Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AY2079

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-07-2006
Datum publicatie
07-07-2006
Zaaknummer
02/800007-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt, alhoewel zijn DNA is aangetroffen op het moordwapen, een riek, vrijgesproken van het medeplegen van doodslag op Nieuwjaarsnacht in Roosendaal tijdens een burenruzie. Hij wordt wel veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld gezien zijn deelname aan de aan de dood van de buurman voorafgegane massale vechtpartij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer(s): 02/800007-06

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[naam verdachte],

geboren [woonplaats]en plaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda,

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. W.B.M. Bos, advocaat te Roosendaal.

2 De tenlastelegging.

Overeenkomstig artikel 314a wetboek van strafvordering is ter zitting de tenlastelegging nader omschreven. Het komt er (kortweg) op neer dat verdachte wordt tenlastegelegd dat hij op 1 januari 2006 te Roosendaal samen met zijn broer [slachtofferch[famil[slachtoffer] heeft gedood door deze met een riek te steken. Mocht dit niet bewezen kunnen worden dan wordt verdachte verweten alstoen openlijk geweld tegen die [familienaam] te hebben gepleegd.

3 De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

Voorts is de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Er zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

Tot slot zijn ter zitting geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Voor de leesbaarheid zal de rechtbank hierna bij verdachte en de medeverdachte, zijn broer, hun voornamen, respectievelijk [verdachte] en [medeverdachte], hanteren.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte, [verdachte], op 1 januari 2006 te Roosendaal samen met zijn broer [medeverdachte], [slachtofferchtoffer] heeft gedood door deze met een riek te steken. Naar de opvatting van de officier staat vast dat in het gevecht dat in de vroege ochtend van nieuwjaarsdag ontstond tussen de families [familienaam] en [familienaam] op de Desmijndijk in Roosendaal [verdachte] weliswaar niet zelf heeft gestoken, doch [medeverdachte] in de gelegenheid stelde om te steken door het slachtoffer van achteren bij zijn armen vast te houden, zodat [slachtoffer] zich niet kon verdedigen.

De officier van justitie komt tot het bewijs van het medeplegen van doodslag op grond van het feit dat door het N.F.I. op twee van de riekpunten DNA van [verdachte] werd aangetroffen. [verdachte] heeft tijdens de vechtpartij een ernstige steekwond aan zijn hand opgelopen maar heeft daarover, evenals anderen van de familie [familienaam], wisselend verklaard. Het kan volgens de officier van justitie niet anders dan dat de verklaring die[getuige]uige] bij de politie heeft afgelegd, inhoudende dat hij zag dat [verdachte] de buurman vasthield terwijl [medeverdachte] met de riek stak, voor juist moet worden gehouden en dat [medeverdachte] daarbij niet alleen buurman [familienaam], maar ook zijn broer [verdachte] heeft geraakt.

Aldus het primair tenlastegelegde bewezen achtend vordert de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

5 Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte is van mening dat niet bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer]. [verdachte] zag [medeverdachte] immers met een riek voor [slachtoffer] staan en heeft [slachtoffer] weggeduwd op het moment dat [medeverdachte] stak. Daardoor heeft [verdachte] de wond aan zijn hand opgelopen. [verdachte] heeft [slachtoffer] willen redden door hem weg te duwen. Vervolgens is [verdachte] weggegaan, zodat hij bij hetgeen daarna is gebeurd tussen [medeverdachte] en [slachtoffer] niet betrokken is geweest.

De raadsman acht de verklaringen die[getuige]uige] bij de politie heeft afgelegd ongeloofwaardig en baseert zich op de (uiteindelijke) verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte], welke stroken met de d[getuige]getuige] en andere ooggetuigen afgelegde verklaringen en die naar het oordeel van de raadsman overeenkomen met de uitslagen van de technische onderzoeken.

Nu [verdachte] niet bij de dodelijke steekpartij betrokken is geweest, maar in plaats daarvan heeft geprobeerd [slachtoffer] te behoeden voor een steek met de riek, dient vrijspraak van het primaire medeplegen van doodslag te volgen. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het subsidiair tenlastegelegde openlijk geweld.

6 De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Er zijn in deze zaak vele verklaringen afgelegd. Alleen verdachte al is 16 maal door de politie gehoord en zijn broer [medeverdachte] 12 maal. Zowel de verklaringen van de verdachten als de verklaringen van de getuigen wisselen veelvuldig. Daardoor zijn meerdere lezingen mogelijk van hetgeen zich op Nieuwjaarsdag heeft afgespeeld op de Desmijndijk te Roosendaal. De verklaringen zijn dermate tegenstrijdig, soms zelfs haaks op elkaar, dat de rechtbank aansluiting zoekt bij hetgeen in ieder geval is komen vast te staan en welke verklaringen daarop het meeste aansluiten.

[verdachte] woonde met zijn ouders en zijn 13-jarige neef [getuige] op een hofje in de [adres] woont de familie [familienaam].

Vlak voor en na de jaarwisseling werd vuurwerk afgestoken op het hofje van de Desmijndijk. Wie ermee is begonnen kan in het midden blijven, maar vast staat dat [getuige] en de overbuurjongen van [huisnummer] (knal)vuurwerk naar elkaar gooiden.

Kort na twaalf uur stak [getuige] het hofje over om de overburen op [huisnummer] gelukkig nieuwjaar te wensen. Zij werd geraakt door vuurwerk dat [getuige] naar haar gooide. De familie [familienaam] sprak de familie [familienaam] hierop aan, waarna een vechtpartij ontstond. Niet vastgesteld kan worden wie uiteindelijk is begonnen. Wel staat vast dat beide families zich bewapenden en dat ongeveer 10 mensen elkaar met stokken en ijzeren staven zodanig te lijf gingen dat een aantal serieuze (hoofd)wonden opliepen.

Aan de zijde van de familie [familienaam] was [medeverdachte], die na twaalven zijn familie kwam bezoeken, van het begin af aan bij het gevecht betrokken. [verdachte] zat zich op dat moment in bad te scheren, maar toen hij hoorde dat er gevochten werd haastte hij zich naar buiten.

[medeverdachte] had eerst met de blote vuist gevochten en bewapende zich later met een ijzeren staaf. [verdachte] voorzag zich meteen van zo'n staaf toen hij buiten kwam. [medeverdachte] was tijdens het gevecht zijn ijzeren staaf kwijt geraakt. Daarop rende hij terug naar de schuur van de familie [familienaam] en greep daar een riek. Hij stak daarmee buurman [slachtoffer] in ieder geval twee maal. Een van die steken bleek de longslagader in het hartzakje te hebben geraakt, waardoor [slachtoffer] korte tijd later kwam te overlijden. In de consternatie na de massale vechtpartij kreeg de vader van [verdachte] en [medeverdachte] kort daarop een hartstilstand en kwam deze eveneens te overlijden.

De rechtbank overweegt het volgende over de omstandigheden waaronder [medeverdachte] heeft gestoken en de mogelijke rol van [verdachte] daarbij.

Wat vast is komen te staan blijkt met name uit de technische onderzoeken.

Allereerst het pathologisch onderzoek. Daaruit blijkt, in samenhang met de van de sectie gemaakte fotoserie, dat van de onder 6. omschreven letsels de met C aangeduide huidperforatie, linksvoor aan de borst, met een steekkanaal van circa 5 cm. tot de harttamponade heeft geleid waardoor [slachtoffer] is komen te overlijden. De steek verliep van voor naar achter en schuin voetwaarts. Hieruit volgt dat de steek moet zijn aangebracht in een bovenhandse beweging en, mede gezien de overige verwondingen en het op het t-shirt van [slachtoffer] uitgevoerde textielonderzoek, met een riek. Daarnaast blijkt uit de sectiefoto’s dat [slachtoffer] ook ter hoogte van het middenrif is geraakt met de riek. Hierdoor zijn echter slechts oppervlakkige steekwonden ontstaan.

Kijkende naar deze omschrijvingen van de steekwonden, dan is er slechts één getuigenverklaring die hierbij past en dat is de verklaring van [getuige], die op zeer korte afstand van haar vader stond. [getuige] heeft (zie pag. 456 e.v. van het einddossier) onder meer verklaard:

Ik zag dat mijn vader onze voortuin inliep. Ik liep ook onze voortuin in. Net voordat ik de tuin inliep, zag ik nog dat [medeverdachte] de voortuin van de familie [familienaam] inrende. Ik liep in de richting van onze voordeur, omdat ik mijn woning in wilde gaan. Mijn vader stond toen nog in het midden van onze voortuin……

Op dat moment zag ik dat [medeverdachte] onze tuin met versnelde pas in kwam lopen. Ik zag dat [medeverdachte] een riek in zijn handen had. Ik zag dat [medeverdachte] met de riek vervolgens 1 keer in het lichaam van mijn vader stak. Dit was ter hoogte van zijn linkerborst/nek. Hij deed dit in een lopende beweging en met kracht met een voorwaartse bovenhandse beweging. Hij kwam niet echt aanrennen, maar hij liep in een snelle pas. Ik zag dat [medeverdachte] de riek aan de rechterzijde van zijn lichaam had. Ik zag dat [medeverdachte] zijn rechterhand op het handvat van de riek hield en met zijn linkerhand de steel vasthad. Ik zag dat de punten van de riek meer verticaal dan horizontaal aan de voorzijde in de linkerschouder/nek van mijn vader prikte.

Ik zag dat mijn vader de riek uit zijn lichaam trok. Ik heb niet goed gezien of hij dit met 1 of met zijn beide handen deed. [medeverdachte] had de riek toen nog steeds vast. Ik zag dat [medeverdachte] met de riek weer een stekende beweging maakte in de richting van het middenrif van mijn vader……… Ik zag wel dat mijn vader de riek met twee handen bij de steel vastpakte……

Ik pakte de steel van de riek ook met 2 handen vast en trok de riek samen met mijn vader in een achterwaartse beweging. Mijn vader en ik trokken de riek samen in de richting van onze woning. Ik merkte dat [medeverdachte] de riek niet losliet en maakte een schoppende beweging in de richting van [medeverdachte] zijn lichaam. Op dat moment liet [medeverdachte] de riek los en hadden mijn vader en ik de riek samen in onze handen.

De omschrijving door [getuige] van de eerste maal dat [medeverdachte] met de riek stak sluit naadloos aan bij de door de patholoog omschreven dodelijke verwonding die, mede gezien de sectiefoto's, onderdeel is van de steek met de riek die schuin loopt van de nek van [slachtoffer] tot in zijn linker borststreek.

De door [getuige] beschreven tweede steekbeweging van [medeverdachte] sluit aan bij de andere geconstateerde verwonding ter hoogte van het middenrif. Gelet hierop hecht de rechtbank veel waarde aan haar verklaring. Op grond daarvan concludeert de rechtbank dat [slachtoffer] is komen te overlijden door de in dit gevecht omschreven eerste steekbeweging. [getuige] noemt hierbij [verdachte] geheel niet.

De rechtbank stelt verder vast dat bij de totstandkoming van de verklaring van[getuige]uige], waarop de officier van justitie zijn bewezenverklaring baseert, sprake is van een wel heel behoorlijke druk. [getuige], toen nog maar net 13 jaar oud, werd op de bewuste tiende januari 2006, door twee verbalisanten gehoord om 10.32 uur, daarna om 13.15 uur door een verbalisant omtrent zijn inverzekeringstelling en aansluitend weer door twee verbalisanten. Vervolgens nogmaals door twee verbalisanten om 16.00 uur en pas toen verklaarde [getuige], terwijl hij dat steeds ontkend had, dat [verdachte] buurman [voornaam ] [slachtoffer] vasthad terwijl [medeverdachte] met de riek stak. Overigens verklaarde [getuige] dit nadat de verbalisanten hem hadden gevraagd of [verdachte] misschien [slachtoffer] vast had.

Weliswaar acht de rechtbank deze verhoormethodiek niet van dien aard dat reeds om die reden de verkregen verklaringen van het bewijs zouden moeten worden uitgesloten, maar de verklaringen die een kind van een dergelijke leeftijd dan aflegt hoeven niet zonder meer als nauwkeurig en correct te worden beschouwd.

Bovendien acht de rechtbank bedoelde verklaringen van [getuige] op een andere grond niet geloofwaardig. Als het is gegaan zoals [getuige] omschrijft, dan had [verdachte], terwijl hij achter [slachtoffer] stond, de handen van [slachtoffer] op zijn rug gehouden op een wijze alsof [slachtoffer] geboeid was. Op dat moment zou [medeverdachte] buurman [slachtoffer] hebben gestoken.

In de positie waarin [verdachte] en [slachtoffer] volgens [getuige] stonden en op de manier waarop volgens [getuige] [verdachte] zijn slachtoffer vasthield, is het naar het oordeel van de rechtbank echter onmogelijk dat door de rieksteek, die aan de voorzijde van het lichaam van [slachtoffer] in de linker borststreek de dodelijke verwonding veroorzaakte, tegelijkertijd de rechterhand van [verdachte] werd geraakt.

