Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AV1023

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
19-01-2006
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
AWB 05/700
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Infiltratievrijstelling art. 3.1.e. WBM is van toepassing op spoelwater dat door waterschap vanuit bezinkingsvijvers wordt geleid naar twee meren, nu het schap op grond van de onttrekkingsvergunning verplicht was de waterstand van de meren op peil te houden. De vrijstelling wordt beperkt tot aantal m3 dat noodzakelijk is voor het op peil houden van de waterstand. Prematuur bezwaar tegen op aangifte voldane bedrag aan grondwaterbelasting wordt ontvankelijk verklaard met toepassing art.6:10b Awb. De rechtbank veroordeelt tot vergoeding van de forfaitaire kosten van de bezwaarfase als schade (8:73 Awb) nu niet duidelijk was dat uitspraak was gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/41.2.17
FutD 2006-0248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/700

Uitspraakdatum: 19 januari 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

X N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Z, eiser,

gemachtigden A, B, beide verbonden aan C te Q,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende heeft op 22 december 2003 in vier geschriften bezwaar gemaakt tegen de door haar op aangiften over de jaren 1995 tot en met 2003 voldane grondwaterbelasting. Bij twee beschikkingen, gedagtekend van 25 januari 2005, heeft de inspecteur uitspraak gedaan op de bezwaren en teruggaaf verleend van € a respectievelijk € b grondwaterbelasting. Het verzoek om teruggaaf van € c in verband met toepassing van de vrijstelling van artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van de Wet belastingen op milieugrondslag (WBM) is daarbij afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 7 maart 2005 beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij brief van 15 maart 2005. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartijen en behoren tot de stukken van het geding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2005 te Breda. Namens belanghebbende is verschenen A,B, tot bijstand vergezeld van D (hoofd van de juridische afdeling van belanghebbende), E, F en G. Namens de inspecteur zijn verschenen H en I. Partijen hebben pleitnota’s voorgedragen en overgelegd. De rechtbank rekent alle genoemde stukken tot de stukken van het geding.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende exploiteert een watervoorzieningsbedrijf. Zij wint onder meer grondwater. De in verband daarmee verschuldigde grondwaterbelasting wordt maandelijks op aangifte voldaan.

2.2. De op aangifte verschuldigde bedragen over de maanden januari 1995 tot en met september 2003 zijn alle voor september 2003 voldaan.

2.3. Het op de aangifte over de maand oktober 2003 verschuldigde bedrag ad € d is op de bankrekening van de belastingdienst bijgeschreven op november 2003. Het beroep strekt tot een teruggaaf over dit tijdvak van € e ( 27.708 m3 à € f).

2.4. Het op de aangifte over de maand november 2003 verschuldigde bedrag ad € g is op de bankrekening van de belastingdienst bijgeschreven op december 2003. Het beroep strekt tot een teruggaaf over dit tijdvak van € h (22.525 m3 à € i).

2.5. Belanghebbende wint onder meer grondwater in R (gemeente S). Het grondwater wordt gezuiverd tot drinkwater. Een gedeelte van het door zuivering ontstane drinkwater gebruikt belanghebbende om de voor de zuiveringsactiviteiten gebruikte filters schoon te spoelen. Het aldus ontstane (vervuilde) spoelwater vangt zij geheel op en laat zij bezinken in zogenaamde spoelvijvers: speciaal aangelegde vijvers met een betonnen bodem en zijwand. Na het bezinken wordt het water via een daarvoor aangelegde leiding en via een sloot geloosd op twee vennen: T en V.

2.6 Aan belanghebbende is op oktober 1971 vanwege de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne vergunning verleend voor het onttrekken van grondwater te U. Aan deze vergunning is onder meer het voorschrift verbonden dat belanghebbende verplicht is “zorg te dragen dat de waterstand in de vennen T en V op peil wordt gehouden, dit in overleg met de eigena(a)r(en) van die vennen”. Door Gedeputeerde Staten van de Provincie W is deze vergunning per maart 2004 gewijzigd voor wat betreft de hoeveelheid te onttrekken grondwater.

2.7. In oktober 2002 is door J, Ingenieurs in bosbouw en ecologie, in opdracht van de gemeente S opgesteld een “Beheerplan beschermd natuurmonument ex. art 14 T en V 2001-2003”. In het rapport is onder meer het volgende vermeld:

“Benodigde hoeveelheid inlaatwater

De wegzijging in de vennen is evenredig aan de waterkolom (drukhoogte) die in het ven aanwezig is en fluctueert daarom. Omdat T sinds 1993 een constant peil heeft fluctueert de wegzijging daar nauwelijks (berekend op 100.000 m3 per jaar). In het V fluctueert het peil wel en varieert de (berekende) wegzijging per jaar tussen de 150.000 m3 (droge zomer) en 300.000 m3 (natte winter).

