Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AW3843

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-04-2006
Datum publicatie
26-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/2064
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2007:BB2231, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"Kapitaaluitkering op grond van een door een grensarbeider (inwoner van Nederland) in België afgesloten groepsverzekering is in 2001 belast.

Belanghebbende was als inwoner van Nederland werkzaam in de Belgische grensstreek. Belanghebbende is vanaf 1963 deelnemer in een pensioenregeling, die door de Belgische werkgever in eigen beheer werd gehouden. In 1997 heeft hij gekozen voor het systeem van pensioenkapitalisatie en heeft hij zich aangesloten bij een groepsverzekeringsovereenkomst. Vanaf dat moment gaat belanghebbende een pensioenpremie betalen. Op het moment van pensionering krijgt belanghebbende een kapitaal uitgekeerd waarvan hij vindt dat deze onbelast is omdat er naar zijn mening sprake is van een, op grond van het overgangsrecht, onbelaste kapitaalsuitkering. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een pensioenregeling in de zin van art. 1.7, lid 2, onderdeel c Wet IB 2001, welke op grond van art. 3.82, onderdeel c Wet IB 2001 tot het loon dient te worden gerekend. De rechtbank is ook van oordeel dat art 18 van het verdrag met België (1970) de heffing daarover aan Nederland toewijst. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen. Het beroep wordt ongegrond verklaard."

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 1.7, geldigheid: 2006-04-07
Wet inkomstenbelasting 2001 3.82, geldigheid: 2006-04-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 738
FutD 2006-0813
V-N 2006/59.3.1

Uitspraak

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/2064

Uitspraakdatum: 7 april 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [P],

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen van € 307.771.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld en daarbij is door de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37.

1.3. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2005 te Breda.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [A] te [Z], alsmede, namens de inspecteur, [B] tot bijstand vergezeld van [C].

1.5. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, geboren op 00.00.00, is gehuwd en woont te [Z].

2.2. Belanghebbende was vanaf april 1963 in België in loondienst werkzaam bij [D] N.V. ([D]), gevestigd te Brussel. In verband met het bereiken van de 60-jarige leeftijd is de dienstbetrekking met ingang van november 2001 beëindigd.

2.3. Op grond van artikel 15, derde lid, aanhef en ten eerste, van de Overeenkomst tussen de regering van Nederland en de regering van België tot het vermijden van dubbele belasting naar het inkomen 1970 (hierna: het Verdrag) is de heffingsbevoegdheid ter zake van het loon dat belanghebbende uit hoofde van voormelde dienstbetrekking geniet aan Nederland toegewezen.

2.4. Het Belgische brutoloon over 2001 bedraagt € 41.349. Sinds 1 december 2001 ontvangt belanghebbende een Belgisch rustpensioen. Op 7 mei 2003 is de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2001 overeenkomstig de aangifte opgelegd.

2.5. Op 25 juli 2003 heeft de Belastingdienst/Fiod Internationaal een opgave ontvangen van de door belanghebbende genoten Belgische lonen, uitkeringen en pensioenen. Hieruit blijkt dat belanghebbende naast zijn loon en rustpensioen in 2001 de volgende bedragen heeft ontvangen:

1. € 222.170 afkomstig van [E] en omschreven als “Kapitalen, afkoopwaarden en andere toelagen in kapitaal”. Op dit bedrag is € 37.391 Belgische bedrijfsvoorheffing ingehouden.

2 € 57.267 afkomstig van [F] NV en omschreven als “Kapitalen, afkoopwaarden en andere toelagen in kapitaal”. Op dit bedrag is € 9.366 Belgische bedrijfsvoorheffing ingehouden.

Deze bedragen zijn in de aangifte niet als een onderdeel van het belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven.

2.6. Belanghebbende is vanaf 8 april 1963 deelnemer geworden in de pensioenregeling van zijn werkgever Elektrabel. Tot 1 juni 1997 is er sprake van een (aanvullende) pensioenregeling in eigen beheer van de werkgever. Medio 1997 heeft belanghebbende gekozen voor het systeem van pensioenkapitalisatie en zich aangesloten bij [E]. De aanvullende pensioenen werden vanaf dat moment opgebouwd bij een pensioenfonds en een verzekeringsmaatschappij. Het gevolg van de pensioenkapitalisatie is dat op pensioendatum in plaats van een jaarlijks pensioenuitkering een eenmalig kapitaal wordt uitgekeerd.

