Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AY4049

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-07-2006
Datum publicatie
18-07-2006
Zaaknummer
02/800008-06 en 02/628883-05
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2007:BA2524, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van technisch onderzoek en de verklaring van met name een van de getuigen die hierbij naadloos aansluit is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] na kalm beraad met een riek in het lichaam heeft gestoken en daarbij op de koop heeft toegenomen dat het slachtoffer ten gevolge hiervan kwam te overlijden.

Bij de strafmaat heeft daarnaast enerzijds meegewogen dat de verdachte zich eerder schuldig heeft gemaakt aan dreiging met de dood jegens derden en zijn strafblad. Anderzijds heeft meegewogen de psychische gesteldheid van de verdachte (hij is volgens deskundigen licht verminderd toerekeningsvatbaar), het feit dat zijn vader naar aanleiding van de gebeurtenissen een hartstilstand heeft gekregen en verdachte niet bij zijn begrafenis aanwezig mocht zijn, het feit dat het slachtoffer die nacht de confrontatie niet uit de weg is gegaan en de jeugdige leeftijd van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 02/800008-06 en 02/628883-05

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de ter terechtzitting overeenkomstig artikel 285 van het wetboek van strafvordering gevoegde zaken onder voormelde parketnummers van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1981, [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda,

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.

2 De tenlastelegging.

Overeenkomstig artikel 314a wetboek van strafvordering is ter zitting de tenlastelegging onder parketnr. 800008-06 nader omschreven. Het komt er (kortweg) op neer dat verdachte wordt tenlastegelegd dat hij op 1 januari 2006 te Roosendaal samen met zijn broer [slachtoffer] heeft gedood door deze met een riek te steken. Mocht dit niet bewezen kunnen worden dan wordt verdachte verweten alstoen openlijk geweld tegen die [slachtoffer], diens dood ten gevolge hebbend, te hebben gepleegd.

De tenlastelegging onder parketnr. 628883-05 is overeenkomstig de dagvaarding. Daarin wordt verdachte verweten op

23 april 2005 [slachtoffer 2] te hebben bedreigd.

3 De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaardingen aan alle wettelijke eisen voldoen en dus geldig zijn. Voorts is de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Er zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

Tot slot zijn ter zitting geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Voor de leesbaarheid zal de rechtbank hierna bij verdachte en de medeverdachte, zijn broer, ook hun voornamen, respectievelijk [verdachte] en [medeverdachte], hanteren.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] buurman met voorbedachten rade heeft gedood en zich dus schuldig heeft gemaakt aan moord. Hij komt tot dit standpunt op grond van het navolgende:

Nadat [verdachte] in het gevecht een ijzeren pijp was verloren, is hij volgens zijn eigen verklaring teruggelopen naar de schuur om een nieuw wapen, te weten een riek, te halen en is daarmee weer de voortuin van de buren ingelopen.

Tussen het moment van zijn besluit om een nieuw wapen, de riek, te gaan halen en de uitvoering van zijn besluit om met die riek te steken ligt dusdanig veel tijd dat [verdachte] zich rekenschap had kunnen geven van de mogelijke gevolgen van zijn besluit.

Desondanks heeft hij zonder aarzeling buurman tweemaal met de riek gestoken, hetgeen volgens de officier van justitie met name blijkt uit de verklaringen [getuige], die de steekpartij van zeer nabij waarnam. Uit de sectie is gebleken dat de verwonding, aangeduid als C, de dood heeft veroorzaakt en deze verwonding moet, de verklaring van [getuige] volgend, zijn ontstaan toen [verdachte] met de riek [slachtoffer] de eerste keer stak. Een beroep op noodweer(exces) komt [verdachte] daarom niet toe, want die eerste, dodelijke, steek gaf [verdachte] onmiddellijk toen hij tegenover [slachtoffer] kwam te staan. Dit gebeurde toen de vechtpartij al op zijn einde liep en de meeste familieleden al naar binnen waren gegaan, zodat [verdachte] evenmin kan volhouden dat hij stak om zijn familie te beschermen.

Nu [medeverdachte] toen [verdachte] stak [slachtoffer] van achteren bij de armen vasthield, is de officier van justitie van mening dat [medeverdachte] [verdachte] in staat heeft gesteld [slachtoffer] te doden.