Bij een hoeveelheid aangevoerd spoelwater van de drinkwaterwinning van 400.000 m3 per jaar blijkt het merendeel daarvan in de ondergrond weg te zakken.

De hoeveelheid water die uit T komt en beschikbaar is voor het grootmeer fluctueert vooral met het ingelaten water. De verliezen in T als gevolg van neerslag, verdamping en wegzijging (constant) bedragen in een geheel droog jaar ongeveer 100.000 m3 (neerslagoverschot en verdampingsoverschot in balans) en in een geheel nat jaar ongeveer 75.000 m3 (neerslagoverschot).

Bij een gemiddelde spoelwatertoevoer 360.000 m3 per jaar regelmatig gespreid over de maanden (30.000 m3 per maand, zoals in 2001), komt dan in een geheel droog jaar 260.000 m3 water beschikbaar voor V en in een geheel nat jaar 285.000 m3.

De jaren 1999-2001 hebben geleerd dat deze hoeveelheid teveel is. Tot drie keer toe is daardoor het grootmeer onbedoeld volgelopen. Dit werd veroorzaakt door een te hoge slootbodem naar X, waardoor het surplus niet weg kon (…)

Conclusie

Door de hoeveelheid spoelwater die door Brabant Water geloosd wordt te halveren naar 180.000 m3 per jaar kan de gewenste hoeveelheid water voor V beschikbaar blijven zonder het verdeelwerk. Alle water uit T wordt dan in het systeem van V ingelaten via de boezem (180-100 = 80.000 m3 in een droog jaar en 180-75 = 105.000 m3 in een nat jaar, zie boven).”

3. Het geschil

In geschil is

- of belanghebbende ten onrechte ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar;

- of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van grondwaterbelasting in verband met de lozingen van spoelwater op T en V omdat sprake is van infiltratie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel e van de WBM en zo ja, hoe hoog die teruggave is.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggave van € c.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

De ontvankelijkheid

4.1. Op grond van het bepaalde in artikel 22j, onderdeel b, van de AWR vangt de zes-weken termijn voor het instellen van bezwaar tegen op aangifte voldane belasting aan op de dag na die van de voldoening. Niet in geschil is dat belanghebbende buiten die termijn bezwaar heeft gemaakt tegen de op aangifte voldane belasting over de maanden januari 1995 tot en met september 2003. Het bezwaar daartegen is dan niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijze niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is (artikel 6:11 van de Awb). Belanghebbende heeft geen argumenten aangedragen die kunnen leiden tot het oordeel dat redelijkerwijze niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is. Uit de stukken blijkt dat de bezwaarprocedures voortkomen uit een gewijzigd inzicht van belanghebbende over de toepassing van de infiltratievrijstelling. Dat is naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid die de termijnoverschrijding rechtvaardigt. De in de geschriften van 22 december 2003 vervatte bezwaren tegen deze bedragen zijn niet-ontvankelijk.

4.2. Het over de maand oktober 2003 verschuldigde bedrag is voldaan op 24 november 2003. Het bezwaarschrift dat is gedagtekend 22 december 2003 is tijdig ingediend. Het bezwaar is ontvankelijk.

4.3. Het over de maand november 2003 verschuldigde bedrag is voldaan op 31 december 2003. Het bezwaarschrift dat is gedagtekend 22 december 2003 is prematuur ingediend. Nu echter aannemelijk is dat de aangifte en de betaling op 22 december 2003 reeds vaststonden acht de rechtbank, met toepassing van artikel 6:10 Awb, het bezwaar ontvankelijk.

De uitspraak

4.4. Belanghebbende heeft gesteld dat geen uitspraak op bezwaar is gedaan. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat de uitspraken van de inspecteur niet expliciet vermelden dat aan de bezwaren met betrekking tot de onderhavige kwestie niet wordt toegekomen. Er wordt alleen een (“ambthalve”) teruggaaf gedaan van grondwaterbelasting welke teruggaaf voortvloeit uit twee andere bezwaarschriften van belanghebbende.

