Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AX0804

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-04-2006
Datum publicatie
10-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/2600
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2007:BA6693, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende en haar echtgenoot hebben in 1994 een koopovereenkomst met een verkoper gesloten, waarin onder meer is opgenomen dat de eigendomsoverdracht en het voldoen van de koopsom plaatsvinden uiterlijk drie maanden na het overlijden van de verkoper. De akte van levering wordt op 24 juni 2003 verleden en dan wordt eveneens de koopsom voldaan. Na verkoop van de woning is de eigendom van de woning, het economische belang en het risico van tenietgaan bij de verkoper gebleven. er is geen sprake van een omzetting van een vermogensbestanddeel in een genotsrecht dat eindigt bij het overlijden van de verkoper, waardoor artikel 10 SW 1956 niet van toepassing is.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 10, geldigheid: 2006-04-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 754
FutD 2006-0895
Belastingadvies 2006/11.10
V-N 2006/59.3.20

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/2600

Uitspraakdatum: 21 april 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [P], verweerder.

Eiseres en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 13 juni 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag in het recht van successie ter zake van het overlijden van [A], overleden op april 2003 (hierna: de erflater), berekend naar een verkrijging van € 352.889.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2006 te Heerlen. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [B], en [C], verbonden aan [D] te [Q], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, [E] bijgestaan door [F].

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een verkrijging van € 199.444;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet voldoen; en

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Bij notariële akte van september 1994 zijn erflater, als verkoper, en de echtelieden [B] en [X], als kopers, overeen gekomen dat verkoper zijn woning verkocht aan kopers. De erflater en de echtelieden hebben daarbij, voorzover te dezen van belang, het volgende bepaald:

- de notariële akte van eigendomsoverdracht en het voldoen van de koopsom vinden plaats op een tijdstip door verkoper te bepalen maar uiterlijk drie maanden na het metterwoon verlaten van het verkochte dan wel drie maanden na het overlijden van de verkoper;

- de koopsom bedraagt ƒ 345.000;

- het risico gaat eerst op koper over op het moment van de levering onder de verplichting van de verkoper de onroerende zaak naar "herbouwwaarde casu quo nieuwwaarde verzekerd te houden".

2.2. Op juni 2003 wordt de akte van levering verleden en wordt de koopsom voldaan.

2.3. In geschil is of bij belanghebbende ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak een fictieve verkrijging in de zin van artikel 10 Successiewet 1956 in aanmerking moet worden genomen.

2.4. De rechtbank is van oordeel dat artikel 10 Successiewet 1956 niet van toepassing is op de in 2.1 genoemde handeling. De rechtbank stelt voorop dat na verkoop van de woning in 1994 de eigendom bij erflater is gebleven en dat het economisch belang en het risico van tenietgaan eveneens bij erflater zijn gebleven.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 10 Successiewet 1956 blijkt dat deze wetbepaling betrekking heeft op rechtshandelingen, welke tot resultaat hebben dat een vermogensbestanddeel van een erflater is omgezet in een genotsrecht dat eindigt bij zijn overlijden. De hiervoor beschreven verkoop heeft niet tot een zodanige omzetting geleid. De verkoop beoogde slechts het na het overlijden van de erflater overdragen van de eigendom van de woning tegen het alsdan betalen van de koopsom. De eigendom van de woning bleef behoren tot het vermogen van de erflater, zodat van omzetting van die eigendom in een genotsrecht geen sprake was. Hieruit vloeit voort dat de erflater niet in verband met de verkoop van de woning het genot heeft gehad van een vruchtgebruik als bedoeld in artikel 10 Successiewet 1956. Gezien de aard van artikel 9 tot en met 11 SW 1956, lenen die bepalingen zich ook niet voor een uitleg ruimer dan de tekst toelaat. De stelling van de inspecteur, dat met de overeenkomst van 1994 een recht van gebruik is gevestigd wordt daarom door de rechtbank verworpen.

2.5. Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2006 door mr. C.A.F.M. Stassen, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. van Sleuwen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ‘s-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.