De officier van justitie komt tot bewijs van moord op grond van de technische onderzoeken, de bekennende verklaring van verdachte en de getuigenverklaring van [getuige], in samenhang met de verklaring van [getuige], inhoudende dat hij zag dat [medeverdachte] de buurman vasthield terwijl [verdachte] met de riek stak.

De onder parketnr. 628883-05 tenlastegelegde bedreiging acht de officier van justitie op grond van de aangifte van [slachtoffer 2] en de getuigenverklaring van [getuige] eveneens bewezen.

De officier van justitie vordert voor beide feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

5 Het standpunt van de verdediging.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het voor moord vereiste moment van kalm beraad en rustig overleg ontbreekt. Voorts dient [verdachte] van alle rechtsvervolging te worden ontslagen wegens noodweer c.q. noodweerexces. [slachtoffer] is immers overleden door de tweede maal dat [verdachte] met de riek stak, aldus de raadsman. [verdachte] was daarvoor al met een ijzeren pijp op zijn hoofd geslagen en [slachtoffer] stond nu voor hem en dreigde hem nogmaals op zijn hoofd te slaan. [verdachte] moest zich dus wel verdedigen en in ieder geval was er sprake van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de eerdere klap op zijn hoofd met een ijzeren pijp.

De raadsman is van mening dat niet bewezen kan worden verklaard dat [medeverdachte] betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer], omdat [medeverdachte] op het moment dat [verdachte] stak [slachtoffer] juist heeft weggeduwd. De raadsman acht de verklaringen die [getuige] hierover bij de politie heeft afgelegd ongeloofwaardig en baseert zich op de (uiteindelijke) verklaringen van [medeverdachte] en [verdachte], welke stroken met de door [getuige] en andere ooggetuigen afgelegde verklaringen en die naar het oordeel van de raadsman overeenkomen met de uitslagen van de technische onderzoeken.

De raadsman beroept zich meer subsidiair op medeschuld van [slachtoffer], hetgeen tot strafvermindering moet leiden.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de onder parketnr. 628883-05 tenlastegelegde bedreiging.

6 De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Er zijn in deze zaak vele verklaringen afgelegd. Alleen verdachte al is 12 maal door de politie gehoord en zijn broer [medeverdachte] 16 maal. Zowel de verklaringen van de verdachten als de verklaringen van de getuigen wisselen veelvuldig. Daardoor zijn meerdere lezingen mogelijk van hetgeen zich op Nieuwjaarsdag heeft afgespeeld op de [adres] te Roosendaal. De verklaringen zijn dermate tegenstrijdig, soms zelfs haaks op elkaar, dat de rechtbank aansluiting zoekt bij hetgeen in ieder geval is komen vast te staan en welke verklaringen daarop het meeste aansluiten.

[medeverdachte] woonde met zijn ouders en zijn 13-jarige neef [getuige] op een hofje in de [adres] te Roosendaal op nummer 53. Op nummer 51 woont de familie [slachtoffer].

Vlak voor en na de jaarwisseling werd vuurwerk afgestoken op het hofje van de [adres]. Wie ermee is begonnen kan in het midden blijven, maar vast staat dat [getuige] en de overbuurjongen van nummer 66 (knal)vuurwerk naar elkaar gooiden.

Kort na twaalf uur stak [getuige] het hofje over om de overburen op nr 66 gelukkig nieuwjaar te wensen. Zij werd geraakt door vuurwerk dat [getuige] naar haar gooide. De familie [slachtoffer] sprak de familie [verdachte] hierop aan, waarna een vechtpartij ontstond. Niet vastgesteld kan worden wie uiteindelijk is begonnen. Wel staat vast dat beide families zich bewapenden en dat ongeveer 10 mensen elkaar met stokken en ijzeren staven zodanig te lijf gingen dat een aantal serieuze (hoofd)wonden opliepen.