Dan rest de vraag hoe DNA van [verdachte] op twee riekpoten kon komen. Zowel [medeverdachte] als [verdachte] verklaren dat dit is gebeurd doordat [verdachte] buurman [slachtoffer] wegduwde toen hij zag dat [medeverdachte] hem wilde gaan steken. Dit verhaal wordt niet bevestigd door een van de getuigen, maar dat is niet onbegrijpelijk, nu er op dat moment een grote vechtpartij plaatsvond. [medeverdachte] verklaart dat hij niet weet of hij [slachtoffer] heeft geraakt toen hij, per ongeluk, zijn broer [verdachte] stak met de riek. [verdachte] heeft zich meteen hierna, zo zeggen beiden, van [slachtoffer] verwijderd en dat strookt weer met het feit dat [getuige], noch andere getuigen van de (eerste) steek met de riek op [slachtoffer], hebben verklaard dat zij [verdachte] op het moment van de bewuste steek hebben gezien. Als [verdachte] inderdaad [slachtoffer] had vastgehouden toen [medeverdachte] hem de dodelijke steek toebracht, dan had het voor de hand gelegen dat [getuige], die vlakbij haar vader stond en getuige was van die steekpartij, [verdachte] had gezien en daarover had verklaard.

Nu het niet onmogelijk moet worden geacht dat [verdachte] reeds eerder is geraakt door een steek met de riek, nog vóór dat [medeverdachte] naar [slachtoffer] toeging en hem neerstak, kan [verdachte] niet worden verweten dat hij mede schuldig is aan de dood van [slachtoffer].

De rechtbank spreekt [verdachte] dan ook vrij van het primair tenlastegelegde.

Wel zal zij [verdachte] veroordelen voor zijn aandeel in de vechtpartij op Nieuwjaarsochtend omdat hij actief heeft bijgedragen aan die vechtpartij, waarbij ook het latere slachtoffer [slachtoffer] betrokken was.

6.1 De uitgewerkte bewijsmiddelen.

7 Hetgeen bewezen is.

Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 1 januari 2006 te Roosendaal met anderen, op of aan de openbare weg, de Desmijndijk, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtofferchtoffer], welk geweld bestond uit het slaan met ijzeren voorwerpen en/of stokken en/of andere voorwerp(en) en/of slaan en/of stompen tegen het lichaam van die [slachtofferchtoffer];

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende misdrijf op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

9 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

10 De straffen en maatregelen.

10.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

10.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Met zijn familie heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstige vorm van openlijk geweld. De Nieuwjaarsviering, normaal toch een feestelijk gebeuren waarbij mensen elkaar het beste toewensen, werd wreed verstoord door een massale vechtpartij, waarbij met stokken en ijzeren staven welhaast werd ingehakt op de buurman en diens naasten. Op zulk extreem geweld past slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte is al eerder voor openlijk geweld met justitie in aanraking geweest. Hij zit sinds 1 januari 2006 in voorarrest. Voorts is verdachte in zekere zin al gestraft, enerzijds omdat zijn broer tijdens deze vechtpartij hun buurman heeft gedood, en verder omdat de vader van verdachte mede door de escalaties een hartstilstand kreeg en ondanks reanimatiepogingen van verdachte en anderen kwam te overlijden, terwijl verdachte de begrafenis van zijn vader niet heeft mogen bijwonen.

Ook zijn weinig meewerkende proceshouding betrekt de rechtbank bij de hoogte van de straf. Mede gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd acht de rechtbank een gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden.

11 De overwegingen omtrent de vordering van de benadeelde partijen.

De benadeelde partijen [slachtoffer], echtgenote van [vrouw slachtoffer], en dochter [dochter slachtoffer] hebben schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 3.000,-- ieder terzake van hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd. Nu voor dat feit aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en nu daarvoor ook niet artikel 9a van het wetboek van strafrecht wordt toegepast, dienen de benadeelde partijen in hun vorderingen niet ontvankelijk te worden verklaard.

12 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 27 en 141 van het wetboek van strafrecht.

13 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het onder 8 vermelde strafbare feit.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Zij heft de voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop deze gelijk is geworden aan de opgelegde straf.

Zij bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer] en [slachtoffer] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

Zij veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, begroot op nihil (BP.15)

Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, voorzitter, mr. Peters en mr. Hulskes, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Mertens en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7

juli 2006 (bij vervroeging).