Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AV8522

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
09-03-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/1956
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Directeur van een bedrijf dat X-afval verwerkt, laat creditfacturen opmaken op naam van gefingeerde leveranciers van dat afval met vervalste ijkrapporten ter ondersteuning daarvan en laat zich de factuurbedragen contant uitbetalen. Hij wordt strafrechtelijk veroordeeld wegens valsheid in geschrifte.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat de bedragen door belanghebbende ten behoeve van de onderneming zijn besteed. Derhalve moeten de bedragen in hun geheel worden aangemerkt als door belanghebbende in het kader van zijn arbeid genoten inkomsten in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.90
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/59.3.6
FutD 2006-0661
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/1956

Uitspraakdatum: 9 maart 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[[Y]]

Wonende te [Z], eiser,

gemachtigde [A] ([B] te [Q]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst [P]

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als belanghebbende en de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen van f 185.713. Met dagtekening 16 november 2004 is aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van f 300.832.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld en daarbij is door de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37.

1.3. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd waarna de Inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2006 te Breda, tezamen met het onderzoek naar de zaken die bij de rechtbank zijn geregistreerd onder de nummers 05/1955 en 05/1956. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende [C], verbonden aan het kantoor van de gemachtigde, alsmede namens de Inspecteur [D], tot bijstand vergezeld van [E].

1.5. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is van november 1998 tot en met februari 2001 bestuuurder geweest van [F] BV ([F]). [F] maakt deel uit van de [F]-groep die zich wereldwijd bezighoudt met in- en verkoop van [X].

2.2. Op 13 september 2001 is door de Belastingdienst [P] op verzoek van de nieuwe aandeelhouder van [F], EMR Ltd., een boekenonderzoek gestart. Tijdens dat onderzoek is namens de aandeelhouder een onderzoeksrapport inzake vermeende fraude met 16 inkoopfacturen van [X] over de periode juni 1999 tot en met 31 januari 2001 binnen [F] overhandigd aan de controleur. Naar aanleiding hiervan is een strafrechtelijk onderzoek gestart door [G-H] ([G]). Het [G]-rapport behoort tot de stukken van het geding.

2.3. Van de onder 2.2. vermelde 16 facturen zijn 4 facturen tot een totaal bedrag van ? 113.979 gedateerd in 1999, 10 facturen tot een totaal bedrag van ? 408.433 gedateerd in 2000 en 2 facturen tot een totaal bedrag van € 42.258 (ƒ 93.125) gedateerd in 2001. Alle facturen zijn creditfacturen van [F] en betreffen de levering van [X] aan [F]. Bij de facturen waren ijkrapporten gevoegd opgemaakt door [I], werknemer van [F], waarop waren vermeld de tonnage, de kwaliteit van het [X], de leverancier en de datum.

2.4. Tijdens het [G]-onderzoek heeft [I] onder meer het volgende verklaard:

Over de factuur aangeduid als bijlage D/004:

“Deze factuur zie ik nu voor het eerst. (…) Wel is het natuurlijk zo dat deze factuur is opgemaakt aan de hand van mijn ijkrapport. Het ijkrapport wat u mij laat zien is vals. Ik heb dit ijkrapport opgemaakt in opdracht van mijn baas en directeur [belanghebbende]. Van [belanghebbende] kreeg ik op, de tonnage, de kwaliteit van het [X], de leverancier en de datum. (…) Ik wist natuurlijk dat dit ijkrapport vals was. Toch heb ik dit ijkrapport opgemaakt omdat ik bij navraag aan [belanghebbende] de mededeling kreeg dat hij op deze wijze financiële middelen vrij kon maken om als smeermiddel voor het marktmechanisme te gebruiken. Hieronder versta ik dat er geld nodig was voor het betalen van commissies aan derden om in- en verkoop te versoepelen. (…).”

Over de andere facturen:

“Voor al deze ijkrapporten geldt hetzelfde als ik hiervoor heb verklaard. Ik heb deze ijkrapporten ook vals opgemaakt op verzoek van [belanghebbende].”

2.5. De administrateur van [F], [J], heeft aan de [G] verklaard dat zij de op de facturen gemelde bedragen in contanten aan belanghebbende heeft overhandigd.

2.6. Belanghebbende is op november 2005 strafrechtelijk veroordeeld wegens het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, in de periode van juni 1999 tot en met februari 2001. Hij is ook strafrechtelijk vervolgd voor het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar voor de jaren 1999 en 2000, maar daarvan is hij vrijgesproken omdat dit feit niet overtuigend was bewezen.

2.7. Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over de jaren 1999 en 2000 ter zake van de onder 2.3. vermelde bedragen, zonder boete. Bij de primitieve aanslag over het jaar 2001 is het aangegeven inkomen verhoogd met een bedrag van € 42.258, het bedrag van de onder 2.3. vermelde in 2001 gedateerde facturen.

