Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AY3784

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-06-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
AWB 05/828
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank vernietigt de conserverende aanslag die is opgelegd over de waarde van de pensioenrechten van een Nederlander die naar Spanje is geëmigreerd.

De Rechtbank is van oordeel dat de conserverende aanslag en de voorwaarden waaronder daarvoor uitstel van betaling wordt verleend als één onverbrekelijk geheel moeten worden beschouwd. Nu op grond van de voorwaarden waaronder uitstel wordt verleend invordering plaatsvindt indien het pensioen wordt vervreemd, afgekocht of anderszins niet regulier wordt afgewikkeld en een dergelijke situatie zich ten tijde van de emigratie van belanghebbende nog niet heeft voorgedaan, kan de conserverende aanslag feitelijk slechts leiden tot belastingheffing ter zake van het uitkeren van het pensioen aan de belanghebbende na diens emigratie naar Spanje. Niet is gesteld of gebleken dat met Spanje over de invoering van de belastingheffing over (aanspraken op) pensioen van inwoners van dat land is overlegd. Derhalve leidt de wettelijke regeling ertoe dat Nederland eenzijdig het heffingsrecht over pensioenuitkeringen van inwoners van Spanje - gedeeltelijk - naar zich toetrekt. Onder deze omstandigheden handelt Nederland door het opleggen van de onderhavige aanslag naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de bepalingen van het Verdrag en met de goede trouw die Nederland, mede krachtens de aangehaalde bepalingen uit het Verdrag van Wenen, jegens de verdragspartner is verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/59.3.2
FutD 2006-1327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/828

Uitspraakdatum: 15 juni 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats]], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2001 een conserverende aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd tot een bedrag van € 69.357. Daarbij zijn tevens bij beschikking heffingsrente ad € 10.233 en revisierente ad € 45.378 geheven.

1.2. Het bedrag van de aanslag, alsmede de heffings- en revisierente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 9 maart 2005, ontvangen bij de rechtbank op 15 maart 2005, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belang-hebbende een griffierecht geheven van € 37.

1.4. De inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2006 te Breda.

Aldaar is verschenen en gehoord de inspecteur.

Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 23 december 2005 aan [belanghebbende] op het adres [woonplaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

1.6. Ter zitting heeft de inspecteur een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de inspecteur ter zitting, stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende, geboren op 7 maart 1933, is op of omstreeks 30 augustus 2001 vanuit Nederland naar [land] geëmigreerd. Belanghebbende heeft in de periode dat hij woonachtig was in Nederland pensioenpolissen afgesloten bij Delta Lloyd verzekeringen. Volgens de overgelegde polisbladen heeft belanghebbende op 1 september 2001 fl. 411.493 en fl. 50.201 aan premie afgestort bij Delta Lloyd Verzekeringen.

2.2. Met dagtekening 8 december 2004 is aan belanghebbende een conserverende aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 opgelegd, uitgaande van een te conserveren inkomen van € 226.890 aan pensioenaanspraken. De conserverende aanslag beliep een te betalen bedrag van € 69.357 aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Bij beschikking werd daarbij € 10.233 aan heffingsrente en € 45.378 aan revisierente berekend. Het in totaal te betalen bedrag beliep derhalve € 124.968. Op het aanslagbiljet staat vermeld dat belanghebbende voor de aanslag geen apart verzoek om uitstel van betaling hoeft te doen en dat de uitstelbeschikking apart door de ontvanger aan belanghebbende zal worden toegezonden. Bij beschikking van 8 december 2004 is ter zake uitstel van betaling verleend tot 31 december 2011.

2.3. De inspecteur heeft ter zitting er op gewezen dat als gevolg van de aanvaarding van het Belastingplan 2006 de heffingsrente van rechtswege is vervallen.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslag en beschikkingen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur - behoudens ten aanzien van de beschikking heffingsrente - bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Ter zitting heeft de inspecteur hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Op het (fictieve) genietingsmoment is het verdrag nog niet van toepassing. Indien blijkt dat de hoogte van het te conserveren inkomen op een ander bedrag moet worden vastgesteld, dan zal de belastingdienst dat aanpassen. Belanghebbende heeft geen bericht ontvangen dat de heffingsrente van rechtswege is vervallen.

3.4. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de conserverende aanslag.

3.5. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep voor zover betrekking hebbend op de heffingsrente en ongegrondverklaring voor het overige.

4. Het wettelijk en verdragsrechtelijk kader

4.1. Artikel 3.83 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

"1. Tot loon wordt gerekend de waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling ,indien de belastingplichtige die werknemer of gewezen werknemer is in de zin van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting en aan wie het pensioen is toegezegd, ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn anders dan door overlijden, of indien na zijn overlijden de gerechtigde tot de uitkeringen ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn. (...)".

4.2. Artikel 2.8, tweede lid, van de Wet IB bepaalt, kort gezegd, dat positieve inkomens-bestanddelen die in aanmerking zijn genomen op grond van artikel 3.83, eerste lid, als te conserveren inkomen wordt aangemerkt. Artikel 3.146 van de Wet IB bepaalt dat de in artikel 3.83, eerste lid, van de Wet IB bedoelde aanspraken uit pensioenregeling worden geacht te zijn genoten op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan dat waarop de belastingplichtige ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn.

4.3. Artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 (Inv) bepaalt dat belastingaanslagen invorderbaar zijn twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. In artikel 2, eerste lid, onderdeel m, van de Inv is bepaald dat onder belastingaanslag mede wordt verstaan de conserverende aanslag. Artikel 25, vijfde lid, van de Inv bepaalt dat bij ministeriele regeling regels worden gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van tien jaar voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van artikel 3.83, eerste lid, van de Wet IB. Bij Wet van 16 december 2004 (Stb 2004/654) is met terugwerkende kracht tot 11 maart 2004 bepaald dat daarvoor niet meer in alle gevallen zekerheid hoeft te worden gesteld. In artikel 1e, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Inv (gewijzigd bij Besluit van 16 december 2004, WDB 2004/756M, Staatscourant 24-12-2004 nr. 249 met terugwerkende kracht tot 11 maart 2004) is bepaald dat in geval van emigratie van de belastingschuldige naar een andere lidstaat van de Europese Unie, voor conserverende aanslagen uitstel wordt verleend zonder schriftelijk verzoek van de belanghebbende en zonder dat zekerstelling wordt geëist. Artikel 1e, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling Inv bepaalt dat het uitstel wordt beëindigd indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, derde volzin, van de Inv. Artikel 25, vijfde lid, derde volzin, van de Inv verwijst naar artikel 19b, eerste lid of tweede lid, eerste volzin van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 3.135, tweede lid, onderdelen a tot en met g, i en k, en artikel 3.135, eerste lid, van de Wet IB in welke artikelen - kort gezegd - is vastgelegd dat de waarde van een pensioenaanspraak in de heffing wordt betrokken bij afkoop, vervreemding of anderszins niet reguliere afwikkeling van pensioen.

4.4. Artikel 19 van de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van de Spaanse Staat tot het vermijden van dubbele belasting en het voor-komen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, gesloten te Madrid op 16 juni 1971 (het Verdrag) luidt:

"Pensioenen

Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 20, eerste lid, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen betaald aan een inwoner van een van de Staten ter zake van een vroegere dienstbetrekking, slechts in die Staat belastbaar."

Artikel 20, eerste lid, waarnaar vorengenoemd artikel 19 verwijst, betreft overheids-pensioenen.

4.5. Artikel 23 van het Verdrag luidt:

"Overige inkomsten

Bestanddelen van het inkomen van een inwoner van een van de Staten, die niet uitdrukkelijk in de voorgaande artikelen van deze Overeenkomst zijn vermeld, zijn slechts in die Staat belastbaar."

4.6. Artikel 26, 27 en 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, gesloten te Wenen op 23 mei 1969, luiden, voor zover te dezen van belang, als volgt:

"Artikel 26. Pacta sunt servanda

Elk in werking getreden verdrag verbindt de partijen en moet door hen te goeder trouw worden uitgelegd.

Artikel 27. Nationaal recht en naleving van verdragen

Een partij mag zich niet beroepen op de bepalingen van zijn nationale recht om het niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen.

Artikel 31. Algemene regel van uitlegging

1. Een verdrag moet te goeder trouw worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag."

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De conserverende aanslag is opgelegd in verband met belanghebbendes emigratie naar [land].

5.2. Vaststaat dat een pensioen als het onderhavige dat afkomstig is uit Nederland en wordt betaald aan een inwoner van [land], zowel indien het wordt uitgekeerd in de vorm van een periodieke uitkering als in andere vorm, zoals bijvoorbeeld een bedrag ineens ter zake van een vervreemding, afkoop of anderszins, krachtens artikel 19, dan wel artikel 23 van het Verdrag slechts belastbaar is in [land].

5.3. De rechtbank is van oordeel dat de conserverende aanslag en de voorwaarden waaronder daarvoor uitstel van betaling wordt verleend als één onverbrekelijk geheel moeten worden beschouwd. Nu op grond van de voorwaarden waaronder uitstel wordt verleend invordering plaatsvindt indien het pensioen wordt vervreemd, afgekocht of anderszins niet regulier wordt afgewikkeld en een dergelijke situatie zich ten tijde van de emigratie van belanghebbende nog niet heeft voorgedaan, kan de conserverende aanslag feitelijk slechts leiden tot belasting-heffing ter zake van het uitkeren van het pensioen aan de belanghebbende na diens emigratie naar [land]. Niet is gesteld of gebleken dat met [land] over de invoering van de belasting-heffing over (aanspraken op) pensioen van inwoners van dat land is overlegd. Derhalve leidt de wettelijke regeling ertoe dat Nederland eenzijdig het heffingsrecht over pensioenuitkerin-gen van inwoners van [land] - gedeeltelijk - aan zich trekt.

5.4. Onder deze omstandigheden handelt Nederland door het opleggen van de onderhavige aanslag naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de bepalingen van het Verdrag en met de goede trouw die Nederland, mede krachtens de aangehaalde bepalingen uit het Verdrag van Wenen, jegens de verdragspartner is verschuldigd.

5.5. Aan het vorenoverwogene doet niet af dat in de Wet de belastingheffing over de pensioenuitkeringen door de wetsficties van de artikelen 3.83 en 3.146 van de Wet IB is vormgegeven als het genieten van inkomen op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan de emigratie. Voor het oordeel of de heffing in strijd is met het Verdrag dient naar het oordeel van de rechtbank uitgegaan te worden van de feitelijke situatie.

5.6. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de conserverende aanslag moet worden vernietigd. Datzelfde geldt dan voor de beschikkingen revisierente en heffingsrente. De vragen of de heffing in strijd is met het EG-Verdrag behoeven dan geen beantwoording meer.

6. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

7. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de aanslag en de beschikkingen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2006 door mr A.A. den Hartog, voorzitter, mr. A.F.M.Q Beukers-van Dooren en mr. J.J.J. Engel, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.H.W.N. Lammers, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH 's-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.