Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AV9151

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
07-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/032
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De werkgever van belanghebbende heeft een collectieve ongevallenverzekering afgesloten met 24-uursdekking. Belanghebbende is in privé een ongeval overkomen waardoor hij een deel van zijn vingers mist. De verzekeringsmaatschappij heeft hiervoor aan belanghebbende een uitkering gedaan. Hierover is loonheffing ingehouden en afgedragen. Belanghebbende is van mening dat de aanspraak op de uitkering belast had moeten worden en niet de uitkering zelf. De rechtbank deelt deze mening niet.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 10
Wet op de loonbelasting 1964 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0669
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/0328

Uitspraakdatum: 17 januari 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake het beroep van

[X], wonende te [Z], eiser,

gemachtigde [A], verbonden aan [[Q],

tegen de uitspraak op bezwaar van

de inspecteur van de Belastingdienst [P], verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook wel aangeduid als belanghebbende respectievelijk de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 13 september 2004 is aan belanghebbende een ongevallenuitkering toegekend ad

€ 83.907,98, waarover € 43.632,15 aan loonheffing is ingehouden.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar de inhouding gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig in beroep gekomen bij de rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een recht geheven van € 37. De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2005 te Breda. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, [A], verbonden aan [B] te [Q], alsmede de gemachtigde van de Inspecteur, [C].

1.4. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is in dienstbetrekking werkzaam bij [D] B.V. (hierna: de werkgever).

2.2. De werkgever heeft ten behoeve van zijn werknemers een collectieve ongevallenverzekering afgesloten bij [E] B.V. (hierna: de verzekeraar). De werkgever treedt ter zake op als verzekeringsnemer en heeft de verzekeringspremies voldaan. Verzekerde(n) zijn alle personen die voorkomen op de loonlijst van verzekeringnemer.

2.3.Het begrip ongeval is in artikel 1.0.0 gedefinieerd:

“Een plotselinge, onmiddellijke inwerking van geweld op of in het lichaam van de verzekerde, welke inwerking een geneeskundig vast te stellen lichamelijk letsel veroorzaakt dat het overlijden of blijvende lichamelijke en/of geestelijke invaliditeit ten gevolge heeft.”

2.4. De ongevallenverzekering voorziet in een 24-uursdekking. In artikel 4.0.0 van de polis is bepaald:

“De verzekering is 24 uur per dag van kracht over de gehele wereld, zowel tijdens als buiten de beroepswerkzaamheden.”

2.5. Belanghebbende is op 30 april 2003 een ongeval overkomen als gevolg waarvan hij een deel van zijn vingers mist. Dit ongeval vond plaats buiten werktijd alsmede buiten de uitvoering van de werkzaamheden ten behoeve van zijn dienstbetrekking bij de werkgever.

2.6. Met toepassing van artikel 5 van de polis is aan belanghebbende een bruto-uitkering gedaan ad € 83.907,98. Hierover is € 43.632,15 aan loonheffing ingehouden.

3. Het geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of over de uitkering uit hoofde van de ongevallenverzekering terecht loonheffing is ingehouden.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB 1964 (hierna: Wet LB) is niet beoogd een vangnet te zijn van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet LB juncto artikel 44, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: UR LB 2001). Aldus zou van een lex specialis weer worden teruggekeerd naar een lex generalis. Dat ligt niet voor de hand. Artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de Wet LB kan daardoor geen ruimer bereik hebben dan artikel 44 UR LB 2001. Artikel 44 UR LB 2001 geeft een toelichting op artikel 11, eerste lid, onderdeel h, Wet LB. Alles wat buiten de toepassing van artikel 44 UR LB 2001 valt, leidt tot onbelastbaarheid.

De Inspecteur

Artikel 44 UR LB 2001 vloeit voort uit artikel 15c van de Wet LB en ziet specifiek op beroepskosten. In het onderhavige geval is geen sprake van kosten die zien op de periode dat de dienstbetrekking wordt vervuld.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggave van de ingehouden loonheffing tot een bedrag van

€ 43.632,15.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt primair dat de verzekering aangemerkt moet worden als een aan hem toegekende verstrekking in de vorm van een aanspraak. Omdat sprake is van een 24-uursdekking valt deze verstrekking niet onder artikel 11, eerste lid, onderdeel b, juncto artikel 17 tweede lid, juncto artikel 15c van de Wet LB, juncto artikel 44, tweede lid, van de UR LB 2001 (hierna samengevat als: artikel 44 UR LB 2001), op grond waarvan de aanspraak onbelast zou blijven en de uitkering in de loonheffing zouden worden betrokken. Gelet hierop had de aanspraak in de loonheffing behoren te worden betrokken en de onderhavige uitkering onbelast dienen te blijven. Aan de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, Wet LB kan niet meer worden toegekomen omdat deze bepaling nader is uitgewerkt in artikel 44 UR LB 2001. Van een lex specialis kan niet worden teruggekeerd naar een lex generalis. In artikel 11, eerste lid, onderdeel h, Wet LB dient te worden ingelezen: ‘tijdens de uitoefening van de dienstbetrekking’. Dat volgt uit de parlementaire geschiedenis.

4.2 De Inspecteur bestrijdt deze stelling. Hij is van mening dat de aanspraak ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel h, Wet LB bij toekenning terecht niet tot het loon is gerekend en de uitkering op grond van de omkeerregel onderworpen is aan de loonheffing.

4.3. Het staat vast, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2 tot en met 2.4 is overwogen, dat belanghebbende de door zijn werkgever mede voor hem afgesloten ongevallenverzekering, waarop de uitkering die aan belanghebbende is toegekend is gebaseerd, 24 uur per dag, zowel tijdens als buiten de beroepswerkzaamheden kon inroepen. Eveneens staat vast dat de ongevallenverzekering uitsluitend voorziet in een uitkering ten gevolge van een ongeval dat overlijden of blijvende lichamelijke en/of geestelijke invaliditeit van de werknemer ten gevolge heeft. Aan belanghebbende is aldus door zijn werkgever, naast de gewone beloning, een aanspraak op een uitkering toegekend die, in beginsel, ingevolge artikel 10, tweede lid, Wet LB, tot het loon behoort.

4.4. Art. 11 bevat een aantal zogenoemde vrijstellingen van het loonbegrip van artikel 10 Wet LB. Indien een aldaar genoemde aanspraak is vrijgesteld, behoort niet de aanspraak doch de uitkering ingevolge die aanspraak tot het loon (omkeerregel), tenzij voor de uitkering eveneens een vrijstelling geldt.

Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel h, Wet LB behoren niet tot het loon:

“aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval;”.

4.5. Op grond van artikel 44 UR LB 2001 behoren tot de vrije verstrekkingen:

“… verstrekkingen in de vorm van een aanspraak op een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking.”

4.6. Over de relatie tussen het tweede lid van artikel 44 UR LB enerzijds en artikel 11, eerste lid, onderdeel h, Wet LB anderzijds, is in de parlementaire geschiedenis het volgende opgemerkt:

“Artikel 44 Ongevallenverzekering

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 15c en artikel 17, tweede lid, van de wet. De nieuwe regeling is toegezegd tijdens de parlementaire behandeling van de Belastingherziening 2001 (Kamerstukken I, vergaderjaar 1999-2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, blz. 88). De achterliggende gedachte is dat een vergoeding van de premie voor een ongevallenverzekering die alleen voorziet in een uitkering ter zake van ongevallen tijdens het werk als een vrije vergoeding kan worden aangemerkt, omdat de verzekering in het kader van de bedrijfsvoering van de werkgever is gesloten en de privé-besparing van de werknemer laag is. De uitkering uit een dergelijke verzekering behoort overigens tot het loon. De regeling in artikel 44, tweede lid, inzake de verstrekking in de vorm van een aanspraak op een ongevallenverzekering zal overigens in de meeste gevallen geen betekenis hebben omdat veelal reeds sprake is van een aanspraak in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, van de wet. De reikwijdte van genoemd artikel 11, eerste lid, onderdeel h, is echter beperkt tot aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval. Artikel 44, tweede lid, is van belang voor het geval dat andere uitkeringen zijn verzekerd. Ook in dit geval is de systematiek dat de verstrekking van de verzekering vrij is en dat de eventuele uitkering op grond van de verzekering tot het loon behoort.”