3. Het geschil

3.1. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.2. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De rechtbank rekent de pleitnota’s tot de gedingstukken. Vervolgens hebben zij ter zitting nog het volgende toegevoegd:

3.3. De gemachtigde:

Belanghebbende kon niet op de zitting komen in verband met zijn nieuwe baan. Er is geen ander bewijs over de uitbetaling van steekpenningen door belanghebbende dan hetgeen ter zitting van de rechtbank in de strafzaak door de getuigen is verklaard. Het aanbod om getuigen te horen betreft de door de rechtbank in de strafzaak gehoorde getuigen; in de belastingzaak zouden zij opnieuw gehoord kunnen worden indien de rechtbank twijfelt aan hetgeen zij in de strafzaak hebben verklaard. Er zou verder doorgevraagd kunnen worden.

Belanghebbende heeft een schikking getroffen met zijn werkgever in verband met onjuiste onkostendeclaraties; van bepaalde onkosten bleken er geen bonnetjes te zijn. Hoe en waarom belanghebbende [F] heeft verlaten, is niet bekend. Bij gebrek aan wetenschap wordt ontkend dat belanghebbende is ontslagen.

De schadevergoeding die belanghebbende vraagt heeft betrekking op de proceskosten.

Het is vreemd dat de officier van justitie concludeert tot vrijspraak maar de inspecteur niet. In de visie van de inspecteur zou de beoordeling door de strafrechter strenger zijn.

Het is te betwijfelen of een vermoeden voldoende is voor het heffen van belasting en het opleggen van een boete. Er is voldoende door belanghebbenden aangevoerd. Het jaar 2001 is in het strafrechtelijk onderzoek niet meegenomen. Het is niet juist om een vermoeden over andere jaren toe te laten als bewijs voor een jaar dat niet is onderzocht.

3.4. De Inspecteur:

Er geldt een andere bewijslast in het strafrecht dan in het belastingrecht. Er is daardoor een andere invulling van artikel 6 van het EVRM. Er is nooit onderzoek gedaan naar de privé-uitgaven van belanghebbende.

Benadrukt moet worden dat er sprake is van een niet ontzenuwd vermoeden dat belanghebbende het geld heeft ontvangen. Belanghebbende stelt daarover niets. Vanuit dat vermoeden kun je stellen dat sprake is van een bepaalde mate van opzet. Belanghebbende is wel veroordeeld voor valsheid in geschrifte. De heer [I] is niet vervolgd.

De omstandigheid dat belanghebbende voor het jaar 2001 niet strafrechtelijk is vervolgd, betekent niet dat er geen onderzoek naar dat jaar is gedaan. Dat is wel gebeurd.

3.5. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en van de navorderingsaanslag.

3.6. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Uit het rapport van het [G]-onderzoek, en in het bijzonder de daarin opgenomen getuigenverklaringen, blijkt dat belanghebbende zich in zijn functie van directeur van [F] de onder 2.3. vermelde bedragen in contanten heeft laten uitbetalen op basis van vervalste creditfacturen waarop feitelijk niet aan [F] verrichte leveringen van [X] waren vermeld.

4.2. Belanghebbende bestrijdt niet dat hij deze bedragen heeft ontvangen, maar hij stelt dat hij ze ten behoeve van [F] heeft ontvangen en weer uitgegeven als smeergeld voor (potentiële) klanten van [F]. Deze stelling wordt niet ondersteund door de aandeelhouders, noch door de directeur ( [K]) die belanghebbende is opgevolgd bij [F], noch door “genoemde” klanten van [F] die de bedragen zouden hebben ontvangen.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden op belanghebbende de bewijslast rust van zijn stelling dat hij de in contanten van [F] ontvangen bedragen inderdaad - geheel of ten dele - ten behoeve van dat bedrijf heeft ontvangen dan wel heeft uitgegeven. Hij dient dat derhalve tenminste aannemelijk te maken. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, die in het geheel geen feiten, verklaringen of andere bewijzen daaromtrent heeft aangevoerd, niet in dat bewijs is geslaagd. De verklaringen die door de overige personeelsleden van [F] bij de strafrechter zijn afgelegd, leveren naar het oordeel van de rechtbank niet het vereiste bewijs op, nu zij daarin slechts vermoedens uiten en duidelijk is dat geen van hen uit eigen wetenschap bekend is met doorbetaling van de door belanghebbende in contanten ontvangen bedragen ten behoeve van [F].

4.4. Uit het onder 4.1. tot en met 4.3. overwogene put de rechtbank het - door belanghebbende niet ontzenuwde - vermoeden dat belanghebbende genoemde bedragen voor zichzelf heeft ontvangen en dat hij ze niet heeft gebruikt voor uitgaven ten behoeve van [F]. Derhalve moeten de bedragen in hun geheel worden aangemerkt als door belanghebbende in het kader van zijn arbeid genoten inkomsten in de zin van artikel 22, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

4.5. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de getuigen in de strafzaak hebben verklaard en ziet dan ook geen reden deze getuigen opnieuw te horen.

4.6. Het onder 4.1. tot en met 4.5. overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A.G.M. Zander, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. D. Hund. De beslissing is op 9 maart 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.