Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AV4670

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
14-03-2006
Zaaknummer
04/2517 WAOP. B.V.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij de toepassing van artikel 36b van de WAO kan verweerder in beginsel de bevoegdheid niet worden ontzegd gemotiveerd een langere uitlooptermijn te hanteren dan de dwingend voorgeschreven minimale uitlooptermijn van zes weken. Bij de uitoefening van die bevoegdheid dienen de belangen van werkgever en verzekerde te worden afgewogen. De rechtbank voorziet, mede vanwege het tijdsverloop, zelf in de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04 / 2517 WAO RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in de zaak van

P. B.V., gevestigd te Dongen, eiseres,

gemachtigde mr. J.P.M. van Zijl,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.

1. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 oktober 2004 (bestreden besluit), inzake de intrekking van de uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) van een voormalige werkneemster van eiseres, E. (werkneemster). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Werkneemster heeft geen toestemming verleend voor kennisneming van stukken die medische gegevens bevatten door eiseres. Die stukken zijn aan de gemachtigde van eiseres toegezonden onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het beroep is behandeld ter zitting van 1 maart 2006, waarbij namens verweerder aanwezig was mr. L.G.A. Poort. Eiseres en haar gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Werkneemster is van 19 juli 1999 tot en met 18 juli 2000 in loondienst geweest bij eiseres. Zij was 38 uren werkzaam als verkoopmedewerkster. Zij is op 28 september 1999 arbeidsongeschikt geworden.

Bij besluit van 30 november 2000 heeft verweerder aan werkneemster met ingang van 26 september 2000 een uitkering krachtens de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het bezwaarschrift, dat eiseres indiende tegen dat besluit, is door verweerder bij beslissing op bezwaar van 11 juli 2002 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 juli 2003, gedaan onder procedurenummer 02 / 1683 WAO, heeft deze rechtbank het beroep, dat eiseres instelde tegen het besluit van 11 juli 2002, gegrond verklaard, waarbij, onder vernietiging van dat besluit, is bepaald dat verweerder opnieuw een besluit diende te nemen op de bezwaren van eiseres.

Bij uitspraak van 1 juli 2004, gedaan onder procedurenummer 04 / 931 WAO, heeft deze rechtbank het beroep, dat eiseres instelde tegen het niet tijdig nemen door verweerder van een beslissing op bezwaar, gegrond verklaard, waarbij verweerder is opgedragen om binnen zes weken na de datum van die uitspraak een beslissing op het bezwaarschrift te nemen en te verzenden.

Na onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en door een bezwaararbeidsdeskundige heeft verweerder bij beslissing op bezwaar van 28 oktober 2004 de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster met ingang van 26 september 2000 alsnog vastgesteld op minder dan 15%. Voorts is besloten het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren en de beslissing van 11 juli 2002 in te trekken.

Bij brief van 5 november 2004 is werkneemster, door toezending van een kopie van het besluit van 28 oktober 2004, van dat besluit op de hoogte gesteld.

Bij brief van 12 november 2004 is aan eiseres het bestreden besluit toegezonden. Het betreft een aangepaste beslissing op bezwaar, die eveneens is gedateerd op 28 oktober 2004, en die de eerdere beslissing van die datum vervangt. Het bestreden besluit wijkt in zoverre af van de eerdere beslissing van 28 oktober 2004 dat bij het bestreden besluit ook de WAO-uitkering van

werkneemster wordt ingetrokken. Uit de begeleidende brief van 12 november 2004 blijkt dat de uitkering wordt ingetrokken per 1 januari 2005.

2.2 Eiseres heeft, samengevat, aangevoerd dat bij het bestreden besluit, in strijd met jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, geen volledige eindbeslissing op het bezwaar is genomen door niet ook te besluiten tot intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Voorts is, volgens eiseres ten onrechte, niet besloten de arbeidsongeschiktheidsuitkering vóór 1 januari 2005 in te trekken. Door bovendien de beslissing op het bezwaar zo lang uit te stellen dat intrekking van de uitkering pas in 2005 in plaats van 2004 plaatsvindt, is verweerder gehouden aan eiseres de daardoor geleden schade te vergoeden. Eiseres verzoekt verweerder te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding.

2.3 In artikel 36b van de WAO is bepaald dat intrekking of verlaging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, die voortvloeit uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep, niet eerder plaatsvindt dan zes weken na de dag waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het UWV geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen aan het bezwaar of beroep van de werkgever.

