Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AY3907

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
05/4383
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Binnen het kader van de bestemmingsplanvoorschriften en de daarin opgenomen begripsdefinities, kan een maïsdoolhof worden aangemerkt als een vorm van extensief recreatief gebruik. Volgens het bestemmingsplan is dat op gronden met de bestemming "Agrarisch Gebied" toegestaan als medegebruik, naast agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening. In het voorliggende geval is zowel van agrarisch grondgebruik als van agrarische bedrijfsuitoefening sprake. Het antwoord op de vraag of het hierbij om een volwaardig agrarisch bedrijf gaat, kan in het midden blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05 / 4383 WRO

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in de zaak van

[eiser] e.a., wonende te [woonplaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats], verweerder.

1. Het procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 oktober 2005 (bestreden besluit), om het bezwaarschrift van [belanghebbende], dat was gericht tegen het besluit van verweerder van 13 augustus 2004, deels gegrond te verklaren, het besluit van 13 augustus 2004 te herroepen en de aanvraag van eisers van 7 december 2003 af te wijzen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 maart 2006, waarbij aanwezig waren [eiser] en [eiseres], bijgestaan door [adviseur]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder].

2. De beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij brief van 7 december 2003 hebben eisers verweerder verzocht om voor het gebruik van het perceel aan de [adres], kadastraal bekend als [adres], te [woonplaats] als maïsdoolhof, vrijstelling te verlenen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. In het verzoek is aangegeven dat het geschatte bezoekersaantal per seizoen tussen de 1000 en 1500 personen ligt, waarvan naar schatting 70% bestaat uit kinderen en hun begeleiders. Bezoekers komen hoofdzakelijk per fiets, vaak als onderdeel van een fietstocht. De maïsdoolhof is niet openbaar toegankelijk. Groepsbezoeken zijn veelal op afspraak.

Bij besluit van 13 augustus 2004 (primair besluit) heeft verweerder eisers op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend van het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor de aanleg en het gebruik van een maïsdoolhof.

Bij brief van 21 september 2004 heeft buurman [belanghebbende] bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Op 10 november 2005 is bezwaarmaker in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren mondeling toe te lichten.

Bij het bestreden besluit van 3 oktober 2005 heeft verweerder de bezwaren van [belanghebbende] deels gegrond verklaard, het besluit van 13 augustus 2004 herroepen en besloten om eisers geen vrijstelling te verlenen voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruik maken van een deel van het perceel als maïsdoolhof.

2.2 Eisers stellen zich - samengevat - op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat er geen sprake is van een agrarisch bedrijf. Naar het oordeel van eisers past de maïsdoolhof binnen de doelstelling van het bestemmingsplan. Bovendien vinden eisers dat de maïsdoolhof goed past binnen het gemeentelijke beleid en het provinciaal beleid. Verweerder had de gevraagde vrijstelling dan ook moeten verlenen, aldus eisers.

2.3 De rechtbank overweegt allereerst dat het antwoord op de vraag of het beoogde gebruik van de grond ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan danwel of daarvoor een vrijstelling noodzakelijk is, wordt bepaald door het bestemmingsplan zèlf. Slechts indien zou blijken dat het beoogde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan en er dus een vrijstelling nodig is, bestaat de mogelijkheid om andere beleidskaders dan het bestemmingsplan zèlf in de overwegingen te betrekken, namelijk bij het antwoord op de vraag of al dan niet vrijstelling moet worden verleend.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Buitengebied [woonplaats]”. Eisers hebben zich in hun beroepschrift op het standpunt gesteld dat aan de gronden waarop hun perceel zich bevindt, de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke waarden” is gegeven. Ter zitting is echter duidelijk geworden dat verweerder eisers abusievelijk een kopie van een bestemmingsplankaart ter beschikking heeft gesteld waarop door het kopiëren onjuistheden zijn ontstaan. Na gezamenlijke bestudering van de originele bestemmingsplankaart ter zitting is tussen partijen niet meer in geschil en stelt de rechtbank zelf ook vast dat op de gronden waarop het maïsperceel van eisers zich bevindt - in tegenstelling dan hetgeen blijkbaar in eerdere procedures is aangenomen - de bestemming “Agrarisch Gebied” rust. Dit uitgangspunt is door verweerder dan ook terecht aan het primaire en het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

In artikel 3, onder III, eerste lid, van de bestemmingsplanvoorschriften (planvoorschriften) is bepaald dat het verboden is de in het plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of in gebruik te geven voor een doel of op een wijze strijdig met de in dit plan gegeven bestemming.

In artikel 6, lid I, van de planvoorschriften is - voor zover hier relevant - bepaald dat de op de kaart als zodanig aangegeven gronden zijn bestemd voor:

- agrarisch grondgebruik en agrarisch bedrijfsuitoefening;

- extensief recreatief gebruik.

2.4 Verweerder oordeelt de aanleg van een maïsdoolhof in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank begrijpt dit uit het feit dat er een vrijstelling noodzakelijk wordt geoordeeld. Noch in het primaire, noch in het bestreden besluit zijn hieraan evenwel expliciete overwegingen gewijd.

In het beroepschrift en ter zitting hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat gebruik van de gronden als maïsdoolhof onder extensief recreatief gebruik valt. In het beroepschrift is aangegeven dat een maïsdoolhof past binnen de doelstellingen van het bestemmingsplan. De rechtbank begrijp hieruit dat één van de standpunten van eisers is, dat de maïsdoolhof in overeenstemming is met het bestemmingsplan en derhalve geen vrijstelling nodig is.

Het standpunt van eisers dat het hier om extensieve recreatie gaat, is door verweerder ter zitting weersproken. Verweerder acht het niet extensief nu het om 1.000 tot 1.500 personen per jaar gaat die van de maïsdoolhof gebruik maken en bovendien heeft het gebruik een commercieel karakter. Dergelijk gebruik heeft de planwetgever niet als ‘extensief’ willen kwalificeren, aldus verweerder.

De rechtbank stelt vast dat in de planvoorschriften een definitie van de term ‘extensief recreatief gebruik’ is opgenomen. In artikel 1, aanhef en onder e1, van de planvoorschriften is bepaald dat onder extensief recreatief gebruik moet worden verstaan:

“gebruik van daartoe bestemde gronden voor recreatief medegebruik, niet zijnde verblijfsrecreatie, zoals onder andere wandelen en fietsen.”

Uit deze definitie blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de planwetgever het extensieve karakter van het recreatieve gebruik heeft willen waarborgen door verblijfsrecreatie volledig uit te sluiten en voor de overige vormen van recreatie de eis van medegebruik te stellen. Van andere eisen, zoals het door verweerder ter zitting geopperde niet commercieel zijn, is de rechtbank uit de planvoorschriften en de toelichting daarop niet gebleken. Mede in het licht van artikel 6, lid I, van de planvoorschriften betekent het vorenstaande dat er sprake is van extensief recreatief gebruik in de zin van de in artikel 1 van de planvoorschriften opgenomen definitie, indien geen sprake is van verblijfsrecreatie en het recreatieve gebruik plaatsvindt naast agrarisch gebruik van de gronden dan wel naast een agrarische bedrijfsuitoefening.

Eisers hebben ter zitting toegelicht dat er aan het begin van het seizoen vier tot vijf hectare maïs wordt ingezaaid. Met een kleine onderbreking doet men dit al gedurende een reeks van jaren. Daarbij wordt een maïssoort gebruikt die doorgaans wat hoger wordt dan andere maïssoorten. Omstreeks half juli is de maïs hoog genoeg. In het maïsveld worden daarna in een bepaald patroon gangen aangebracht waar de bezoekers vervolgens doorheen kunnen lopen. Door het aanbrengen van de gangen gaat, zo staat in het beroepschrift, 5% van de maïs verloren. Dit betekent dat 95% van het maïsveld behouden blijft. Aan het einde van het seizoen, in oktober, wordt de maïs in opdracht van eisers door een loonwerkbedrijf geoogst en vervolgens verkocht aan een fabriek die het tot veevoeder verwerkt. Verweerder heeft deze toelichting van eisers niet betwist.

Gelet op de omvang van het maïsperceel en het feit dat dit aan het einde van het seizoen - zoals in de agrarische sector gebruikelijk is - wordt geoogst en als veevoeder wordt gebruikt, is de rechtbank van oordeel dat eisers de gronden van het onderhavige perceel agrarisch gebruiken en dat zij dit bovendien doen binnen een agrarische bedrijfsuitoefening. Het antwoord op de vraag of eisers bedrijf al dan niet als een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt, acht de rechtbank daarbij niet van belang, nu in artikel 1 van de planvoorschriften zowel het begrip “agrarisch bedrijf” als het begrip ”volwaardig agrarisch bedrijf” worden gedefinieerd en de planvoorschriften expliciet aangeven binnen wèlke context sprake dient te zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf. De hier toepasselijke planvoorschriften stellen deze eis niet. Eisers hebben hier terecht op gewezen.

Alhoewel de planvoorschriften niet voorschrijven dat er sprake moet zijn van zowel agrarisch grondgebruik als een agrarische bedrijfsuitoefening, doet deze situatie zich hier naar het oordeel van de rechtbank voor. Het feit dat er een ander type maïs dan gebruikelijk wordt gezaaid waarvan een klein deel verloren gaat bij het uitzetten van het gangenpatroon, maakt dit niet anders. Aangezien het gebruik van de maïsdoolhof derhalve naast agrarisch gebruik van de gronden plaatsvindt en tussen partijen voorts niet in geschil is dat het gebruik van de maïsdoolhof een recreatief karakter heeft en niet als verblijfsrecreatie valt te bestempelen, is de rechtbank van oordeel dat het gebruik van de maïsdoolhof onder de definitie van extensief recreatief gebruik valt zoals opgenomen in artikel 1, aanhef en onder e1, van de planvoorschriften. Het gebruik van de gronden als maïsdoolhof past derhalve in de doeleindenomschrijving van artikel 6, lid I, van de planvoorschriften en is om die reden niet in strijd met het bestemmingsplan. De conclusie kan naar het oordeel van de rechtbank dan geen andere zijn dan dat eisers geen vrijstelling nodig hebben.

2.4 Het verzoek om vrijstelling is door verweerder in het bestreden besluit weliswaar terecht afgewezen, doch om onjuiste redenen. Het bestreden besluit ontbeert om die reden een deugdelijke motivering en komt daardoor in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Aangezien het bestreden besluit reeds om deze reden niet in stand kan blijven, komt de rechtbank aan bespreking van de overige beroepsgronden niet meer toe.

Verweerder zal worden opgedragen om op het bezwaarschrift een nieuwe beslissing te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

2.5 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eisers te worden vergoed.

Omdat niet gebleken is van op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van eisers, zal een proceskostenveroordeling achterwege blijven.

3. De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op om een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

gelast dat de gemeente [woonplaats] aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.J. Bakx, rechter, en in aanwezigheid van W.J.H. Lauwen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2006.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 5 juli 2006