Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AW4430

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
26-04-2006
Datum publicatie
27-04-2006
Zaaknummer
02/993013-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"In strijd met het verbod van artikel 5 lid 1 van de Wet op de Accijns sigaretten voorhanden hebben die niet in de heffing zijn betrokken"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 02/993013-04

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum en plaats],

wonende [adres]

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsvrouw, mr. Van den Noort, advocate te Rotterdam.

2 De tenlastelegging.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het wetboek van strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 2 maart 2004

te Werkendam en/of te Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg en/of te Giessen, gemee

Giessenlanden en/of te Heukelum, gemeente Lingewaal, in elk geval in

Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit de medeverdachte(n) [mededader] en/of een of meer andere (onbekende) verdachte(n) en hij, verdachte,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (telkens)

het (stelselmatig en/of op grote schaal) (ter invoer en/of doorvoer en/of

uitvoer) voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) welke

niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren

betrokken (art. 5 jo 97 Wet op de accijns);

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2003 tot en met

02 maart 2004 te Werkendam en/of te Wijk en Aalburg, Gemeente Aalburg en/of te

Giessen, gemeente Giessenlanden en/of te Heukelum, gemeente Lingewaal en/of te

Roosendaal, in elk geval (elders) in Nederland, en/of in Frankrijk,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, in strijd met het verbod van artikel 5 lid 1 van

de Wet op de Accijns, opzettelijk (een) hoeveelhe(i)d(en) accijnsgoed(eren),

namelijk tabaksproducten als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder f van genoemde

wet, te weten sigaretten, onder meer:

- op of omstreeks 31 oktober 2003 een hoeveelheid van (ongeveer) 1.964.000

sigaretten (zie hfdst. 7)

- in of omstreeks de periode van 01 november 2003 tot en met 30 november 2003

een hoeveelheid van (ongeveer) 9.727.000 sigaretten (zie hfdst. 5.1) en/of

- in of omstreeks de periode van 12 december 2003 tot en met 20 december 2003

een hoeveelheid van (ongeveer) 3.780.000 sigaretten (zie hfdst. 5.2) en/of

- in of omstreeks de periode van 14 januari 2004 tot en met 19 januari 2004

een hoeveelheid van (ongeveer) 2.397.000 sigaretten (zie hfdst. 5.3) en/of

- op of omstreeks 2 maart 2004 een hoeveelheid van (ongeveer) 982.760

sigaretten (zie hfdst. 5.4),

althans (telkens) een (groot) aantal sigaretten voorhanden heeft/hebben gehad

dat telkens niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in

de heffing was betrokken;

art 5 lid 1 onder b Wet op de accijns

3.

hij op of omstreeks 02 maart 2004 te Werkendam en/of te Veen, gemeente Aalburg,

in elk geval in Nederland, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk/met het opschrift Browning, type/model

FN, kaliber 7.65 mm, met daarbij een hoeveelheid voor dat vuurwapen geschikte m

voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2004 tot en met 2 maart 2004 te

Werkendam en/of te Giessen, gemeente Giessenlanden, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) contract, -

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

als ware dat geschrift echt en onvervalst, terwijl hij wist of had moeten

vermoeden dat dit geschrift bestemd was tot zodanig gebruik,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

voornoemd contract heeft/hebben overhandigd aan een ander,

te weten [mededader], welke [mededader] voornoemd contract (vervolgens) in zijn

administratie, althans de administratie van het bedrijf [naam bedrijf],

heeft opgenomen en/of heeft doen opnemen en bestaande die valsheid of en/of

die vervalsing hierin dat:

- voornoemd contract is opgemaakt door en/of namens (een) ander(en) dan de in

voornoemd contract vermelde perso(o)n(en) en/of bedrijf/bedrijven en/of

- voornoemd contract is opgemaakt en/of ondertekend op een andere (latere)

datum dan de in het contract vermelde datum en/of

- de handtekening onder voornoemd contract niet is geplaatst door de bij de

handtekening vermelde persoon, althans de handtekening is (na)gemaakt door een

ander dan de daarbij vermelde persoon;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Ten aanzien van feit 4 is door de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie geen duidelijke opgave van het feit heeft gedaan. In de tenlastelegging staat vermeld dat opzettelijk gebruik is gemaakt van een vals/vervalst contract. In het vervolg van de tenlastelegging wordt ook steeds verwezen naar het contract zonder dat dit nader wordt aangeduid. Hierdoor is, aldus de verdediging, de tenlastelegging onvoldoende feitelijk, zodat het onduidelijk is hoe de officier van justitie het verwijt precies ziet en waartegen het verweer zich zou moeten richten. Dit dient tot nietigheid van het onder 4 tenlastegelegde te leiden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op de nadere uitwerking van dit feit moet het de verdediging duidelijk zijn geweest waarop het tenlastegelegde betrekking heeft. Uit het proces-verbaal blijkt namelijk dat het tenlastegelegde slechts op één contract (dat is overhandigd aan [mededader]) betrekking kan hebben.

