Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AV1467

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
10-02-2006
Zaaknummer
AWB 05/1671
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de aftrek van buitengewone lasten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan per persoon slechts sprake zijn van één dieet. Dit sluit evenwel niet uit dat dit dieet kan bestaan uit verschillende typen, zodat belanghebbende meer dan een forfaitair vastgesteld bedrag voor dieetkosten ten laste van haar inkomen mag brengen.

De door belanghebbende aangeschafte home-trainer is naar het oordeel van de rechtbank geen hulpmiddel nu deze niet een normale lichaamsfunctie overneemt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Wet inkomstenbelasting 2001 6.17
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/1671

Uitspraakdatum: 20 januari 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [P] verweerder,

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als belanghebbende en de Inspecteur.

Betreft:

De uitspraak van de Inspecteur van 5 april 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar voor het jaar 2002 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een verzamelinkomen van € 18.805 welke bij ambtshalve verleende vermindering van 5 april 2005 is verminderd tot een naar een verzamelinkomen van € 18.753.

1. Onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2006. Aldaar is toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, [A] en [B]. Belanghebbende noch haar gemachtigde is, onder kennisgeving daarvan aan de rechtbank, ter zitting verschenen.

2. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een naar een verzamelinkomen van € 18.236;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 322;

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 37.

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

3. Gronden

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

(a) Mag belanghebbende ten aanzien van de aftrek van buitengewone uitgaven voor dieetkosten aansluiting zoeken bij de bedragen zoals neergelegd in de tabel genormeerde dieetkosten van 19 december 2002?

(b) Kan belanghebbende meer dan een forfaitair vastgesteld bedrag als buitengewone uitgaven voor dieetkosten ten laste van haar inkomen in 2002 brengen?

(c) Kan belanghebbende de kosten van de aanschaf van een hometrainer als buitengewone uitgaven ten laste van haar inkomen in 2002 brengen?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Niet in geschil is dat de tabel van 19 december 2002 als ingangsdatum 1 januari 2003 heeft. Nu de onderhavige aanslag betrekking heeft op het jaar 2002 is reeds hierom het gelijk met betrekking tot de in geschil zijn de vraag onder (a) aan de zijde van de Inspecteur. Voor dat geval is niet in geschil dat voor de hoogte van de dieetkosten aansluiting gezocht moet worden bij de bedragen die gelden voor het jaar 2002.

3.3.1. Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, letter c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna Wet IB 2001) worden als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling aangemerkt, de daarmee verband houdende extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet indien zij meer bedragen dan € 113, tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. In dit kader zijn de extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet, die meer bedragen dan voornoemd drempelbedrag op forfaitaire wijze vastgesteld in een in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 opgenomen tabel. De in genoemd artikel 37 weergegeven tabel geeft aan welke kosten van een dieet bij een bepaald ziektebeeld als extra uitgaven zijn aan te merken. Volgens de tabel kan per ziektebeeld afhankelijk van de aandoening meer dan één type dieet van toepassing zijn.

3.3.2. De rechtbank gaat ervan uit, naar de Inspecteur terecht stelt, dat per persoon slechts sprake kan zijn van één dieet. Dit sluit evenwel niet uit dat dit dieet kan bestaan uit verschillende typen dieet en betrekking kan hebben op meerdere aandoeningen en ziektebeelden. Nu in geval van meerdere ziektebeelden sprake kan zijn van verschillende typen dieet, moet worden aangenomen dat per type dieet een bedrag als extra kosten in aanmerking kan worden genomen. Het bepaalde in het derde lid van artikel 37 doet hier niet aan af, nu deze bepaling slechts een beperking aanbrengt binnen een en hetzelfde ziektebeeld. Ook het standpunt van het ministerie van financiën en de informatie van het Voedingscentrum kunnen niet tot een andere conclusie leiden. Voor zover voor een persoon op grond van de verschillende ziektebeelden een en hetzelfde type dieet van toepassing is, moet evenwel worden aangenomen dat voor dit type slechts eenmaal een bedrag als buitengewone uitgaven in aanmerking kan worden genomen. In dat geval doen zich immers ook slechts eenmaal die extra uitgaven voor.

3.3.3. Het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag onder (b) is op grond van het vorenstaande aan belanghebbende. Gelet op de door de huisarts ingevulde dieetverklaring IB 2002 kan als extra uitgaven in verband met dieetkosten het volgende in aanmerking worden genomen. Een dieet voor maag-, darm- en leverziekte onder overig van het type energieverrijkt in kombinatie met eiwitverrijkt en lactosebeperkt (€ 1.593) gecombineerd met de onder Overige in verband met voedselovergevoeligheid vermelde dieet van het type koemelkeiwitvrij in combinatie met soja-eiwitvrije (€ 413) derhalve in totaal een bedrag ter grootte van € 2.006.

3.4. Een hometrainer zoals aangeschaft door belanghebbende is naar het oordeel van de rechtbank geen hulpmiddel dat belanghebbende in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe zij zonder dat middel niet in staat zou zijn. De omstandigheid dat de hometrainer gebruikt wordt voor de dagelijks door de huisarts voorgeschreven beweging tot behoud van de functie en conditie van het bewegingsapparaat en het vaatstelsel, die in verband met weersomstandigheden niet buitenshuis kan plaatsvinden, doet hier niet aan af. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de omstandigheden dat het een hometrainer betreft die voorzien is van geavanceerde apparatuur voor hartmetingen en dat die is aangeschaft via een in medische hulpmiddelen gespecialiseerd bedrijf voor evenbedoelde beoordeling niet van belang zijn. De rechtbank neemt hierbij ten slotte in aanmerking dat hometrainers ook door niet zieke en/of invalide mensen worden gebruikt. De door belanghebbende aangeschafte hometrainer is derhalve niet aan te merken als een hulpmiddel, zodat geen sprake kan zijn van buitengewone uitgaven. Het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag onder (c) is derhalve aan de Inspecteur.

3.5. Nu belanghebbende met betrekking tot vraag (b) gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld moet de aanslag als volgt worden verminderd. De Inspecteur heeft ter zake van de dieetkosten € 1.593 verhoogd met 25% (€ 1.991,25) in verband met aftrek van buitengewone uitgaven in eerdere jaren, toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank is een aftrek terzake toegestaan van € 2.006 te verhogen met 25% (€ 2.508). Het bij ambtshalve verleende vermindering van 5 april 2005 vastgestelde verzamelinkomen dient daarom gecorrigeerd te worden met het verschil, ofwel afgerond € 517, en te worden vastgesteld op € 18.236.

3.6. Gelet op al het vorenoverwogene dient te worden beslist als voormeld.

4. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te worden vergoed.

5. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van de Awb de Inspecteur te veroordelen in de kos-ten die belanghebbende in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. De rechtbank stelt deze kosten gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 322 (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet in de stellingname van belanghebbende met betrekking tot het handelen van de Inspecteur in de aanslagfase en de bezwaarfase onvoldoende reden af te wijken van het in het eerste lid van artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalde.

Belanghebbende heeft niet verzocht om aan haar de kosten te vergoeden die zij in verband met de behandeling van haar bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken vóórdat de Inspecteur op haar bezwaar heeft beslist. Op grond van artikel 7:15 van de Awb is dit evenwel een vereiste. De rechtbank acht derhalve geen termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de kos-ten die belanghebbende in verband met de behande-ling van het bezwaar redelij-kerwijs heeft moeten maken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen en op 20 januari 2006 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.