Toelichting, Ministeriële regeling 20 december 2000, nr. WDB2000/955M, Staatscourant 2000, 251.

4.7. De stelling van belanghebbende dat uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, Wet LB, de woorden ‘tijdens de vervulling van de dienstbetrekking’ dienen te worden ingelezen, heeft belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, naar het oordeel van de rechtbank, niet althans onvoldoende onderbouwd.

4.8. Uit hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat artikel 44 UR LB 2001 en artikel 11, eerste lid, onderdeel h, Wet LB naast elkaar bestaan en een andere reikwijdte hebben. Artikel 11, eerste lid, onderdeel h, Wet LB is beperkter in zijn bereik dan artikel 44 UR LB 2001 daar waar het de gevolgen van de gebeurtenis - het ongeval - betreft, namelijk overlijden of invaliditeit. Artikel 11, eerste lid, onderdeel h, Wet LB is evenwel ruimer in zijn bereik daar waar het de tijdspanne betreft waarbinnen de gebeurtenis plaatsvindt. Deze omvat de volle 24 uur van een dag terwijl artikel 44 UR LB 2001 is beperkt tot de periode waarbinnen de dienstbetrekking wordt vervuld. Artikel 44 UR LB 2001 is daarom geen nadere uitwerking van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, Wet LB. Belanghebbendes stelling dat aan de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel h, Wet LB niet kan worden toegekomen wanneer artikel 44 UR LB 2001 niet van toepassing is, berust op een onjuiste wetsinterpretatie.

4.9. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen voldeed de aan belanghebbende toegekende aanspraak destijds aan de in artikel 11, eerste lid, onderdeel h, Wet LB gestelde voorwaarden. De aan belanghebbende gedane onderhavige uitkering is, gelet op de toepassing van de omkeerregel, terecht op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet LB in de loonheffing betrokken. De rechtbank verwerpt, gezien al hetgeen hiervoor is overwogen, de primaire stelling van belanghebbende.

4.10. Subsidiair is belanghebbende van mening dat de uitkering dient te worden aangemerkt als bovenbronnelijk inkomen en daardoor niet aan belastingheffing is onderworpen, hetgeen de Inspecteur bestrijdt.

4.11. Gelet op hetgeen in 2.1 is overwogen staat vast dat belanghebbende in dienstbetrekking werkzaam is bij zijn werkgever, [D] B.V.. Deze dienstbetrekking is voor belanghebbende een bron van inkomen. Uit hetgeen in 4.3 is overwogen volgt dat uit deze bron de aanspraak op een uitkering in geval van overlijden of blijvende lichamelijke en/of geestelijke invaliditeit als gevolg van een ongeval is voortgevloeid. Nu het antwoord op de vraag naar het bestaan van een bron van inkomen bevestigend is beantwoord op het moment dat de aanspraak is toegekend, behoeft deze vraag op het moment dat een uitkering wordt gedaan die voortvloeit uit de desbetreffende aanspraak, welke uitkering gezien het in 4.9 overwogene aan loonheffing is onderworpen, reeds hierom geen beantwoording meer. De rechtbank verwerpt daarom de subsidiaire stelling van belanghebbende.

4.12. Nu niet is gesteld of gebleken dat op de onderhavige uitkering een wettelijke vrijstelling van loonheffing van toepassing is, dient het beroep van belanghebbende, gelet op al het vorenoverwogene, ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo. De beslissing is op 17 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.H.W.N. Lammers, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.