2.7. Als gevolg van de in 2.6. bedoelde keuze moest belanghebbende vanaf 1 juni 1997 een persoonlijke bijdrage betalen. De specificatie van de premiebetalingen is als volgt:

werkgever belanghebbende totaal

1997 € 1.870 € 758 € 2.628

1998 € 1.859 € 754 € 2.613

1999 € 1.974 € 760 € 2.734

2000 € 1.917 € 729 € 2.646

2001 € 8.444 € 1.019 € 9.463

Bij de berekening van het belastbare loon over de vermelde jaren is het aandeel van de werkgever niet tot het fiscale loon gerekend en is de (op het loon ingehouden) bijdrage van belanghebbende niet op het fiscale loon in mindering gebracht.

2.8. Blijkens bijlage 14 bij het verweerschrift omschrijft belanghebbende de verzekering als volgt:

“volgens de Belgische belasting zijn de persoonlijke bijdragen van een groepsverzekering conform de toelichting bij het Belgisch belastingbiljet persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom, vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of een kapitaal bij leven of overlijden.”.

2.9. Artikel 34 van de Belgische Wet van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB) luidde in 2001, voor zover hier van belang, als volgt:

Ҥ1. Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen omvatten, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend:

(…)

2° pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 145/1, 1°, of door middel van bijdragen als vermeld in de artikelen 145/1, 2°, en 145/17, 1°, of door middel van werkgeversbijdragen;”.

2.10. De inspecteur heeft de in 2.5. vermelde bedragen alsnog tot belanghebbendes belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend en heeft een navorderingsaanslag opgelegd waarbij het belastbare inkomen als volgt is berekend:

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 39.813

Bij: [E] € 222.170

Bij [F] € 57.267

Af: niet afgetrokken premies € 11.479 -/-

Nader vastgesteld belastbaar inkomen uit € 307.771

woning en werk

2.11. Belanghebbendes gemachtigde heeft in een brief van 14 december 2001 aan de

inspecteur het volgende -voor zover hier van belang- aan de orde gesteld:

“Hierbij verzoek ik u om een standpuntbepaling in te nemen over de volgende zaak:

Door belastingplichtige [G] wordt een uitkering ontvangen inzake beëindiging van zijn beroepsloopbaan bij [D] i.v.m. pensionering. Deze uitkering is een kapitaaluitkering conform de bijgevoegde stukken en wordt dan ook aan [G] binnenkort uitbetaald. Door belastingplichtige is al jaren geleden de keus gemaakt om dit als een kapitaaluitkering uit te laten betalen, vandaar ook dat hij de door hem betaalde premie nooit in mindering heeft gebracht op zijn belastbaar inkomen, conform de in het verleden gemaakte afspraken over de behandeling van de aftrekbaarheid van deze aanvullende premies…(…). Vandaar dan ook dat ik u nu om een standpuntbepaling over deze zaak verzoek waarbij duidelijk moet zijn hoe fiscaal te handelen in deze zaak.

1. Is belastingplichtige over deze uitkering Nederlands belastingplichtig of bestaat er een keuzemogelijkheid?

2. Zijn op deze uitkering de fiscale regels van vrijstelling van toepassing en zo ja welke?

3. Hoe hoog is de te betalen belasting over de te verstrekken uitkering?”.

Een antwoord op deze brief bevindt zich niet bij de stukken..

2.12. In België is een bezwaarschrift ingediend tegen de onder 2.5. vermelde ingehouden bedrijfsvoorheffing. In verband hiermee is op 17 juni 2003 door de inspecteur een woonplaatsverklaring afgegeven. Belanghebbende heeft hierop in 2004 de ingehouden bedrijfsvoorheffing van in totaal € 46.757 teruggestort gekregen.

3. Het geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Behoren de van [E] en [F] ontvangen bedragen tot het belastbaar inkomen uit werk en woning,

a. primair omdat er sprake is van een pensioen van een andere Mogendheid als bedoeld in artikel 1.7, lid 2, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) dat op grond van het bepaalde in artikel 3.82, onderdeel c, van de Wet IB 2001 belast is, dan wel,

b. (meer) subsidiair omdat er sprake is van een belast element van een kapitaaluitkering uit levensverzekering?

2. Heeft de inspecteur het in rechte te honoreren vertrouwen gewekt dat de bedragen afkomstig van [E] en [F] in Nederland niet belast zouden zijn?

3.2. Belanghebbende is van oordeel dat de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend moeten worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Belanghebbende heeft gesteld zijn beroep mede te richten tegen de door de inspecteur in acht genomen beslistermijn bij het doen van uitspraak op het ingediende bezwaar. Nadat belanghebbende er op is gewezen dat de inspecteur zijn besluit binnen de eenjaarstermijn als bedoeld in artikel 25, lid 1 AWR heeft genomen, heeft belanghebbende zijn grief hieromtrent laten varen.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Ik heb kapitaaluitkeringen ontvangen die op grond van het overgangsrecht onbelast zijn.