2.4 De rechtbank stelt vast dat verweerder in het gecorrigeerde bestreden besluit van 28 oktober 2004 een volledige eindbeslissing heeft genomen, zodat de daarop betrekking hebbende grief geen bespreking behoeft.

2.5 Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder weliswaar terecht de uitkering van werkneemster heeft ingetrokken, maar ten onrechte heeft besloten die intrekking eerst per 1 januari 2005 te laten ingaan. Eiseres heeft gemotiveerd aangevoerd er belang bij te hebben dat de uitkering van eiseres uiterlijk per 31 december 2004 wordt ingetrokken.

Verweerder heeft bij brief van 26 november 2004 aan de gemachtigde van eiseres medegedeeld, dat de uitkering van werkneemster is ingetrokken met inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden en drie dagen in plaats van twee maanden en één dag. In het verweerschrift heeft verweerder uiteengezet – en ter zitting bevestigd – dat hij wat betreft de ingangsdatum van de intrekking aansluiting heeft gezocht bij de regels van het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en WAJONG 1999 (Besluit) van verweerders rechtsvoorganger Landelijk instituut sociale verzekeringen. Verweerder heeft geen beleidsregels opgesteld over de wijze waarop hij gebruik maakt van de in artikel 36b van de WAO besloten liggende bevoegdheid de uitkering van de belanghebbende in te trekken met inachtneming van een langere termijn dan de daar genoemde minimale uitlooptermijn van zes weken.

De rechtbank oordeelt dat verweerder niet met redenen omkleed inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij – zelf ervan uitgaande dat het Besluit op overeenkomstige wijze kan worden toegepast – hier een uitlooptermijn van twee maanden en drie dagen heeft gehanteerd, terwijl volgens dat Besluit als hoofdregel een uitlooptermijn van twee maanden en één dag wordt gehanteerd. Het beroep zal gegrond worden verklaard omdat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, zulks in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het bestreden besluit zal worden vernietigd, uitsluitend voor zover daarbij de WAO-uitkering van werkneemster per 1 januari 2005 is ingetrokken.

2.6 Bij de toepassing van artikel 36b van de WAO kan verweerder in beginsel de bevoegdheid niet worden ontzegd gemotiveerd een langere uitloooptermijn te hanteren dan de dwingend voorgeschreven minimale uitlooptermijn van zes weken. Bij de uitoefening van die bevoegdheid zal verweerder een belangenafweging moeten maken tussen enerzijds het belang van de werkneemster om zich aan te passen aan de situatie die ontstaat door intrekking van de uitkering en anderzijds de financiële (premie)belangen van de werkgever. De rechtbank stelt vast dat eiseres in verband met de regels inzake premiedifferentiatie wordt benadeeld door intrekking van de uitkering van werkneemster per 1 januari 2005 in plaats van per 31 december 2004. Tegenover dit belang van eiseres staat het belang van werkneemster dat zij zich kan aanpassen aan de intrekking van de uitkering. Aan beide belangen wordt recht gedaan door de uitkering van werkneemster per

31 december 2004 in plaats van 1 januari 2005 in te trekken. Voor eiseres valt daarmee een relatief groot financieel nadeel weg. Voor werkneemster betekent dit weliswaar dat haar uitkering één dag eerder wordt ingetrokken, maar niet kan worden gezegd dat zij daardoor onevenredig wordt benadeeld. Ook in die situatie heeft zij immers een redelijke termijn gehad om zich aan te passen aan de intrekking van de WAO-uitkering. Het verschil van één dag heeft voor haar ook financiële consequenties, doch deze zijn – gegeven de intrekking – relatief van minder gewicht dan die van eiseres. De rechtbank zal, mede vanwege het tijdsverloop, zelf in de zaak voorzien door de WAO-uitkering van werkneemster met ingang van 31 december 2004 in te trekken en te bepalen dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.

2.7 Uit het voorgaande volgt dat de door eiseres gestelde grondslag aan het verzoek verweerder te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding komt te ontvallen. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

2.8 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proces-kosten van eiseres, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vast-gesteld op het hieronder opgenomen bedrag.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, uitsluitend voor zover daarbij met ingang van 1 januari 2005 de WAO-uitkering van werkneemster is ingetrokken;

trekt de WAO-uitkering van werkneemster in met ingang van 31 december 2004;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

wijst het verzoek om veroordeling tot betaling van schadevergoeding af;

gelast dat het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 273,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 322,- te betalen door het UWV.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.J.G. Römers, rechter, en in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, in het openbaar uitgesproken op

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: