Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AY3802

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-06-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/413
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Materieel liquidatieverlies ten onrechte afgetrokken en boete ten onrechte opgelegd.

Belanghebbende claimt in het boekjaar 2001-2002 een liquidatieverlies van een Griekse deelneming terwijl deze nog niet binnen 8 jaar is geliquideerd. In het voorafgaande boekjaar heeft hij dit bedrag ook al in de aangifte verwerkt en dit is door de inspecteur gecorrigeerd. Tegen die beslissing heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt. De inspecteur schrapt ook nu het liquidatieverlies omdat hij vindt dat het geformuleerde beleid niet op belanghebbende van toepassing is en legt tevens een boete ex art 67d AWR op. De rechtbank is van oordeel dat het liquidatieverlies terecht is gecorrigeerd maar acht het opleggen van een boete niet juist. Het opleggen van en boete is in casu dermate onzorgvuldig gedaan dat de rechtbank daar aanleiding in ziet om de inspecteur te veroordelen werkelijke kosten te vergoeden.".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/59.3.14
FutD 2006-1328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/413

Uitspraakdatum: 21 juni 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende BV], gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het boekjaar 2001-2002 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil, waarbij bij beschikking een verlies van [bedrag 1] is verrekend, en bij boetebeschikking een vergrijpboete van [bedrag 2] is opgelegd.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslag, het bedrag van het verrekenende verlies en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 276.

De inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.4. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd waarna de Inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2006 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede de inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

1.7. De inspecteur heeft ter zitting een kopie overgelegd van een e-mailbericht van [ambtenaar] aan [inspecteur] van 26 februari 2004, alsmede een door de boetespecialist aan de inspecteur verstrekt boeteadvies van 1 juli 2004. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van deze stukken. De rechtbank rekent alle ter zitting overgelegde stukken tot de stukken van het geding.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is opgericht op 9 oktober 1972. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het houden van de aandelen in en het voeren van de directie over de dochtermaatschappijen. De activiteiten van deze dochtermaatschappijen bestaan hoofdzakelijk uit het produceren van diepgevroren levensmiddelen en de productie van verpakkingsmateriaal. Belanghebbende vormt tezamen met de in Nederland gevestigde 100%-dochtermaatschappijen, [BV 1], [BV 2], [BV 3], [BV 4], [BV 5], [BV 6] en [BV 7] een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet VPB) Daarnaast heeft belanghebbende ook buitenlandse dochtermaatschappijen. Eén van deze dochtermaatschappijen is de in [land] gevestigde [BV 8].

2.2. [BV 8] is in 1994 door belanghebbende tezamen met [BV 9] opgericht. De aandelen van [BV 8] worden voor 50% gehouden door belanghebbende en voor 50% door [BV 9]. De aandelen van [BV 9] zijn in handen van de in [land] woonachtige [aandeelhouders].

2.3. [BV 9] is in 1999 in staat van faillissement gesteld. Belanghebbende kan als 50% aandeelhouder niet zelfstandig [BV 8] (laten) ontbinden.

2.4. Belanghebbende heeft in januari 2002 haar aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar 2000-2001 ingediend naar een belastbaar bedrag van [bedrag 3] negatief. In deze aangifte heeft belanghebbende in verband met haar deelneming in [BV 8] een liquidatieverlies geclaimd van [bedrag 4].

2.5. Op 1 februari 2002 heeft de inspecteur belanghebbende schriftelijk verzocht om documenten in te zenden waaruit zou blijken dat de in de bijlage bij de aangifte genoemde vennootschappen zijn geliquideerd. De gemachtigde van belanghebbende reageert bij brief van 1 maart 2002 en stuurt de gevraagde informatie toe. Tevens deelt hij mee dat de stukken met betrekking tot de liquidatie van [BV 8] zijn opgevraagd. Per brief van 3 mei 2002 deelt de gemachtigde de Belastingdienst mede dat [BV 8] formeel gezien nog niet geliquideerd is, maar dat deze vennootschap sinds begin 1997 geen activiteiten meer verricht. Per brief van 21 juni 2002 heeft de inspecteur hierop gereageerd met de mededeling dat hij niet akkoord gaat met het liquidatieverlies van [BV 8]. Op 5 augustus 2002 heeft de gemachtigde de inspecteur schriftelijk meegedeeld dat vanwege tijdsdruk akkoord wordt gegaan met het standpunt inzake de niet-aftrekbaarheid van het deelnemingsverlies in [BV 8].