4.5. Op grond van het bepaalde in artikel 25, zevende lid, van de AWR kan de inspecteur de uitspraken vervatten in één geschrift. Van de inspecteur mag worden verwacht dat hij, indien hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, dat expliciet in het betreffende geschrift vermeldt. Ter zitting hebben partijen eenparig verklaard er van uit te zullen gaan dat de uitspraken ook betrekking hebben op de onderhavige kwestie. De rechtbank zal dat standpunt volgen, maar is van oordeel dat belanghebbende door het onnauwkeurig handelen van de inspecteur niet mag worden benadeeld.

Het begrip infiltratie

4.6. Artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van de Wbm definieert het infiltreren van water als: water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater. Artikel 6, tweede lid, van de Wbm bepaalt dat op de verschuldigde grondwaterbelasting in verband met het onttrekken van grondwater, een vermindering wordt toegepast, berekend over het aantal kubieke meters geïnfiltreerd water, indien het infiltreren van water geschiedt in overeenstemming met de voorwaarden welke daarvoor zijn opgesteld in de vergunning die voor het onttrekken of voor het infiltreren van water is verleend ingevolge de grondwaterwet en voor zover het infiltreren van water geschiedt in rechtstreeks verband me een belaste onttrekking van grondwater.

4.7. De rechtbank leidt uit de stukken en het gestelde ter zitting af dat:

- belanghebbende op grond van de onder 2.6. vermelde vergunning verplicht is water te lozen op T en V teneinde de waterstand op peil te houden;

- deze verplichting in rechtstreeks verband staat met het onttrekken van grondwater door belanghebbende in het gebied waarin de meren liggen;

- het geloosde spoelwater door actief handelen van belanghebbende in de meren vloeit, waarbij de rechtbank van belang acht dat de overstort van koelwater uit de bezinkvijvers naar de sloot en de doorstroming van de sloot naar de meren worden veroorzaakt doordat belanghebbende extra water op de bezinkvijvers loost;

- de lozing van het spoelwater op de meren ertoe leidt dat water door de bodem van meren in de grond wegzijgt.

Dit een en ander, in onderling verband bezien, leidt tot de conclusie dat belanghebbende water infiltreert in de zin van de Wbm.

4.8. De vrijstelling van artikel 6 van de Wbm is dan van toepassing voor zover het infiltreren in overeenstemming is met de vergunningsvoorwaarden en geschiedt in rechtstreeks verband met het onttrekken van grondwater. De rechtbank is van oordeel dat aan die voorwaarden wordt voldaan ten aanzien van de 180.000 m3 water die, naar uit het onder 2.7. vermelde rapport volgt, noodzakelijk zijn voor het op peil houden van T en V.

4.9. Het onder 4.6. tot en met 4.8. overwogene leidt tot de conclusie dat het gelijk in deze aan belanghebbende is. Belanghebbende heeft derhalve recht op teruggaaf van grondwaterbelasting over de maanden oktober en november 2003 tot een bedrag van 2/12 x 180.000 m3 x € f = € i.

5. Proceskosten

5.1. In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Awb de inspecteur te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) vastgesteld op € 322 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

5.2. Belanghebbende heeft in het beroepschrift ook gevraagd om vergoeding van kosten van de bezwaarfase. Nu de bezwaren die in beroep gegrond worden verklaard, betrekking hebben op aangiftetijdvakken van na 12 maart 2002, is op grond van het bepaalde in artikel 7:15 van de Awb vergoeding van de kosten van bezwaar slechts mogelijk indien daartoe een verzoek is gedaan voordat op het bezwaar was beslist. Uitgaande van de uitspraken met dagtekening 25 januari 2005 is het verzoek niet tijdig gedaan. De rechtbank is echter van oordeel dat belanghebbende ten tijde van de indiening en de motivering van het beroepschrift kon menen dat nog geen uitspraak op bezwaar was gedaan; daarvan uitgaande zou het verzoek tijdig zijn gedaan. Op grond van het onder 4.5. overwogene zal de rechtbank aan belanghebbende – bij wijze van schadevergoeding als bedoeld is artikel 8:73 van de Awb – de vergoeding toekennen die bij toepassing van het Besluit zou worden toegekend. Die vergoeding wordt bepaald op € 80,50 (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161 en een wegingsfactor 0,5).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- verklaart het bezwaar niet ontvankelijk voor zover het betreft de voldoening op aangifte over de tijdvakken januari 1995 tot en met september 2003;

- verleent aan belanghebbende een teruggaaf van € 4.380;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 402,50, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) die deze kosten aan belanghebbende dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 273 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren. De beslissing is op 19 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.H.W.N. Lammers, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.