De rechtbank merkt terzijde op dat het haar bekend is dat bij één van de medeverdachten ([mededader]), bij wie dit feit ook is tenlastegelegd, wel een specifieke verwijzing naar het contract is opgenomen en het openbaar ministerie dit om onbegrijpelijke redenen in de onderhavige zaak heeft nagelaten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte echter niet in zijn verdediging is geschaad door de wijze waarop het feit thans is tenlastegelegd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is ook overigens gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

7.1 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

In de tenlastelegging is vermeld dat het gebruikmaken van een vals contract heeft bestaan in het overhandigen door verdachte van het contract aan [mededader], die het vervolgens heeft opgenomen dan wel doen opnemen in zijn bedrijfsadministratie. Dit levert volgens vaste jurisprudentie nog geen “gebruik maken” in de zin van artikel 225 lid 2 van het wetboek van strafrecht op, aangezien niet gezegd kan worden dat door het enkele overhandigen van het contract aan een derde en het opnemen dan wel doen opnemen in de bedrijfsadministratie door die derde is voldaan aan het vereiste dat het contract is gebezigd ter misleiding van degene voor wie het bestemd is. Weliswaar heeft [mededader] het bedoelde contract ter misleiding doen overhandigen aan medewerkers van de FIOD, maar deze feitelijke handeling is niet ten laste gelegd als onderdeel van datgene waaruit het gebruik maken zou hebben bestaan.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vrijspraak van het bij feit 2 onder het eerste gedachtenstreepje tenlastegelegde het volgende.

Ten aanzien van de sigaretten die vanuit Spanje naar Nederland zouden worden vervoerd, maar die door de douane in Frankrijk zijn onderschept, en waar dus geen sprake was van voorhanden hebben in Nederland, bestond, in tegenstelling tot de sigaretten die in Nederland zijn uitgeladen, zoals de rechtbank hierna zal overwegen, geen accijnsplicht op grond van de Wet op de Accijns, zodat geen sprake is van overtreding van art 5 Wet op de accijns.

7.2 Hetgeen bewezen is

Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 oktober 2003 tot en met 2 maart 2004

te Werkendam en te Wijk en Aalburg, gemeente Aalburg en te Giessen, gemeente

Giessenlanden en te Heukelum, gemeente Lingewaal,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep van natuurlijke personen , bestaande uit de medeverdachte [mededader] en een of meer andere (onbekende) verdachte-n- en hij, verdachte,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (telkens)

het (stelselmatig en/of op grote schaal) (ter invoer en/of doorvoer en/of

uitvoer) voorhanden hebben van accijnsgoederen (te weten sigaretten) welke

niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren

betrokken;

2.

in de periode van 1 oktober 2003 tot en met

02 maart 2004 te Werkendam en te Wijk en Aalburg, Gemeente Aalburg en te

Giessen, gemeente Giessenlanden en te Heukelum, gemeente Lingewaal ,

tezamen en in vereniging met ander-en-, in strijd met het verbod van artikel 5 lid 1 van

de Wet op de Accijns, opzettelijk hoeveelheden- accijnsgoed-eren-,

namelijk tabaksproducten als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder f van genoemde

wet, te weten sigaretten, onder meer:

in de periode van 01 november 2003 tot en met 30 november 2003

een hoeveelheid van (ongeveer) 4.651.400 sigaretten (zie hfdst. 5.1) en

in de periode van 12 december 2003 tot en met 20 december 2003

een hoeveelheid van (ongeveer) 3.780.000 sigaretten (zie hfdst. 5.2) en

in de periode van 14 januari 2004 tot en met 19 januari 2004

een hoeveelheid van (ongeveer) 2.379.000 sigaretten (zie hfdst. 5.3) en

op 2 maart 2004 een hoeveelheid van (ongeveer) 982.760

sigaretten (zie hfdst. 5.4),

voorhanden heeft gehad die telkens niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in

de heffing waren betrokken;

3.

op 02 maart 2004 te Veen, gemeente Aalburg,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Browning, type/model

FN, kaliber 7.65 mm, met daarbij een hoeveelheid voor dat vuurwapen geschikte munitie

voorhanden heeft gehad;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Het verweer van de verdediging ten aanzien van feit 1:

Er is geen sprake van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het wetboek van strafrecht, nu er geen gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer (rechts) personen met een bepaalde organisatiegraad was. Daarvan is sprake als er binnen het samenwerkingsverband bepaalde regels en een gezamenlijke doelstelling bestaan waardoor er op individuele leden druk uitgeoefend kan worden om zich aan de regels te houden. Voorts is een zekere bestendigheid van het samenwerkingsverband noodzakelijk.

