Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AX0710

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
21-04-2006
Datum publicatie
10-05-2006
Zaaknummer
AWB 05/3415
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is in zijn administratief beroep niet gehoord. Op grond van artikel 7:16 van de Awb, waarop in de AWR geen uitzondering is gemaakt, dient een beroepsorgaan belanghebbende eerst in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord alvorens deze op het beroep beslist. De zaak wordt terugverwezen naar de ontvanger.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2, geldigheid: 2006-04-21
Algemene wet bestuursrecht 7:16, geldigheid: 2006-04-21
Algemene wet inzake rijksbelastingen 25, geldigheid: 2006-04-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 756
FutD 2006-0904

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3415

Uitspraakdatum: 21 april 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de ontvanger van de Belastingdienst [P], verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en ontvanger.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de ontvanger van juli 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de bij de beschikking van juni 2005 in rekening gebrachte kosten voor het betekenen van dwangbevelen ter zake van de aan belanghebbende opgelegde aanslagen vermogensbelasting voor het jaar 1998, 1999 en 2000 en aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1997, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2006 te Heerlen. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens de ontvanger, [A].

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verwijst de zaak terug naar de ontvanger om opnieuw te beslissen op het beroep met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 324,68, en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden; en

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Met dagtekening juni 2005 heeft de inspecteur aan belanghebbende de voornoemde aanslagen opgelegd. Op juni 2005 heeft de belastingdeurwaarder voornoemde aanslagen op het adres [a-straat 1] te [Q] uitgereikt. De aanslagen zijn terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaard.

2.2. Met dagtekening juni 2005 heeft de belastingdeurwaarder de vervolgingskosten tot een totaalbedrag van € 7.147 vastgesteld bij voor administratief beroep vatbare beschikking en aan belanghebbende kenbaar gemaakt.

2.3. In geschil is de vraag of belanghebbende terecht niet is gehoord en of aan belanghebbende terecht vervolgingskosten in rekening zijn gebracht.

2.4. Op grond van artikel 7:16 van de Awb moet een beroepsorgaan belanghebbende eerst in de gelegenheid stellen te worden gehoord alvorens deze op het beroep beslist. Niet is in geschil dat belanghebbende niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Nu het bepaalde in artikel 25, vierde lid, van de AWR enkel ziet op het horen als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb is niet van belang of belanghebbende heeft verzocht te worden gehoord. Nu belanghebbende in beroep erover klaagt dat hij in administratief beroep niet is gehoord moet reeds op die grond de bestreden uitspraak worden vernietigd. De ontvanger dient belanghebbende dan alvorens wederom in administratief beroep te beslissen deze in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Op grond van het vorenstaande is het beroep gegrond en behoeft de tweede in geschil zijnde vraag geen behandeling.

3. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Voor de overige door belanghebbende genoemde proceskosten, te weten belanghebbendes reiskosten wordt de ontvanger, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 2,68.

Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2006 door mr. C.A.F.M. Stassen, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. van Sleuwen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ‘s-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.