 heeft de inspecteur op grond van het bepaalde in artikel 67g van de AWR belanghebbende gemotiveerd medegedeeld dat hij hem, overeenkomstig de kennisgeving, een boete van 50% zal opleggen.

2.4. Met dagtekening 31 augustus 2004 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 opgelegd ten bedrage van € 22.347. Deze aanslag is in bezwaar niet bestreden en staat onherroepelijk vast. Eveneens met dagtekening 31 augustus 2004 is aan belanghebbende bij beschikking een vergrijpboete van 50% van de te laat voldane omzetbelasting, te weten € 11.173, opgelegd, wegens het opzettelijk niet betalen van de omzetbelasting.

2.5. Tussen partijen is in geschil of terecht een vergrijpboete aan belanghebbende is opgelegd.

2.6. De rechtbank stelt voorop dat de termijnen waarbinnen de verschuldigde omzetbelasting moet worden aangegeven en voldaan, vastliggen in de wet. Artikel 19 van de AWR bepaalt dat de omzetbelasting moet worden voldaan binnen één maand na het einde van het tijdvak waarover de aangifte moet worden gedaan. Artikel 25 van de Uitvoeringsregeling AWR bepaalt dat het tijdvak waarover omzetbelasting moet worden voldaan het kalenderkwartaal is, of indien de inspecteur zulks vordert, de kalendermaand.

2.7. Artikel 67f van de AWR bepaalt dat de inspecteur een vergrijpboete kan opleggen indien het aan de opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat niet dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. In paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB) is vastgelegd dat de boete bij grove schuld 25% en bij opzet 50% van de te laat betaalde belasting beloopt. Onder grove schuld wordt verstaan een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten. Onder opzet wordt ook verstaan voorwaardelijk opzet, dat is het willens en wetens aanvaarden van de reële kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat niet tijdig is betaald.

2.8. Tijdens de administratieve controle is gebleken dat belanghebbende de in het kalenderjaar 2001 verschuldigd geworden omzetbelasting niet, dan wel gedeeltelijk niet heeft betaald. Belanghebbende stelt dat dit komt doordat er een fout zat in zijn boekhoudprogramma, waardoor de margeregeling niet werd meegenomen. De rechtbank acht deze verklaring geloofwaardig. Dit neemt echter niet weg dat na constatering van de omzetbelastingschuld, naar eigen zeggen ter zitting, op 5 november 2002, belanghebbende desondanks de schuld niet heeft voldaan. Belanghebbende stelt dat hij ervan uitging dat de controlerend ambtenaar, [inspecteur], op de hoogte was en dat hij een naheffingsaanslag over 2001 zou opleggen. De inspecteur bestrijdt dat [inspecteur] kennis droeg van de omzetbelastingschuld en dat hij zou hebben aangegeven een naheffingsaanslag over 2001 te gaan opleggen. De rechtbank is van oordeel dat het in het midden kan blijven of [inspecteur] al dan niet op de hoogte was, en dat hij een naheffingsaanslag over 2001 zou hebben aangekondigd aangezien dit er niet aan af doet dat het aan belanghebbende is om na het uitblijven van die naheffingsaanslag actie te ondernemen teneinde de omzetbelasting alsnog te voldoen. De rechtbank zal daarom dan ook aan het voorwaardelijk bewijsaanbod van belanghebbende voorbij gaan.

2.9. De inspecteur heeft belanghebbende verweten dat het niet betalen van de omzetbelastingschuld door voorwaardelijk opzet is ingegeven. De rechtbank acht hem niet geslaagd in zijn bewijs daarvan. Gezien belanghebbendes geloofwaardige verklaring dat hij in de veronderstelling verkeerde, en daarbij het in het midden latend of deze veronderstelling is ingegeven door het gedrag van [inspecteur], dat de belastingdienst nog een naheffingsaanslag zou opleggen, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen dat belanghebbendes nalaten gericht was op het zich willens en wetens blootstellen aan de aanmerkelijke kans dat de omzetbelasting niet zou worden betaald.

2.10. De rechtbank is van oordeel dat het belanghebbende echter wel is aan te rekenen dat hij tot de datum van de administratieve controle reeds 1,5 jaar heeft laten verstrijken zonder enig initiatief om alsnog de verschuldigde omzetbelasting te betalen. Dit nalaten is te kwalificeren als aan opzet grenzende grove onachtzaamheid welke beboet dient te worden met 25%. Weliswaar heeft de inspecteur in zijn mededeling ex artikel 67g van de AWR slechts opzet gemotiveerd echter hij heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat er subsidiair, conform het subsidiaire standpunt van belanghebbende, sprake is van grove schuld. Belanghebbende is niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad nu hij zijn grieven tevens heeft gericht tegen een kwalificatie van het feitencomplex als grove schuld.

2.11. Indien de uitspraak met betrekking tot een opgelegde boete door de rechtbank niet binnen twee jaar na het zogenaamde "criminal-charge-moment" ex artikel 6 van het EVRM wordt gedaan is er, tenzij er sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden, sprake van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Deze overschrijding dient te leiden tot een vermindering van de boete afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat het "criminal-charge-moment" de in 2.2 bedoelde kennisgeving is, is er op datum van deze uitspraak meer dan 2 jaren verstreken zonder dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die die termijn zouden kunnen verlengen. De rechtbank ziet hier aanleiding in om de als grove schuld te kenmerken boete te verlagen met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in eerdervermeld artikel 6 van het EVRM.

2.12. Het in eerste instantie ontbreken van het hoorverslag kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot vemindering van de boete. Belanghebbende richt zijn grieven tevens op traagheid aan de zijde van de belastingdienst in de afwerking van het boekenonderzoek en het doen van de uitspraak op het bezwaar. De gevolgen van de door belanghebbende gestelde traagheid zijn verwerkt in het in 2.10 vervatte oordeel.

2.13. Gelet op al het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de boetebeschikking verminderd dient te worden tot een bedrag van € 5.028 (€ 22.347 * 25% * 90%) Het beroep is derhalve gegrond verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Voor de overige door belanghebbende genoemde proceskosten, te weten reis- en verletkosten wordt de inspecteur, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 182,49.

Deze uitspraak is gedaan op 14 juli 2006 door mr. A.J. Kromhout, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.H.W.N. Lammers, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH 's-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.