Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AX8957

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-06-2006
Datum publicatie
20-06-2006
Zaaknummer
386022/CV/06-1058
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot voeging (art. 222 RV) afgewezen.

Geen c.q. onvoldoende verknochtheid (connexiteit) wat betreft de feitelijke en/of juridische geschilpunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 386022 CV EXPL 06-1058

vonnis d.d. 7 juni 2006

inzake

[eiser],

wonende te [adres],

eiser in de hoofdzaak / verweerder in het incident,

procederend krachtens voorwaardelijke toevoeging nr. 1DI 2749,

hierna te noemen “[eiser]”,

gemachtigde: mr. P.H.G.C. Gremmen te Etten-Leur,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde].,

statutair en feitelijk gevestigd te [adres]0,

gedaagde in de hoofdzaak / eiseres in het incident,

hierna te noemen “[gedaagde]”,

gemachtigde: mw. mr. M.G.H. Terhorst te Weert.

1. Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

in het incident en in de hoofdzaak:

1.1 het exploot van dagvaarding van 31 januari 2006, met producties;

1.2 de incidentele conclusie tot voeging tevens conclusie van antwoord, met producties;

1.3 de conclusie van antwoord in het incident tevens vermeerdering van eis, met producties.

De inhoud van deze stukken geldt als hier ingelast.

2. Het geschil

In de hoofdzaak:

[eiser] vordert in de hoofdzaak, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagde] om tegen deugdelijk bewijs van kwijting aan hem te voldoen:

a. het maandinkomen ad € 2.750,63 bruto vanaf datum hersteldmelding door [gedaagde] bij Arboned, 8 juli 2003, onder correctie van de door UWV inmiddels gedane betalingen namens eiser aan gedaagde en de inmiddels per wet e/o CAO verplichte loonsverhogingen;

b. tot uitvoering van haar loondoorbetalingsverplichtingen van het bruto maandinkomen met bij wet e/o CAO verplichte loonsverhogingen vanaf 26 april 2004, zoals in de gewijzigde wet per 1 januari 2004, ten tijde van ziekte is bepaald;

c. zijn tot 1 augustus 2005 opgebouwde 57 vakantie- en snipperdagen en de vakantietoeslag ad 8% met de bij wet e/o CAO verplichte loonsverhogingen;

d. 50% verhoging over de onder a t/m c hiervoor genoemde bedragen, wegens de aan [gedaagde] toe te rekenen bewuste en opzettelijke nalatigheden en feiten vervalsingen;

e. de eindejaarsgratificaties en winstdelingen over de periodes zoals genoemd onder a en b;

f. de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen onder a t/m e, tot aan de datum van algehele voldoening;

g. schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vanwege door [eiser] geleden schade, welke is veroorzaakt door [gedaagde];

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

[gedaagde] concludeert in de hoofdzaak tot het bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijk verklaren van de vorderingen van [eiser], althans afwijzing hiervan, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

In het incident:

[gedaagde] vordert in het incident voeging van de onderhavige zaak met de zaak tussen dezelfde partijen aanhangig met zaak/rolnummer 385985 CV EXPL 06-1028.

[eiser] concludeert in het incident tot verwerping van het incident tot voeging, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit incident.

3. De beoordeling

In de hoofdzaak en in het incident:

3.1 De kantonrechter gaat onder meer uit van de navolgende tussen partijen vaststaande feiten:

? [eiser] is op 1 oktober 1989 bij [gedaagde] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als lijnoperator 5-ploegendienst;

? Partijen verschillen van mening over de hoogte van het laatst door [eiser] genoten salaris;

? Bij beschikking van 24 maart 2005 heeft de Raad van Bestuur van de Centrale organisatie voor Werk en Inkomen aan [gedaagde] toestemming verleend om de arbeids-overeenkomst met [eiser] op te zeggen;

? Bij brief van 29 maart 2005 heeft [gedaagde] met gebruikmaking van bovengenoemde toestemming de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 augustus 2005.

In de hoofdzaak:

3.2 [eiser] stelt zich in de hoofdzaak op het standpunt, dat hij vanaf 26 april 2004 tot de datum van de algehele voldoening recht heeft op de loondoorbetalingen van € 2.750,63 bruto per maand plus de tussentijdse loonsverhogingen volgens de CAO en de wet, alsmede de 50% verhoging als sanctie wegens niet nakoming loonbetalingen. [eiser] meent voorts recht te hebben op tot het loon behorende vakantiedagen en –toeslag met daarover de 50% verhoging, alsmede de over die periodes hem toekomende eindejaarsgratificaties en winstdelingen. [eiser] maakt tenslotte aanspraak op de wettelijke handelsrentevergoe-dingen tot datum regelmatig ontbonden overeenkomst. [eiser] betwist het verweer van [gedaagde] en biedt bewijs aan van zijn stellingen.

3.3 [gedaagde] betwist bij antwoord gemotiveerd de afzonderlijke vorderingen van [eiser] en biedt eveneens bewijs aan van haar stellingen.

In het incident:

3.4 In het voegingsincident voert [gedaagde] aan, dat naast de onderhavige procedure [eiser] op 31 januari 2006 nog een dagvaarding heeft uitgebracht. Deze procedure loopt eveneens bij de Rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom, onder zaak/rolnummer 385985 CV EXPL 06-1028. In die procedure is eveneens op 15 maart 2006 een conclusie van antwoord genomen. Beide zaken zijn volgens [gedaagde] vrijwel identiek, een gedeelte van de vorderingen overlapt elkaar volgens [gedaagde] zelfs. Volgens [gedaagde] had [eiser] kunnen volstaan met het uitbrengen van één dagvaarding, waarin beide vorderingen waren opgenomen. Volgens [gedaagde] is de doelmatigheid gediend met een gelijktijdige behandeling van beide zaken. Dit vereenvoudigt volgens [gedaagde] ook de bewijslevering en het bespaart ook tijd voor zowel beide partijen als ook voor de kantonrechter.

Reden waarom [gedaagde] nu de voeging vordert van de onderhavige zaak met reeds genoemde andere tussen dezelfde partijen aanhangige zaak.

3.5 [eiser] bevestigt bij antwoord in het incident, dat hij een dagvaarding inzake kennelijk onredelijk ontslag en een dagvaarding inzake loonvordering en achterstallige betalingen heeft uitgebracht. Het gaat hierbij volgens [eiser] om aparte feitencomplexen. [eiser] verwijst in dit verband naar de inhoud van zijn dagvaardingen. Er is volgens hem geen sprake van connexiteit noch feitelijk noch in juridisch opzicht voor wat betreft de geschilpunten. Ook vertonen de geschilpunten in beide zaken volgens [eiser] geen enkele samenhang, ze zijn niet identiek aan elkaar, zodanig dat daarop een consistentie van uitspraak mogelijk en wenselijk is. Het feit, dat in beide zaken dezelfde partijen geschillen hebben doet hier volgens [eiser] niet aan af. [eiser] concludeert dan ook dat het incident tot voeging van [gedaagde] verworpen dient te worden.

3.6 De kantonrechter overweegt wat betreft de incidentele vordering het navolgende. Voeging ex artikel 222 Rv kan aan de orde zijn in geval voor dezelfde rechter tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn, of voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn. Van verknochtheid (connexiteit) is volgens de kantonrechter sprake wanneer feitelijke of juridische geschilpunten in de ene zaak identiek zijn aan die in de andere dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is. De kantonrechter stelt vast, dat bij beide zaken sprake is van dezelfde procespartijen en dat de zaken tegelijk aanhangig zijn. In zoverre is aan de in artikel 222 Rv genoemde voorwaarden voldaan. Met [eiser] is de kantonrechter echter van oordeel, dat de onderhavige zaken wat betreft feitelijke of juridische geschilpunten niet identiek zijn en ook is geen sprake van een dusdanige samenhang tussen de zaken, dat consistentie van de uitspraken wenselijk is. De ene zaak van [eiser] ziet immers op -kort gezegd- vorderingen uit hoofde van beweerdelijk kennelijk onredelijk ontslag terwijl de andere zaak ziet op vorderingen uit hoofde van achterstallige (loon)betalingen.

Bovenstaande betekent, dat de kantonrechter hierna de incidentele vordering van [gedaagde] zal afwijzen. [gedaagde] zal voorts worden veroordeeld in de kosten van het incident, waarbij rekening wordt gehouden met het feit, dat door [eiser] in beide zaken een identiek verweer kon worden gevoerd.

In de hoofdzaak voorts:

3.7 De hoofdzaak zal naar de rolzitting worden verwezen voor het nemen van een conclusie van repliek door [eiser]. De kantonrechter houdt in dat verband iedere verdere beslissing aan.

4. De beslissing

De kantonrechter:

in het incident:

wijst de vordering van [gedaagde] tot voeging af;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure in incident aan de zijde van [eiser] gevallen en veroordeelt haar mitsdien om te betalen aan de griffier van rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom door storting op het Bankrekeningnummer 19.23.25.779, Rabobank Nederland N.V. ten name van MvJ Arrondissement 535 Breda, de somma van € 200,00, zijnde het salaris voor de gemachtigde van [eiser];

verstaat, dat de griffier met dit bedrag zal handelen volgens het voorschrift van artikel 243 Rv;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rolzitting van:

woensdag, 5 juli 2006 te 11.00 uur

voor het nemen van een conclusie van repliek door [eiser];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 7 juni 2006.