Aan de zijde van de familie [verdachte] was [verdachte], die na twaalven zijn familie kwam bezoeken, van het begin af aan bij het gevecht betrokken. Hij had eerst met de blote vuist gevochten en bewapende zich later met een ijzeren pijp. Tijdens het gevecht raakte [verdachte] zijn ijzeren pijp kwijt. Daarop rende hij terug naar de schuur van de familie [verdachte] en greep een riek. [verdachte] geeft toe met die riek zijn buurman [slachtoffer] in ieder geval twee maal te hebben gestoken. Een van die steken bleek de longslagader in het hartzakje te hebben geraakt, waardoor [slachtoffer] korte tijd later kwam te overlijden. In de consternatie na de massale vechtpartij kreeg de vader van [medeverdachte] en [verdachte] kort daarop een hartstilstand en kwam deze eveneens te overlijden.

De rechtbank overweegt het volgende over de omstandigheden waaronder [verdachte] heeft gestoken.

Wat vast is komen te staan blijkt met name uit de technische onderzoeken.

Allereerst het pathologisch onderzoek. Daaruit blijkt, in samenhang met de van de sectie gemaakte fotoserie, dat van de onder 6. omschreven letsels de met C aangeduide huidperforatie, linksvoor aan de borst, met een steekkanaal van circa 5 cm. tot de harttamponade heeft geleid waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden. De steek verliep van voor naar achter en schuin voetwaarts. Hieruit volgt dat de steek moet zijn aangebracht in een bovenhandse beweging en, mede gezien de overige verwondingen en het op het t-shirt van [slachtoffer] uitgevoerde textielonderzoek, met een riek. Daarnaast blijkt uit de sectiefoto’s dat [slachtoffer] ook ter hoogte van het middenrif is geraakt met de riek. Hierdoor zijn echter slechts oppervlakkige steekwonden ontstaan. Kijkende naar deze omschrijvingen van de steekwonden, dan is er slechts één getuigenverklaring die hierbij past en dat is de verklaring van [getuige], die op zeer korte afstand van haar vader stond. [getuige] heeft (zie pag. 456 e.v. van het einddossier) onder meer verklaard:

Ik zag dat mijn vader onze voortuin inliep. Ik liep ook onze voortuin in. Net voordat ik de tuin inliep, zag ik nog dat [verdachte] de voortuin van de familie [verdachte] inrende. Ik liep in de richting van onze voordeur, omdat ik mijn woning in wilde gaan. Mijn vader stond toen nog in het midden van onze voortuin.

Op dat moment zag ik dat [verdachte] onze tuin met versnelde pas in kwam lopen. Ik zag dat [verdachte] een riek in zijn handen had. Ik zag dat [verdachte] met de riek vervolgens 1 keer in het lichaam van mijn vader stak. Dit was ter hoogte van zijn linkerborst/nek. Hij deed dit in een lopende beweging en met kracht met een voorwaartse bovenhandse beweging.

Hij kwam niet echt aanrennen, maar hij liep in een snelle pas. Ik zag dat [verdachte] de riek aan de rechterzijde van zijn lichaam had. Ik zag dat [verdachte] zijn rechterhand op het handvat van de riek hield en met zijn linkerhand de steel vasthad. Ik zag dat de punten van de riek meer verticaal dan horizontaal aan de voorzijde in de linkerschouder/nek van mijn vader prikte. Ik zag dat mijn vader de riek uit zijn lichaam trok. Ik heb niet goed gezien of hij dit met 1 of met zijn beide handen deed. [verdachte] had de riek toen nog steeds vast. Ik zag dat [verdachte] met de riek weer een stekende beweging maakte in de richting van het middenrif van mijn vader. Ik zag wel dat mijn vader de riek met twee handen bij de steel vastpakte. Ik pakte de steel van de riek ook met 2 handen vast en trok de riek samen met mijn vader in een achterwaartse beweging.

Mijn vader en ik trokken de riek samen in de richting van onze woning. Ik merkte dat [verdachte] de riek niet losliet en maakte een schoppende beweging in de richting van [verdachte] zijn lichaam. Op dat moment liet [verdachte] de riek los en hadden mijn vader en ik de riek samen in onze handen.

De omschrijving door [getuige] van de eerste maal dat [verdachte] met de riek stak sluit naadloos aan bij de door de patholoog omschreven dodelijke verwonding die, mede gezien de sectiefoto's, onderdeel is van de steek met de riek die schuin loopt van de nek van [slachtoffer] tot in zijn linker borststreek.