Van dit alles is, aldus de verdediging, niet gebleken.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1:

Uit het onderzoek is gebleken dat een kleine kring personen, waaronder verdachte, [mededader] en in elk geval nog iemand door wie verdachte werd aangestuurd of die hem opdrachten bezorgde, hebben deelgenomen aan een samenwerkingsverband dat tot oogmerk had het plegen van - kort gezegd - sigarettensmokkel.

Verdachte heeft zelf ter zitting verklaard dat [mededader], inmiddels overleden, hem opdrachten met betrekking tot de transporten gaf, ten aanzien van welke transporten verdachte vermoedde dat er wat mee aan de hand was.

Daarnaast komt in het dossier de naam [mededader] naar voren, ten aanzien van wie na onderzoek is gebleken dat hij antecedenten op het gebied van de sigarettenhandel/-smokkel had. Het lijkt aannemelijk dat hij degene is geweest met wie verdachte in het Sheraton hotel in Amsterdam een ontmoeting had, over welke ontmoeting verdachte geen nadere mede-delingen wilde doen in verband met zijn veiligheid.

Gelet hierop acht de rechtbank vaststaan dat er nog een derde bij de organisatie was betrokken, die verdachte en medeverdachte [mededader] aanstuurde.

Verdachte komt uit het onderzoek naar voren als degene die de contacten onderhield met leveranciers en afnemers en in die zin hiërarchisch een hogere positie innam dan medeverdachte [mededader], die als bedrijfsleider van Wemach veeleer degene was die de chauffeurs en de ompakkers van de zendingen sigaretten aanstuurde.

De rechtbank leidt uit het aandeel van verdachte en medeverdachte [mededader] in de organisatie af dat hun opzet (ten minste in voorwaardelijke vorm) was gericht op het verwezenlijken van het misdadig oogmerk van de organisatie.

Ter zitting heeft verdachte verklaard op een bepaald moment te zijn geconfronteerd met een voldongen feit en bij de strafbare feiten betrokken te zijn geraakt. De rechtbank is gebleken dat hij niettemin zijn medewerking is blijven verlenen aan het (doen) verrichten van de transporten en het ompakken van de ladingen. Niet vereist is dat verdachte en medeverdachte [mededader] enige vorm van opzet hebben gehad op door de organisatie beoogde concrete misdrijven.

Ter zitting is duidelijk geworden dat medeverdachte [mededader] eerst in oktober 2003 op de hoogte was van de sigarettensmokkel. In het dossier zijn aanwijzingen dat verdachte zich reeds langere tijd bezighield met soortgelijke feiten. De rechtbank zal, gelet op het tijdstip waarop ten aanzien van medeverdachte [mededader] kan worden bewezen verklaard dat hij is gaan deelnemen aan de organisatie, welk tijdstip ongeveer samenvalt met het moment waarop hij ervan op de hoogte raakt dat er sigaretten werden gesmokkeld, de tenlastegelegde periode beperken van 1 oktober 2003 tot en met 2 maart 2004, nu de

organisatie vanaf dat moment meer vorm kreeg. In die periode hebben diverse transporten met sigaretten plaatsgevonden.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte en medeverdachte [mededader] hebben deelgenomen in een criminele organisatie, nu aan de daarvoor gestelde vereisten is voldaan.

Feit 2: Voorhanden hebben van een hoeveelheid sigaretten van 4.651.400 stuks in de periode van 1 november 2003 tot en met 30 november 2003 (lading met peren):

Het verweer van de verdediging:

Om vast te kunnen stellen of in strijd met de Wet op de accijns is gehandeld dient bewezen te worden dat de sigaretten niet eerder in een andere lidstaat van de EG in de accijnsheffing waren betrokken. Ten aanzien van de 9.727.000 sigaretten (het tenlastegelegde aantal) geldt dat deze niet in beslag genomen zijn. Of over deze sigaretten op enig moment accijns is betaald staat niet onomstotelijk vast en derhalve dient vrijspraak van dit onderdeel te volgen.

Het oordeel van de rechtbank:

In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg van 5 april 2001, C-325/99, heeft dit Hof voor recht verklaard dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben in het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74/EG van de Raad van 22 december 1994, aldus moet worden uitgelegd, dat het enkele voorhanden hebben van een accijnsproduct in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn uitslag tot verbruik is, wanneer over dat product nog geen accijns is voldaan overeen-komstig de geldende communautaire bepalingen en nationale wetgeving.

Gelet op de wijze van vervoer van de sigaretten - onder een deklading van peren – gaat de rechtbank ervan uit dat deze niet voorzien waren van accijnszegels. De deklading zou dan immers geen nut hebben gehad. Die sigaretten zijn in een van de in de dagvaarding genoemde plaatsen in Nederland uitgeladen. Gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen omtrent de rol van verdachte en zijn medeverdachte binnen de organisatie die deze transporten regelde, moet worden geoordeeld dat hij samen met zijn medeverdachte de beschikkingsmacht had over deze goederen en mitsdien dat zij deze goederen voorhanden hadden.

Voornoemde omstandigheden deden een accijnsplicht voor deze goederen ontstaan.

Mitsdien is ten aanzien van deze goederen sprake van overtreding van art. 5 Wet op de accijns.

Uit de sms-gesprekken die gevoerd werden in de periode van 20 november 2003 tot en met 24 november 2003 kunnen in het bijzonder de sms-gesprekken van 21 november 2003 worden herleid naar de lading peren die in de tenlastelegging wordt bedoeld blijkens de verwijzing naar hoofdstuk 5.1. en de daarbij behorende beschrijving in het proces-verbaal. De overige sms-jes zien op andere ladingen, die geacht moeten worden niet uitgeschreven te

zijn, maar die wel binnen de periode waarin de organisatie werkzaam was hebben plaatsgevonden.

De betrokkenheid van verdachte en medeverdachte [mededader] bij dit feit blijkt onder meer uit de verklaringen van Van Beek, Boom en [mededader]. [mededader] is ook betrokken geweest bij het uitladen van de trailer met peren.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en medeverdachte [mededader] in voornoemde periode een hoeveelheid van 4.651.400 sigaretten (in plaats van 9.727.000) sigaretten zonder accijnszegels voorhanden hebben gehad.

Feit 2: Voorhanden hebben van een hoeveelheid sigaretten van ongeveer 3.780.000 stuks in de periode van 12 december 2003 tot en met 20 december 2003 (lading polypropyleen):

Het verweer van de verdediging:

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het om een opdracht van [mededader] ging en tevoren niet te hebben geweten dat er sigaretten in de lading polypropyleen zaten. Pas bij het uitladen bleek dat de sigaretten verborgen zaten in de lading.

Het oordeel van de rechtbank:

Verdachte heeft over dit feit ter zitting verklaard dat hij wist dat er wat met de lading aan de hand was. Gebleken is uit tapgesprekken en SMS-berichten dat er voorafgaande en gedurende het transport van de rollen polypropyleen vanuit Spanje naar Nederland er intensief contact is geweest tussen verdachte, medeverdachte [mededader] en anderen. Het transport werd op verzoek van verdachte of [mededader] begeleid door [mededader]. [mededader] is met een personenauto voor de vrachtauto uitgereden. Hij ontving hiervoor van [mededader] € 500,-. Uit de verklaring van [mededader] blijkt dat hij twee keer rollen polypropyleen voor op- en overslag heeft ontvangen in opdracht van verdachte, één keer in december 2003 en één keer daarvoor. Op 20 december 2003 is de container, waarin was overgeladen voor verscheping naar Ierland in Rotterdam gecontroleerd. Daarbij is gebleken dat de lading bestond uit sigaretten zonder accijnszegel. Naar aanleiding daarvan kreeg [mededader] in de tweede helft van januari 2004 een contractje van verdachte aangeboden om daarmee te kunnen verklaren dat hij alleen maar op- en overslag van de sigaretten had gedaan in zijn loods en verder nergens mee te maken had. De verklaring van [mededader] in dit verband geeft ook duidelijk de wetenschap van haar vader met betrekking tot de inhoud van de ladingen aan.

Gelet op voornoemde omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte moet hebben geweten dat het om een transport van sigaretten ging. Zij acht dit onderdeel dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2: Voorhanden hebben van een hoeveelheid sigaretten van ongeveer 2.379.000 stuks in de periode van 14 januari 2004 tot en met 19 januari 2004 (stalen balken):

Het verweer van de verdediging:

Verdachte heeft ter zitting verklaard in opdracht van [mededader] te hebben gehandeld en tevoren niet te hebben geweten dat er sigaretten in de lading stalen balken zaten. Pas bij het uitladen bleek dat de sigaretten verborgen zaten in de balken.