[H] heb ik van alle relevante informatie met betrekking tot de uitkeringen voorzien. [H] heeft niet gesteld dat het een onbelaste kapitaaluitkering was. Hij heeft wel gezegd dat de heffing over de uitkeringen aan Nederland toegewezen was.

De inspecteur

De onderhavige uitkeringen zijn nadrukkelijk als pensioen naar Belgisch recht te kenschetsen. In casu zijn de uitkeringen te kenschetsen als een zogenaamde tweede pijlervoorziening op grond van een groepsverzekering. Bij de opbouw van een pensioenrecht op grond van een groepsverzekering worden in België faciliteiten gegeven. Op het moment dat het pensioenkapitaal tot uitkering komt, vindt de heffing plaats (10, 16 of 33%).

De renseignering van de uitkeringen door de Belgische autoriteiten brengt met zich mee dat er sprake is van pensioen omdat er alleen internationale gegevensuitwisseling plaatsvindt met betrekking tot lonen en pensioenen.

Indien belanghebbende kan aantonen dat hij ook voor 1997 pensioenpremies in verband met de onderhavige afgesloten groepsverzekering heeft betaald zal ik deze alsnog, ambtshalve, in mindering brengen op het belastbaar inkomen uit werk en woning.

Ten aanzien van het verzoek om een standpuntbepaling heb ik onderzocht en bij [H] navraag gedaan of er op die brief ook is geantwoord. Er is geen schriftelijke standpuntbepaling gevonden en ook [H] kon zich geen inhoudelijke discussie herinneren.

3.5. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag.

3.6. De inspecteur concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep. Subsidiair concludeert hij tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en verlaging van de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 178.257 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.915. Meer subsidiair concludeert de inspecteur tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en verlaging van de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.257 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.915.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Met betrekking tot het antwoord op de eerste, primair in geschil zijnde vraag is van belang of de regeling op grond waarvan de in 2.5. vermelde bedragen zijn uitgekeerd, is aan te merken als een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, lid 2, onderdeel c, van de Wet IB 2001. Hierbij is van belang of de regeling volgens de belastingwetten van België, welke naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting, als een pensioenregeling wordt beschouwd. De inspecteur gaat in zijn verweerschrift ervan uit dat de aan beide uitkeringen ten grondslag liggende regelingen eensluidend zijn. Nu zulks niet door belanghebbende is weersproken, neemt de rechtbank dit ook tot uitgangspunt.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat in casu de uitkeringen zijn gedaan op grond van een Belgische pensioenregeling, zoals bedoeld in artikel 1.7, lid 2, onderdeel c van de Wet IB 2001. Zij komt tot dit oordeel op grond van hetgeen hieronder onder 4.2.1, 4.2.2. en 4.2.3. is overwogen.

4.2.1. Uit de navolgende stukken van het geding blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een “pensioenregeling”:

a. de bij het beroepschrift als bijlagen gevoegde en benoemde loonfiches, welke als titel hebben “pensioenfiche”;

b. uit de in bijlage 8 van het verweerschrift opgenomen brief van [D] van 17 mei 1997, waaruit de in 2.6. bedoelde pensioenkapitalisatie blijkt. Hierin omschrijft [D] het stelsel [E] als een stelsel van aanvullende pensioenen welke worden uitbetaald in de vorm van een kapitaal;

c. de als bijlage 14 van het verweerschrift opgenomen brief van 26 januari 2005 waarin belanghebbende schrijft : “Volgens de Belgische belasting zijn de persoonlijke bijdragen van een groepsverzekering conform de toelichting bij het Belgisch belastingbiljet persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom, vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of een kapitaal bij leven of overlijden”;

d. het als bijlage 24 bij het verweerschrift opgenomen deel van het zogenoemde Fiscaal Momento, waarin wordt weergegeven hoe een groepsverzekering – zoals in dit geval - naar Belgisch recht geduid dient te worden. Daarin staat vermeld:“2.3. De groepsverzekering is een overeenkomst die een werkgever of een groep van werkgevers afsluit met een verzekeringsmaatschappij ten behoeve van een aantal of alle personeelsleden en die de vorming van een aanvullend pensioen als doel heeft”.

e. het als bijlage 26 bij het verweerschrift gevoegde groepsverzekeringsregelement van de onderhavige groepsverzekering, en in het bijzonder de volgende elementen:

? het voorwerp van de verzekering is het waarborgen van een pensioenkapitaal aan de deelnemers (artikel 1);

? de definitie van een verzekeringscontract is een: “werkgeversverzekeringscontract pensioen”(artikel 2);

? met betrekking tot de berekeningsgrondslag en afkortingen komen de termen theoretische pensioenleeftijd en pensioenanciënniteit voor (artikel 2);

? met betrekking tot de jaarlijkse herberekeningen staat vermeld: “De toelagen en bijdragen alsook de waarborgen in geval van overlijden en leven op pensioenleeftijd zijn berekend bij de aansluiting” (artikel 2);

? artikel 5, waarin wordt vermeld: “Het doel van onderhavig reglement wordt bereikt door de onderschrijving, op het hoofd van de deelnemer, van een verzekeringscontract van het type: “Uitgesteld kapitaal zonder tegenverzekering”. Dit soort contract waarborgt de uitbetaling van een kapitaal indien de deelnemer in leven is op de pensioenleeftijd. In geval van overlijden voor de pensioenleeftijd eindigt het verzekeringscontract.”;

? artikel 6 dat vermeldt: “Indien de begunstigde in de onmogelijkheid is een levensbewijs van zijn echtgeno(o)t(e) voor te leggen, zal hem als voorschot een pensioenkapitaal gestort worden, verminderd met het deel dat dient om de overdraagbaarheid te dekken.”;

? artikel 10 dat luidt: “De deelnemers dragen tot op de pensioenleeftijd bij tot de vorming van de voordelen voorzien in huidig reglement door middel van persoonlijke bijdragen.”;

? artikel 14 dat luidt: “De prestaties en de bijhorende winstdeelnemingen zijn altijd eigendom van de deelnemer (cfr. Pensioenreglement ELGABEL Artikel 13).”

4.2.2. Naar het oordeel van de rechtbank is ook volgens de belastingwetten van België in casu sprake van een pensioen. Aan dit oordeel ligt ten grondslag het feit dat belanghebbende een persoonlijke bijdrage, zoals uit 2.7. blijkt, heeft betaald in het kader van een zogenaamde groepsverzekering die dient als een aanvullende pensioenregeling. Bezien in samenhang met hetgeen in 2.8. staat vermeld en gelet op de wettelijke tekst zoals vermeld in 2.9 laat dit geen andere conclusie toe dan dat er sprake is van een pensioen naar het Belgisch belastingrecht.

4.2.3. Het in bijlage 24 van het verweerschrift beschreven fiscale stelsel waarvan onweersproken door de inspecteur is gesteld dat dit van toepassing is op de onderhavige uitkeringen, stemt naar het oordeel van de rechtbank naar aard en strekking overeen met de Nederlandse loonbelasting c.q. inkomstenbelasting.

4.3. In het hiervoor onder 4.2. tot en met 4.2.3. overwogene ligt besloten het oordeel van de rechtbank dat in dit geval sprake is van een pensioenregeling in de zin van artikel 1.7, lid 2, onderdeel c, van de Wet IB 2001, hetgeen met zich brengt dat er per definitie geen sprake meer kan zijn van een kapitaalverzekering die op grond van artikel AL van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 onbelast is. De uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 februari 2002, nr. 99/33066, V-N 2002/24.12 kan belanghebbende in dit verband niet baten aangezien deze uitspraak onder het regime van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is gedaan.

4.4. Nu naar het oordeel van de rechtbank vaststaat dat artikel 1.7, lid 2, onderdeel c, van de Wet IB 2001 in casu van toepassing is, komt tevens de vraag op of op grond van artikel 3.82, onderdeel c, van de Wet IB 2001 de in 2.5. bedoelde uitkeringen in Nederland op grond van de nationale wet belastbaar zijn. Meer in het bijzonder is van belang of onder artikel 3.82, onderdeel c, van de Wet IB 2001 ook de uitkering van pensioenkapitaal is te begrijpen. De rechtbank is van oordeel dat onderhavige kapitaaluitkeringen aan te merken zijn als de in artikel 3.82, onderdeel c, van de Wet IB 2001 omschreven “uitkeringen op grond van een pensioenregeling”. Dit baseert zij op de navolgende passage uit de (Eerste) NvW, Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 18, blz. 31:

