Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AY4023

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
30-06-2006
Datum publicatie
17-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/1407
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende werkte in 1997 in Belgie. In 1999 verstrekte de Belgische fiscus aan de FIOD informatie waaruit bleek dat belanhebbende zijn vakantiegeld niet had aangegeven. De FIOD gaf dit in 2004 door aan de inspecteur die in 2005 navorderde. Rechtbank overweegt dat de FIOD de informatie ruimschoots voor 31-12-2005 (afloop 5-jaarstermijn voor navordering) aan de inspecteur had kunnen verstrekken. In dit geval is gebruikmaking van de verlengde 12-jaarstermijn in strijd met het verbod op detournement de pouvoir. De navorderingsaanslag wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Vp-bulletin 2006, 38
FutD 2006-1377 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/1407

Uitspraakdatum: 30 juni 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag [aanslagnummer 1] inkomstenbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 41.486 (€ 18.825), met een verhoging van - na kwijtschelding - 25% van de verschuldigde belasting of ƒ 73.

1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 maart 2005 de navorderingsaanslag en de boete gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij fax van 26 april 2005 beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de inspecteur. Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. De pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend en is in afschrift aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de inspecteur ter zitting, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende is gehuwd en woonachtig in Nederland. Hij was het gehele jaar 1997, en voorgaande jaren, in loondienst werkzaam bij [NV]. te [plaats] in [land]. Belanghebbende woont binnen de grensstreek in Nederland en werkt binnen de grensstreek in [land].

2.2. Belanghebbende is in [land] sociaal verzekerd op grond van artikel 13, tweede lid, letter a, van de Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschap van 14 juni 1971, nr. 1408/71. Belanghebbende heeft voor het jaar 1997 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 35.672 (€ 16.187). De aanslag is met dagtekening 26 maart 1998 conform de aangifte vastgesteld en aan belanghebbende is vrijstelling voor de premieheffing volksverzekeringen verleend.

2.3. In het kader van de internationale gegevensuitwisseling heeft de [buitenlandse] belastingdienst op 12 juli 1999 aan de FIOD gegevens verstrekt over door inwoners van Nederland in [land] genoten inkomsten. Onderdeel van deze informatie was het in 1997 door belanghebbende genoten loon en vakantiegeld. Uit deze informatie bleek dat belanghebbende had verzuimd om het vakantiegeld van ƒ 5.814 aan te geven. De FIOD heeft deze informatie in 2004 naar de inspecteur doorgeleid, waarna met dagtekening 28 januari 2005 de onderhavige navorderingsaanslag met verhoging is vastgesteld.

3. Geschil

3.1. In geschil is de vraag of de navorderingsaanslag tijdig is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting heeft de inspecteur het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Ik leid uit de laatste brief van belanghebbende af dat uitsluitend de verhoging nog in geschil is. Ik lees er ook in dat belanghebbende financieel in de problemen zit.

De primitieve aanslag is opgelegd op 26 maart 1998. De [buitenlandse] gegevens zijn op 12 juli 1999 aan de FIOD verstrekt en pas in 2004 aan de inspecteur doorgegeven. De informatie zou sneller moeten komen. Over dit onderwerp is nog geen rechtspraak, alleen een conclusie van [specialist]. Ik zou graag overleg met belanghebbende voeren. Het is jammer dat hij niet op de zitting is. Belanghebbende heeft de afgelopen twee jaar zijn aangifte niet ingediend. Het gaat om geringe bedragen. Belanghebbendes inkomen zit op bijstandsniveau.

1997 was het eerste jaar dat informatie werd uitgewisseld. De vertraging is bij de FIOD ontstaan doordat de [buitenlandse] gegevens omgezet moesten worden naar een bestand dat de inspecteur kon lezen.

De gemachtigde die vroeger de aangiften deed, is daar blijkbaar mee gestopt.

De verlengde termijn voor navordering is geen belemmering om in [land] te gaan werken. Als we niet meer zouden kunnen navorderen, zou belanghebbende een voordeel hebben gehad. In Nederland worden loon en vakantiegeld door dezelfde instantie uitbetaald en op de loonopgave vermeld. Het probleem van belanghebbende zou zich in Nederlandse verhoudingen niet voor kunnen doen. Ik weet niet hoe de uitbetaling van vakantiegeld in [land] in zijn werk gaat.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift gesteld dat de navorderingsaanslag is opgelegd buiten de termijn van vijf jaar en dat de verlenging van die termijn naar twaalf jaar in strijd is met Europees recht. Bij brief van 18 september 2005 heeft hij daar aan toegevoegd dat de twaalfjaarstermijn niet is bedoeld om niet oplettende inspecteurs de hand boven het hoofd te houden. In zijn brief van 11 april 2006 schrijft de zuster van belanghebbende onder meer: "(...) zijn wij het er natuurlijk mee eens, dat er als nog naheffingen hebben plaatsgevonden, maar we zijn het niet eens met de opgelegde boetes die vinden we niet terecht." Deze laatste brief is mede ondertekend door belanghebbende.

4.2. De inspecteur meent dat deze brief zo moet worden uitgelegd dat belanghebbende zijn grieven betreffende de navorderingstermijn heeft laten vallen. De rechtbank is van oordeel dat uit de brief van 11 april 2006 kan worden gelezen dat belanghebbende de navordering materieel gerechtvaardigd acht, maar dat daar niet ondubbelzinnig uit kan worden afgeleid dat hij zijn formele bezwaren betreffende de termijn waarbinnen navordering mogelijk is, heeft laten vallen.

4.3. Nu belanghebbende zijn formele bezwaren betreffende de navorderingstermijn tot twee maal toe aan de rechtbank heeft geuit en hij die stelling in de brief van 11 april 2006 niet ondubbelzinnig heeft ingetrokken, gaat de rechtbank er van uit dat hij deze stelling heeft willen handhaven.

4.4. Ingevolge artikel 16, derde lid, AWR, vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Ingevolge artikel 16, vierde lid, AWR, vervalt de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. In het onderhavige geval was navordering op grond van artikel 16, derde lid, AWR mogelijk tot uiterlijk 31 december 2002.

4.5. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 16, vierde lid, AWR (Kamerstukken II 1989/90, nr.21 423) blijkt dat de verlengde termijn van 12 jaar gerechtvaardigd werd geacht door de omstandigheid dat de fiscus in de praktijk pas na afloop van de vijfjaarstermijn op de hoogte komt van verzwegen buitenlandse inkomsten, of de omstandigheid dat met de praktische uitvoering van binnen die termijn vanuit het buitenland verkregen informatie vaak zoveel tijd is gemoeid dat een navorderingstermijn van vijf jaren niet lang genoeg is, alsmede dat ter wille van de rechtzekerheid een groot gewicht is toegekend aan een duidelijke begrenzing in de tijd van de bevoegdheid tot navorderen.

4.6. Blijkens de regeling inzake de wederzijdse bijstand op het gebied van de directe en de indirecte belastingen van 25 september 1997 (Staatscourant 1997, 232) zijn Nederland en [land] overeengekomen over te gaan tot automatische uitwisseling van inlichtingen over onder meer de salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen als bedoeld in artikel 15 en 19 van het belastingverdrag tussen beide landen. Blijkens onderdeel 8 van de regeling zullen deze inlichtingen met betrekking tot een bepaald kalenderjaar of tijdvak zo spoedig mogelijk na de beëindiging van dat jaar of tijdvak worden toegestuurd. Blijkens onderdeel 9 van de regeling geldt de automatische uitwisseling voor het eerst voor inkomsten van het kalenderjaar 1997.

4.7. Op grond van de onder 4.6 vermelde regeling zijn blijkbaar op 12 juli 1999 door de [buitenlandse] belastingdienst aan Nederland de inlichtingen over het door belanghebbende in 1997 genoten inkomen verstrekt.

4.8. De inspecteur heeft niet gesteld en de rechtbank acht ook niet aannemelijk dat de FIOD de ontvangen informatie niet ruimschoots vóór 31 december 2002 - de laatste dag waarbinnen navordering volgens de reguliere termijn van 5 jaar nog had kunnen plaatsvinden - had kunnen doorleiden naar de inspecteur. De enkele omstandigheid dat alle ontvangen informatie moest worden omgezet in een geautomatiseerd bestand acht de rechtbank onvoldoende rechtvaardiging voor een langere verwerkingstermijn, temeer nu de FIOD reeds in 1998 wist of moest weten dat op grond van de onder 4.6. vermelde regeling een grote hoeveelheid aan informatie uit [land] verwacht kon worden. De rechtbank is van oordeel dat de FIOD de informatie binnen zodanige termijn had moeten en had kunnen doorleiden naar de inspecteur dat deze nog ruimschoots vóór 31 december 2002 een navorderingsaanslag had kunnen opleggen.

4.9. Onder deze omstandigheden handelt de inspecteur, aan wie het handelen van de FIOD moet worden toegerekend, naar het oordeel van de rechtbank, mede gezien de onder 4.5 vermelde bedoeling van de wetgever, in strijd met het verbod van détournement de pouvoir van artikel 3:3 Awb, althans in strijd met het in artikel 3:4 Awb vastgelegde evenredigheidsbeginsel, door de bestreden navorderingstermijn op te leggen met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar.

4.10. Het onder 4.1 tot en met 4.9 overwogene leidt tot de conclusie dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. De vraag of de verlengde termijn van artikel 16, vierde lid, AWR in strijd is met Europees recht behoeft geen behandeling meer.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling nu niet aannemelijk is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

6. Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar alsmede de navorderingsaanslag; en

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2006 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH 's-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.