De door [getuige] beschreven tweede steekbeweging van [verdachte] sluit aan bij de andere geconstateerde verwonding ter hoogte van het middenrif. Gelet hierop hecht de rechtbank veel waarde aan haar verklaring. Op grond daarvan concludeert de rechtbank dat [slachtoffer] is komen te overlijden door de in dit gevecht omschreven eerste steekbeweging.

[getuige] noemt hierbij [medeverdachte] geheel niet. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [getuige], dat [medeverdachte] buurman [slachtoffer] vasthad terwijl [verdachte] met de riek stak, niet geloofwaardig is. Als [medeverdachte] inderdaad [slachtoffer] had vastgehouden toen [verdachte] hem de dodelijke steek toebracht, dan had het voorts voor de hand gelegen dat [getuige], die vlakbij haar vader stond en getuige was van die steekpartij, [medeverdachte] had gezien en daarover had verklaard.

[verdachte] heeft [slachtoffer] dus alleen gedood. Dan dient te worden vastgesteld of hij dat met voorbedachte raad heeft gedaan. Het verweer dat de raadsman op dit punt heeft gevoerd is er op gebaseerd dat de tweede steek de dood van [slachtoffer] heeft veroorzaakt. De rechtbank heeft echter hiervoor al vastgesteld dat [slachtoffer] is overleden door de door [getuige] omschreven eerste steekbeweging.

Op het moment van de eerste steekbeweging was er geen sprake van een dreigende situatie. [slachtoffer] had zich immers al uit het gevecht teruggetrokken, keerde met [getuige] huiswaarts en bevond zich al weer in zijn voortuin. Ook het merendeel van de familie [verdachte] was al weer terug in hun woning.

[verdachte] is desondanks, nadat hij de ijzeren pijp was kwijtgeraakt, teruggelopen naar het schuurtje en heeft zich herbewapend met een (veel gevaarlijkere) riek. Hij is daarmee nagenoeg meteen naar [slachtoffer] gelopen en heeft zonder aarzelen gestoken. Van enige paniek, zoals de verdediging betoogt, blijkt niet uit de verklaring van [getuige], noch uit die van zijn broer [medeverdachte].

Het kan naar het oordeel van de rechtbank dus niet anders dan dat [verdachte] tussen het moment van teruglopen naar de schuur, het terugkeren met een dodelijk wapen, het lopen naar de voortuin van de buren en het steken van [slachtoffer] voldoende tijd had om te beseffen welke gevolgen dit zou kunnen hebben. [verdachte] heeft die gevolgen willens en wetens op de koop toe genomen en dus met voorbedachten rade gehandeld. Onder de gegeven omstandigheden sluit dat een beroep op noodweer(exces) uit.

Overigens kwam dat beroep op noodweer(exces), dat is gebaseerd op een doodslag uit zelfverdediging, althans hevige gemoedsbeweging, [verdachte] toch al niet toe, nu dit is gegrond op de op het moment van de tweede steekpartij aanwezige situatie.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] zich dus schuldig gemaakt aan moord.

De onder parketnr. 628883-05 tenlastegelegde bedreiging acht de rechtbank, gezien de verklaringen van [slachtoffer 2] en [getuige], eveneens bewezen.

6.1 De uitgewerkte bewijsmiddelen.

7 Hetgeen bewezen is.

Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

m.b.t. parketnr. 02/800008-06:

hij op of omstreeks 1 januari 2006 te Roosendaal tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade althans opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, meermalen, althans eenmaal met een riek in de borst en/of nek en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 januari 2006 te Roosendaal met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [adres], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en/of [betrokkene] en/of een of meer ander(en), welk geweld bestond uit het slaan met ijzeren voorwerpen en/of stokken en/of een of meer andere voorwerp(en) en/of steken met een riek en/of slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of die [betrokkene] en/of een of meer ander(en), waarbij hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal met een riek heeft gestoken in de nek en/of de borst en/of het lichaam van die [slachtoffer], en welk door hem gepleegd geweld de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

en m.b.t. parketnr. 02/628883-05:

hij op of omstreeks 23 april 2005 te Roosendaal [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (dreigend) de woorden toegevoegd : "Ik zal je neersteken" en/of "Als ik je vrouw en kindje buiten tegenkom dan maak ik ze koud" en/of "Ik maak jou kapot" en/of "Jouw kind pak ik ook nog wel" althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

m.b.t. parketnr. 02/800008-06: Moord.

en m.b.t. parketnr. 02/628883-05: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

9 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

10 De straffen en maatregelen.

10.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

10.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Verdachte heeft in de Nieuwjaarsnacht van 2006 de buurman van zijn ouders met een riek vermoord. Hij heeft geen enkel respect voor andermans leven getoond.

Moord wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven.

Het spreekt voor zich dat de door verdachte gepleegde moord een enorme schok teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden. Voor de nabestaanden moet het bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen.

Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt.

Daarnaast heeft verdachte op 23 april 2005 [slachtoffer 2] en diens gezin met de dood bedreigd. Natuurlijk is dit feit van een geheel andere orde, maar ook hieruit blijkt dat verdachte buitengewoon agressief kan reageren en voor gevoelens van onveiligheid zorgt.

Dat beeld komt ook naar voren uit het strafblad van verdachte. Hij is immers al vaker voor geweldsdelicten met justitie in aanraking geweest.

Omtrent verdachte is gerapporteerd door de psycholoog Ameling en de psychiater Boeykens. Beiden concluderen dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare.

Verdachte is in zekere zin al gestraft, omdat zijn vader mede door de escalaties een hartstilstand kreeg en kwam te overlijden, terwijl verdachte de begrafenis van zijn vader niet heeft mogen bijwonen.

Alhoewel het beroep van de verdediging op medeschuld van het slachtoffer natuurlijk niet opgaat bij moord, houdt de rechtbank er rekening mee dat de vechtpartij, welke de aanleiding tot de moord vormde, mede ontstond doordat [slachtoffer] de confrontatie met de familie [verdachte] niet uit de weg is gegaan.

Mede gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd acht de rechtbank een gevangenisstraf van 10 jaren passend en geboden.

Bij de bepaling van die straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het wetboek van strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte op 8 augustus 2005 is veroordeeld tot een werkstraf, leerstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf in verband met vernieling, belaging, mishandeling en straatroof, en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan de onder parketnr. 02/628883-05 genoemde bedreiging die vóór de hierboven genoemde datum is gepleegd.

11 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partijen.

De benadeelde partijen, echtgenote van [slachtoffer], en dochter hebben schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van

€ 3.000,-- ieder terzake van de door de rechtbank bewezen verklaarde moord op [slachtoffer].

Anders dan de officier van justitie gaat de rechtbank er van uit dat deze vorderingen zijn gebaseerd op shockschade.

De rechtbank neemt aan dat bij de echtgenote en dochter van [slachtoffer] een hevige emotionele schok teweeg is gebracht door het waarnemen van de steekpartij (dit geldt voor dochter) althans door de directe confrontatie met het ernstige gevolg van die steekpartij, te weten het overlijden van [slachtoffer] (dit geldt voor beiden). Voor het toekennen van een vergoeding voor shockschade is evenwel vereist dat hierdoor geestelijk letsel is ontstaan bij de echtgenote en dochter van [slachtoffer], en dat het bestaan van dit geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld. Dat laatste zal in het algemeen slechts het geval zijn indien er sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Nu de toelichting op de vorderingen van de echtgenote en dochter van [slachtoffer] op dit punt geen informatie bevat, zijn deze vorderingen onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal hen daarom niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

Verder heeft de benadeelde partij [slachtoffer 2] een schadevergoeding van € 320,- gevorderd ter zake van de door de rechtbank bewezen verklaarde bedreiging. Deze vordering is niet van zo eenvoudige aard dat die vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

12 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10(oud), 27, 57, 63, 285(oud) en 289(oud) van het wetboek van strafrecht.

13 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 8 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij bepaalt dat de benadeelde partijen [de vrouw] en [dochter] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

Zij bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

Zij veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten, begroot op nihil (BP.15)

Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, voorzitter, mr. Peters en mr. Hulskes, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Mertens en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 juli 2006, zijnde mrs. Janssen en Peters buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen..