Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AV1913

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-02-2006
Datum publicatie
16-02-2006
Zaaknummer
291091/CV/03-8474 1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nr: 291091

Dexia/ gedaagde

Kop ten behoeve van publicatie op rechtspraak.nl.

Naar aanleiding van een verzoek van de klant om de procedure tussen hem en Dexia niet stil te leggen (in afwachting van een beslissing van het gerechtshof te Amsterdam tot algemeen verbindend verklaring van de “Duisenbergregeling”) heeft de kantonrechter te Breda beslist dat Dexia haar standpunt toe moet lichten dat de “Duisenbergregeling” ook regelt de vordering van de klant tot schadevergoeding (bestaande uit terugbetaling van de door de klant betaalde termijnen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolbeschikking d.d.: 15 februari 2005

Typ.: LvdL

Coll:

RECHTBANK BREDA

sector kanton - locatie Breda

ROLBESCHIKKING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V., gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigden: L.C.J. Netten, L.W.J. Danen en J.H. Vekemans, gerechtsdeurwaarders te Tilburg,

tegen:

[gedaagde], wonende te [adres], gedaagde, procederende in persoon.

1. Het procesverloop

Dat blijkt uit:

a. het verzoek van [gedaagde] bij brief van 20 december 2005;

b. de antwoordakte van Dexia van 18 januari 2006.

2. Het verzoek en het verweer

[gedaagde] verzoekt het geding zo spoedig mogelijk op de rol te plaatsen teneinde de behandeling van het geding te hervatten als bedoeld in artikel 1015, lid 2, Rv.

Dexia heeft het verzoek gemotiveerd bestreden.

3. De beoordeling

Bij exploot van 6 december 2006 heeft Dexia aan [gedaagde] betekend een verzoek aan het gerechtshof te Amsterdam tot verbindend verklaring van een overeenkomst ter collectieve afwikkeling van massaschade ex artikel 1013 Rv (verder: WCAM-overeenkomst). Het verzoek is ingediend door de partijen die de overeenkomst hebben gesloten, te weten Dexia, de stichting Leaseverlies, de stichting Eegalease, de Consumentenbond en de Vereniging van effectenbezitters. Deze overeenkomst wordt hierna ook aangeduid als de Duisenbergregeling.

Op de rolzitting van 7 december 2005 is de behandeling van de zaak van partijen ingevolge artikel 1015 Rv geschorst. Bij brief van 12 december 2005 heeft de griffier dat aan partijen medegedeeld.

[gedaagde] heeft zijn stelling gebaseerd "op het gegeven dat hij niet voor de zogenaamde Duisenbergregeling in aanmerking komt door het feit dat de Bank uitdrukkelijk heeft gesteld dat (...) alle gedupeerden die in een juridische procedure een beroep hebben gedaan op (...) vernietiging op de voet van art. 1:88, 1:89 (...) BW daar niet onder vallen.".

Bij vonnis van 2 maart 2005 is de vordering van Dexia tegen [gedaagde] afgewezen - kort weergegeven- omdat door de brief van 14 oktober 2004 van de - geregistreerde - partner van [gedaagde] de aandelenlease-overeenkomst van partijen van 29 april 1998 is vernietigd. Verder is overwogen dat op grond van artikel 3:53 BW deze vernietiging terugwerkende kracht heeft tot het tijdstip waarop de overeenkomst werd aangegaan, zodat de overeenkomst van aanvang af als nietig moet worden aangemerkt.

Voorts is bij dat vonnis overwogen dat [gedaagde] moet worden geacht een vordering in reconventie te hebben ingesteld, inhoudende de veroordeling van Dexia tot (terug)betaling van 36 maandtermijnen van € 113,22, derhalve in totaal € 4.075,92, vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de betaling van een termijn tot de dag ter voldoening.

Bij antwoordakte van 18 januari 2006 heeft Dexia onder meer gesteld:

"De Bank heeft nimmer gesteld dat cliënten die een beroep hebben gedaan op 1:88 jo 1:89 BW niet onder de Duisenberg-regeling vallen, juist het tegendeel.".

In artikel 1015,lid 2, sub a. Rv is bepaald dat de behandeling wordt hervat "indien in de procedure schadevergoeding wordt gevorderd, in de vergoeding waarvan de overeenkomst niet voorziet.".

Kennelijk heeft [gedaagde] het oog op deze bepaling.

Volgens [gedaagde] voorziet de Duisenbergregeling niet in vergoeding van de door hem gevorderde schade.

Volgens Dexia voorziet de Duisenbergregeling daarin wel.

Dexia heeft geen specifieke bepaling van de WCAM-overeenkomst genoemd waarin een regeling is opgenomen omtrent de vergoeding van de schade aan de klant door Dexia bestaande in de (gedeeltelijke) (terug)betaling van de termijnbetalingen.

In artikel 3 van deze (omvangrijke) overeenkomst is onder meer bepaald:

"De Vergoeding wordt per Effectenlease-overeenkomst berekend en is gelijk aan een percentage van de Restschuld, waarbij de indeling en daarmee dat percentage conform het bepaalde in artikel 4 tot en met 8 afhankelijk is van:

(i) de vraag of tijdig een vernietigingsverklaring door de Eega is afgelegd (...)".

Uit die bepalingen blijkt dat met de "Vergoeding" wordt bedoeld dat (een deel van) de lening niet terugbetaald hoeft te worden aan Dexia.

In dit geval heeft [gedaagde], zoals uit het tussenvonnis van 2 maart 2005 blijkt, in reconventie terugbetaling gevorderd van door hem in het verleden aan Dexia betaalde termijnen, te weten € 4.075,92

De kantonrechter is vooralsnog niet gebleken dat de "Vergoeding" in de WCAM-overeenkomst op deze vordering van de klant ziet.

Er is aanleiding Dexia in de gelegenheid te stellen bij akte haar standpunt dat de WCAM-overeenkomst ook de door de klant gevorderde schadevergoeding regelt, onder verwijzing naar de vindplaats in de WCAM-overeenkomst, nader toe te lichten.

[gedaagde] kan desgewenst op deze akte reageren.

4. De beslissing

De kantonrechter:

- bepaalt dat Dexia bij akte te nemen op de openbare (rol) zitting van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, van woensdag 15 maart 2006 te 11.00 uur haar standpunt dat de WCAM-overeenkomst ook de door de klant gevorderde schadevergoeding regelt, onder verwijzing naar de vindplaats in de WCAM-overeenkomst, nader toelicht;

- bepaalt dat [gedaagde] in de gelegenheid wordt gesteld hierop bij akte te reageren;

- houdt iedere verdere beslissing omtrent het verzoek om hervatting van de procedure aan.

Deze rolbeschikking is gewezen door mr. F.G.P.M. Spreuwenberg en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 februari 2006.