2.6. Met dagtekening 7 december 2002 is de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2000-2001 vastgesteld en opgelegd naar een belastbaar bedrag van nihil en is bij beschikking het verlies van dat boekjaar vastgesteld op [bedrag 5].

2.7. De aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2001-2002 is in oktober 2003 door belanghebbende ingediend. In deze aangifte heeft belanghebbende opnieuw het liquidatieverlies in aanmerking genomen ter zake van haar deelneming in [BV 8] van [bedrag 4]. In het aangiftebiljet is met betrekking tot het liquidatieverlies, voor zover van belang, het volgende vermeld:

Tekst aangiftebiljet/Bijlage bij aangiftebiljet Vermelding belanghebbende

19m Negatieve resultaten uit uit deelneming buitenland [bedrag 6];

Specificatie 2 Dochtermaatschappijen: In de [BV 8]; feitelijke controle over loop van 2001 vervreemde belangen: vennootschap verloren

Bijlage 3/1 aansluiting van het belastbaar Fiscaal lager resultaat deelnemingen

bedrag met de geconsolideerde winst- en wegens liquidatie van [BV 8] [bedrag 4]

verliesrekening over 2001/2002

Bijlage 4 toelichting op het liquidatieverlies [BV 10] [bedrag 7]

[BV 8] ([BV 11] heeft de feitelijke controle over deze vennootschap verloren [bedrag 4]

Totaal liquidatieverlies [bedrag 6]

2.8. Per brief met dagtekening 2 december 2003 heeft de inspecteur aangekondigd dat het bedrag dat als liquidatieverlies is aangemerkt, wordt gecorrigeerd. Tevens heeft de inspecteur belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 67k van de AWR in kennis gesteld van het voornemen een vergrijpboete op te leggen op grond van het bepaalde in artikel 67d van de AWR.

2.9. De gemachtigde heeft de inspecteur op 13 januari 2004 verzocht af te zien van zijn voornemen tot het corrigeren van de aangifte en het opleggen van de vergrijpboete. Tevens heeft de gemachtigde ter zake van het liquidatieverlies van [BV 8] een beroep gedaan op de hardheidsclausule ex artikel 63 van de AWR.

2.10. De inspecteur heeft op 19 maart 2004 schriftelijk meegedeeld dat hij geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht om het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule, op grond van de Mededeling van 31 juli 1992, nr. DB92/3729 (Mededeling), voor te leggen aan het Ministerie van Financiën.

2.11. Met dagtekening 2 juli 2004 heeft de inspecteur belanghebbende op grond van artikel 67g, tweede lid, van de AWR in kennis gesteld van de gronden waarop de oplegging van de vergrijpboete berust. De inspecteur heeft de vergrijpboete vastgesteld op [bedrag 2] en de belastbare winst met [bedrag 4] verhoogd tot een bedrag van [bedrag 1].

2.12. De aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2001-2002 is met dagtekening 7 augustus 2004 opgelegd, alsmede de vergrijpboete ter grootte van [bedrag 2]. Bij beschikking is het bedrag van het verrekenende verlies vastgesteld op [bedrag 1].

3. Het geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1) Mag op grond van de Resolutie van 1 juli 1971, nr. B 71/12 651 (de Resolutie) in verband met [BV 8] een liquidatieverlies, ad [bedrag 4], zoals bedoeld in artikel 13d, eerste lid van de Wet VPB afgetrokken worden;

2) Is de vergrijpboete terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?

3.2. Belanghebbende is van oordeel dat de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

De gemachtigde van belanghebbende

Ik zie er van af om [getuige] als getuige te doen horen.

[BV 8] is niet verwikkeld in een langlopend faillissement of een vrijwillige liquidatie, daarom is ons inziens de Mededeling niet van toepassing, maar wel de Resolutie. In de Resolutie staat vermeld dat in situaties die materieel gelijk zijn te stellen aan liquidatie, goedgekeurd wordt dat een liquidatieverlies toch aftrekbaar is.

Eigenlijk is al vanaf de oprichting van [BV 8] de samenwerking met de gebroeders [aandeelhouders] mislukt. [BV 8] is misschien daarom wel al vanaf 1995, of zelfs vanaf de oprichtingsdatum in 1994 inactief.

Het was feitelijk niet mogelijk om [BV 8] te liquideren.

Wij zouden graag stukken willen zien van de inspecteur dat hij contact heeft opgenomen met de boetefraude-coördinator (BFC) voor het opleggen van de boete.

Primair ben ik van mening dat er geen ruimte is voor een boete. Indien de rechtbank van mening is dat een boete wel passend en geboden is, dan zou ik voor willen stellen om deze boete op een symbolisch bedrag van ongeveer € 100 vast te stellen.

Gelet op de tekst van de Resolutie dient de inspecteur het verzoek van belanghebbende omtrent het nemen van het liquidatieverlies door te sturen aan het Ministerie van Financiën. De inspecteur heeft dat vanaf het begin af geweigerd. Ik heb zelf geen contact opgenomen met het Ministerie van Financiën, omdat het me niet gepast leek om de inspecteur te passeren.

Als gemachtigde hebben we belanghebbende een factuur gezonden voor deze procedure. Inmiddels is een bedrag van [bedrag 9] gefactureerd aan belanghebbende en een veelvoud van dit bedrag staat nog uit. In de bezwaarfase is geen verzoek tot vergoeding van proceskosten ingediend, zodat ik deze grief laat vallen.

Inspecteur

Voor het boekjaar 2000-2001 is zonder meer een onjuiste aangifte vennootschapsbelasting ingediend. In deze aangifte wordt een liquidatieverlies geclaimd, terwijl dat er niet was. Tevens wordt in deze aangifte geen beroep gedaan op de Resolutie. Voor het boekjaar 2001-2002 is in de aangifte vennootschapsbelasting wederom het liquidatieverlies geclaimd. Er is derhalve sprake van recidive. Pas na diepgaand onderzoek is duidelijk geworden hoe de situatie met [BV 8] lag. Ik ben van mening dat het liquidatieverlies versluierd in de aangifte is opgenomen. Feitelijk is [BV 8] niet geliquideerd. Belanghebbende had een beroep op de Resolutie moeten doen.

Voor het opleggen van de boete heb ik contact opgenomen met de BFC. Ik heb contact gehad met twee BFC’s. Deze zaak is in 2003 gaan spelen. Ik heb toen contact opgenomen met de BFC van de Belastingdienst. Hiervan heb ik alleen nog een emailbericht van februari 2004. Uit dit emailbericht is echter wel af te leiden dat de discussie al langer liep. Daarnaast heb ik, na de invoering van een boete-advies-systeem bij de Belastingdienst, contact gehad met de BFC van de Belastingdienst.

3.4. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastbare winst en het bedrag van het verrekende verlies tot [bedrag 8] en vernietiging van de boetebeschikking.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het eerste geschilpunt

4.1. Op grond van artikel 13d, eerste lid, van de Wet VPB vindt de deelnemingsvrijstelling geen toepassing ten aanzien van een verlies op een deelneming dat tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt is ontbonden (liquidatieverlies). Ten aanzien van een zelf opgerichte buitenlandse deelneming geldt als additionele voorwaarde dat het belang in de geliquideerde buitenlandse deelneming ten minste 25% dient te zijn.

4.2. Aan de additionele voorwaarde heeft belanghebbende voldaan omdat zij sinds 1994, 50% van de aandelen in [BV 8] bezit.

4.3. Ten aanzien van het in aanmerking nemen van een liquidatieverlies is in het achtste lid van artikel 13d van de Wet VPB (tekst 2001-2002) het volgende bepaald:

"Het liquidatieverlies wordt eerst op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid in aanmerking genomen, mits:....".

4.4. De wetgever is ten aanzien van het in aanmerking nemen van liquidatieverliezen derhalve uitgegaan van een formeel criterium van een voltooide vereffening.

4.5. De staatssecretaris van Financiën heeft twee besluiten uitgevaardigd, te weten de Resolutie en de Mededeling waarbij toegestaan wordt dat een liquidatieverlies toch ten laste van de belastbare winst mag komen in die situaties waarin het lichaam waarin wordt deelgenomen niet formeel is ontbonden of kan worden ontbonden, maar waarbij een toestand is ingetreden die materieel met liquidatie is gelijk te stellen en wordt voldaan aan de overige voorwaarden voor aftrek.

4.5.1. Het in de Mededeling vervatte beleid is, zoals belanghebbende ook heeft betoogd, op belanghebbende niet van toepassing omdat niet voldaan is aan de daarin genoemde achtjaarstermijn.

4.5.2. Onderdeel 6 van de Resolutie luidt als volgt:

"6. Ingevolge art. 13, vijfde lid, van de wet kan slechts formele liquidatie van een lichaam waarin wordt deelgenomen aanleiding geven tot het bij de winstbepaling van het deelnemende lichaam in aanmerking nemen van een verlies op de deelneming. In de praktijk kunnen zich evenwel gevallen voordoen waarin het lichaam waarin wordt deelgenomen weliswaar niet formeel is ontbonden of kan worden ontbonden, maar waarbij een toestand is ingetreden die materieel met liquidatie is gelijk te stellen. Te denken valt bijvoorbeeld aan een geval waarin een in het buitenland gevestigde dochtermaatschappij haar werkzaamheden wegens politieke omstandigheden blijvend moet beëindigen. Voorts kan worden gedacht aan een nationalisatie van een dochtermaatschappij waarbij de moedermaatschappij alle zeggenschap in de dochtermaatschappij verliest. Ik ben bereid in de hierbedoelde gevallen art. 63 AWR toe te passen. Belangh. dienen in voorkomende gevallen naar mij te worden verwezen."

Toepassing van de Resolutie, die aangeeft onder welke omstandigheden de staatssecretaris uitvoering geeft aan artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule), kan op zichzelf aan het oordeel van de rechtbank worden onderworpen indien dit beleid zijn neerslag vindt in onderhavige aanslag c.q. beschikking. In het onderhavige geval doet zich echter niet een van de in de Resolutie genoemde situaties voor waarin aftrek van een niet geformaliseerd liquidatieverlies blijkens de Resolutie in elk geval wordt toegestaan. Belanghebbendes beroep op de Resolutie kan haar dan ook niet baten.

4.5.3. De weigering van de inspecteur de onderhavige vraag inzake toepassing van de hardheidsclausule naar de Minister van Financiën door te leiden is geen ingevolge de belastingwet te nemen voor bezwaar vatbare beschikking waartegen beroep bij de belastingrechter openstaat. Dit laat overigens onverlet dat belanghebbende zich met een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule tot de Minister kan wenden.

4.6. Gelet op het bovenstaande is het gelijk ten aanzien van het eerste geschilpunt aan de zijde van de inspecteur.

Ten aanzien van het tweede geschilpunt

4.7. Op grond van artikel 67d, eerste lid, van de AWR vormt, indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete. De omschrijving van het vergrijp als opgenomen in artikel 67d van de AWR sluit aan bij artikel 8, eerste lid, van de AWR. Het eerste lid van artikel 8 van de AWR luidt als volgt:

"Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden aangifte te doen door:

a. de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden, alsmede

b. de in de uitnodiging gevraagde bescheiden of andere gegevensdragers, dan wel de inhoud daarvan, op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te leveren of toe te zenden."

4.8. Uit de jurisprudentie ten aanzien van artikel 8, eerste lid, van de AWR is als rechtsregel af te leiden dat van het niet doen van de vereiste aangifte geen sprake kan zijn indien een belastingplichtige in of bij de aangifte alle voor het opleggen van de aanslag vereiste gegevens op zodanig duidelijke wijze vermeldt dat de inspecteur de juiste aanslag kan opleggen. De rechtbank is van oordeel dat dit ook heeft te gelden ten aanzien van de vraag of een aangifte onjuist of onvolledig is gedaan in de zin van artikel 67d van de AWR. Hieruit volgt dat een aangifte niet onjuist kan zijn op de enkele grond dat daarin een standpunt wordt ingenomen waarvan de belastingplichtige weet of behoort te weten dat de inspecteur het niet deelt. Op deze regel is één uitzondering te maken, ingeval het bij de aangifte ingenomen standpunt zo weinig verdedigbaar is dat de belastingplichtige redelijkerwijs niet kon menen juist te handelen. Alsdan staat het enkele feit dat bij de aangifte alle voor de aanslagregeling noodzakelijke feitelijke gegevens zijn vermeld, niet in de weg aan het oordeel dat niet de vereiste aangifte is gedaan in de zin van artikel 8 van de AWR en dat sprake is van een onjuiste aangifte in de zin van artikel 67d van de AWR.

4.9. De rechtbank is van oordeel dat, beoordeeld naar de in 4.8 vermelde criteria, niet kan worden gezegd dat belanghebbende een onjuiste aangifte heeft gedaan. Belanghebbende heeft alle relevante feiten, zoals blijkt uit hetgeen onder 2.7. is opgenomen, vermeld in de aangifte en de daarbij behorende bijlagen en bovendien was de inspecteur op de hoogte van de problematiek ten aanzien van het verlies van [BV 8]. De rechtbank is daarbij ook van oordeel dat er geen sprake is van het versluierd opnemen van het liquidatieverlies in de aangifte en dat er geen diepgravend onderzoek nodig is geweest om te zien dat belanghebbende het liquidatieverlies opnieuw in de aangifte heeft opgevoerd. Het door belanghebbende, weliswaar tegen de tekst van de wet ingaande, standpunt was naar het oordeel van de rechtbank niet onverdedigbaar, aangezien het een zaak betreft die tenminste enige overeenkomst vertoont met de in de Resolutie genoemde situaties waarbij aftrek wordt verleend terwijl, nu de inspecteur de problematiek niet aan het Ministerie van Financiën heeft voorgelegd, onbekend is wat het Ministerie van Financiën ten aanzien van deze problematiek zou beslissen. Gezien de tekst van de Resolutie onder 6 kon belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid menen dat er een toestand was ingetreden die materieel met liquidatie was gelijk te stellen waarop de bereidheid van de staatssecretaris om in de "hierbedoelde gevallen" artikel 63 van de AWR toe te passen was gericht, temeer nu de in punt 6 genoemde situaties van "politieke omstandigheden" en "nationalisatie" blijkbaar slechts bedoeld zijn als voorbeelden van de bedoelde toestand en niet uitsluiten dat ook andere omstandigheden tot eenzelfde toestand met dezelfde fiscale gevolgen kunnen leiden.

4.10. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur in redelijkheid niet tot het opleggen van een boete heeft kunnen besluiten en dat de boete moet worden vernietigd. Het beroep is op dit punt gegrond.

5. Proceskosten

5.1. In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van de Awb de inspecteur te veroordelen in de kos-ten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft verzocht om op grond van bijzondere omstandigheden de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van de werkelijke kosten voorzover het de boete betreft. Het onder 4.10 overwogene leidt tot de conclusie dat de inspecteur zozeer heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die de inspecteur dient te betrachten, dat er sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht die aanleiding geven tot een integrale vergoeding van de kosten voor zover deze kosten betrekking hebben op de boete. Belanghebbende heeft kosten voor rechtsbijstand voor de hele procedure onweersproken gesteld op [bedrag 9]. De rechtbank stelt het aandeel voor de boete in de beroepsfase in goede justitie op [bedrag 10].

5.2. De stelling van belanghebbende dat de forfaitaire proceskostenvergoeding in strijd is met het Europese recht omdat deze de rechtsgang belemmert, behoeft dan geen behandeling meer.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het de boetebeschikking betreft;

- vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de boetebeschikking;

- vernietigt de boetebeschikking;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van [bedrag 10], onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende dient te vergoeden

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 276 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 21 juni 2006 door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. C.A.F.M. Stassen, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.H.W.N. Lammers, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.