Het oordeel van de rechtbank:

Verdachte heeft over dit feit ter zitting verklaard dat hij wist dat er wat met de lading aan de hand was.[mededader] heeft over dit feit bij de politie verklaard dat hij en verdachte wisten dat er in het constructiemateriaal sigaretten verstopt zaten. Ook dit transport is begeleid door [mededader]. Hij werd hierover medio/eind december 2003 gebeld door [mededader]. [mededader] begreep toen dat het om sigaretten ging.

De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte wist dat het om een transport van sigaretten ging en acht dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2: Voorhanden hebben van een hoeveelheid sigaretten van ongeveer 982.760 stuks op 2 maart 2004 (wafels):

Het verweer van de verdediging:

Verdachte heeft ter zitting verklaard niet te hebben geweten dat er sigaretten in de lading verstopt zaten. Pas bij het lossen van de lading wafels zijn de sigaretten ontdekt. Goessens had hem gevraagd om opslag van wafels. Verdachte zou hem tevoren nog hebben gezegd dat hij geen rotzooi wilde. Bij de rechter-commissaris heeft Goessens hierover een onjuiste verklaring afgelegd.

Het oordeel van de rechtbank:

De lading is door Goessens in Werkendam afgeleverd bij verdachte. Verdachte heeft toen opdracht gegeven aan [mededader] en [mededader] om de wafels van de sigaretten te scheiden. De sigaretten zijn vervolgens overgebracht naar een loods op het bedrijfsterrein van Korenwaard BV te Heukelum. De loods bleek gehuurd te zijn door verdachte. De partij is op 2 maart 2004 daar aangetroffen.

Wat er zij van de rol van Goessens, vaststaat dat verdachte en [mededader] zich als heer en meester over de partij sigaretten hebben gedragen. Verdachte heeft de sigaretten laten ompakken en afgevoerd naar een loods in Heukelum en [mededader] nam sigaretten van de partij af om weg te geven.

De rechtbank acht ook hier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [mededader] opzettelijk sigaretten zonder accijnszegels voorhanden hebben gehad.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

1.

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

2.

Medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, meermalen gepleegd.

3.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie III.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen ten laste van hem bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Tijden het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het tenlastegelegde op te leggen een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van het voorarrest en een geldboete van € 500.000,-.

Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige sigarettensmokkel.Om de sigaretten aan het oog van de douane te onttrekken werd tijdens vrachtwagentransporten gebruik gemaakt van zogenaamde dekladingen.

Een sigarettensmokkel met de omvang waarvan hier sprake is verstoort de reguliere markt voor sigaretten in de EU en werkt bovendien ontwrichtend op het systeem van een gemeenschappelijke economische ordening die in Europees verband wordt nagestreefd. De bewezenverklaarde feiten hebben als resultaat gehad dat voor zeer grote bedragen aan accijns is ontdoken, alsmede dat bonafide bedrijven, die wel aan de accijnsrechtelijke verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie is aangedaan. Ook is het in Europese landen gevoerde beleid om door hoge prijzen het gebruik van sigaretten te ontmoedigen teneinde de

schadelijke gevolgen daarvan voor de volksgezondheid te beperken, gefrustreerd. Door het niet betalen van de accijns op bedoelde sigaretten is de Nederlandse staat benadeeld voor een groot bedrag.

Verdachte heeft in de organisatie een vooraanstaande rol vervuld. Hij was degene die de contacten onderhield met de leveranciers, afnemers en opdrachtgevers. De rechtbank acht zijn rol zwaarder dan die van medeverdachte [mededader] die veeleer degene was die bij aankomst van de transporten het ompakken coördineerde. De rechtbank zal om die reden aan verdachte een hogere straf opleggen dan aan zijn medeverdachte [mededader].

Verdachte heeft bovendien een vuurwapen en munitie in bezit gehad. De wetgever heeft het bezit hiervan verboden, nu de veiligheid in de samenleving daardoor ernstig wordt bedreigd.

Verdachte heeft een vrijwel blanco strafblad.

De rechtbank acht het opleggen van een gevangenisstraf zoals door de officier van justitie gevorderd een juiste sanctie. De door de officier van justitie gevorderde geldboete van

€ 500.000,- zal de rechtbank achterwege laten, nu zij die straf gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet passend acht.

12 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 47, 57 ,91 en 140 van het wetboek van strafrecht, de artikelen 5, 97 en 104 van de Wet op de accijns en de artkel 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie.

13 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen onder feit 4 en onder het eerste liggende streepje bij feit 2 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7.2 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de onder 9 vermelde strafbare feiten.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mrs. Volkers en Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Oostlander-Vink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 april 2006, zijnde mr. Peeters buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.