“De term voorzover heeft dan ook geen betrekking op de saldomethode, maar hiermee wordt aangegeven dat voorzover over de aanspraak een belasting naar het inkomen is geheven, de waarde van die aanspraak in zoverre behoort tot de grondslag van inkomen uit vermogen (box III). Artikel 3.3.3. (thans: artikel 3.82), onderdeel c, ziet uitsluitend op de uitkeringsfase. Indien nog geen uitkeringen worden genoten, dient te worden beoordeeld of de aanspraak ingevolge de buitenlandse pensioenregeling behoort tot de grondslag van de belastingheffing over inkomen uit vermogen. Daarvan is in beginsel steeds sprake. Wil de belastingplichtige belastingheffing over de pensioenaanspraak op grond van Box III voorkomen, moet hij aannemelijk maken dat de uit deze aanspraak voortvloeiende pensioenuitkeringen behoren tot de in artikel 3.3.3., onderdeel c, genoemde uitkeringen. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt dan mee dat hij aannemelijk maakt dat over de opgebouwde aanspraken geen met de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting vergelijkbare belastingheffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden. Door de gekozen formulering vallen niet alleen de periodieke uitkeringen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling onder deze bepaling maar tevens eenmalige uitkeringen”.

4.5. Nu niet in geschil is dat krachtens het Verdrag in de opbouwperiode van het pensioen(kapitaal) de heffingsbevoegdheid ter zake van inkomsten uit belanghebbendes niet zelfstandige arbeid aan Nederland is toegewezen, staat buiten twijfel dat over de aan de in 2.5. bedoelde uitkeringen gekoppelde aanspraken in België geen belastingheffing heeft kunnen plaatsvinden voor de in artikel 2, § 3, 2° van het Verdrag bedoelde Belgische belastingen. In dat licht bezien heeft de inspecteur de eerder bedoelde uitkeringen tot een juiste hoogte in de heffing betrokken.

4.6. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij meer (niet afgetrokken) pensioenpremie heeft betaald dan de Inspecteur in aftrek heeft gebracht. Derhalve is het uiteindelijk per saldo in de belastingheffing betrokken bedrag juist.

4.7. Artikel 18 van het Verdrag wijst de heffingsbevoegdheid ter zake van pensioen, dus ook de pensioenuitkering ex artikel 3.82, onderdeel c, van de Wet IB 2001, toe aan Nederland.

4.8 Al het onder 4.2. tot en met 4.7. overwogene leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat het gelijk met betrekking tot het eerste, primaire geschil aan de inspecteur is. Hier uit volgt dat de rechtbank niet meer toekomt aan het eerste, onder b vermelde geschilpunt.

Opgewekt vertrouwen

4.9.1. Belanghebbende heeft met een beroep op een jegens hem in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen gesteld dat ook om die reden belastingheffing over de 2.5. bedoelde uitkeringen niet aan de orde kan zijn. Belanghebbende verwijst in dat verband enerzijds naar een brochure van de Belastingdienst en anderzijds naar een, door hem gesteld en door de inspecteur gemotiveerd weersproken, in 2001 door de Belastingdienst ingenomen standpunt. De rechtbank is van oordeel dat, daar waar blijkbaar het al dan niet aanwezig zijn van een voor een navordering benodigd nieuw feit geen onderwerp van geschil is, er geen sprake is van een te honoreren beroep op een jegens belanghebbende opgewekt vertrouwen en overweegt daartoe verder nog het volgende.

4.9.2. Met betrekking tot de door belanghebbende aangevoerde brochure “Werken in de Belgische grensstreek”, blz. 11 en 12 (uitgave 2000), die, naar de inspecteur heeft beaamd, voor wat betreft de tekst niet substantieel afwijkt van de uitgave 2001, kan een beroep op opgewekt vertrouwen niet slagen omdat de brochure geen informatie geeft over de (on)belastbaarheid van pensioenkapitalen voortvloeiende uit een aanvullende pensioen(groeps)verzekering.

4.9.3. Op belanghebbende rust, tegenover de gemotiveerde weerspreking door de inspecteur, de bewijslast van zijn stelling dat [H] – hetzij schriftelijk, hetzij mondeling – uitdrukkelijk een standpunt inzake de onbelastbaarheid van de onderhavige uitkeringen heeft ingenomen. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, die niets heeft bijgebracht ter ondersteuning van zijn stelling, deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.9.4. Dit klemt temeer nu belanghebbende ook ter zitting heeft verklaard dat [H] niet heeft gesteld dat de uitkeringen als onbelaste kapitaaluitkeringen aan te merken zijn, maar wel heeft gezegd dat de heffing over de uitkeringen aan Nederland toegewezen was. Het onder 4.9.1. en 4.9.2. overwogene leidt tot het oordeel dat belanghebbendes beroep op een in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen niet kan slagen.

4.10. Op grond van al het vorenoverwogene moet het beroep van belanghebbende ongegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 7 april 2006 gedaan door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. J.J.J. Engel, rechters en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.