Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AV0996

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
14-01-2006
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
AWB 05-913
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De richtlijn betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal vormt het kader voor de beoordeling van de conformiteit van de Nederlandse kapitaalsbelasting aan het gemeenschapsrecht. Artikel 32 WBR geeft op een juiste wijze uitvoering aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel c van deze richtlijn. Bij gebrek aan volledige harmonisatie van de kapitaalsbelasting staat er geen rechtsregel in de weg dat Nederland een kapitaalsbelasting heft voor het bijeenbrengen van kapitaal in lichamen die in Nederland zijn gevestigd.

Wetsverwijzingen
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 43
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 56
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 58
Wet op belastingen van rechtsverkeer 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/913

Uitspraakdatum: 4 januari 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X BV, gevestigd en kantoorhoudende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 2002 een naheffingsaanslag opgelegd in de kapitaalsbelasting ten bedrage van € a,=.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot op een te betalen bedrag van € b,=.

1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2005 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende, F alsmede, namens de inspecteur, G.

1.5. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.6. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is opgericht op augustus 1933.

2.2. Tot de emissies van aandelen op september 2002 was het aandelenkapitaal van belanghebbende als volgt verdeeld:

- C, wonende te Q (België) was in het bezit van 6 prioriteitsaandelen en 161 gewone aandelen. Hij had derhalve 167 aandelen in zijn bezit en een belang van 33,47% in belanghebbende.

- D, wonende te R (België) was in het bezit van 6 prioriteitsaandelen en 160 gewone aandelen. Hij had derhalve 166 aandelen in zijn bezit en een belang van 33,265%.

- E, wonende te S (België) was in het bezit van 6 prioriteitsaandelen en 160 gewone aandelen. Hij had derhalve 166 aandelen in zijn bezit en een belang van 33,265%.

2.3. Op september 2002 heeft een aantal emissies plaatsgevonden. De eerste serie emissies betreft de uitgifte van 36 aandelen van de serie A, 36 aandelen van de serie B en 36 aandelen van de serie C. De stortingsplicht per aandeel bedroeg € c,=. De storting van in totaal € d,= heeft, door de drie in België woonachtige aandeelhouders, in geld plaatsgevonden.

De tweede serie emissies betreft de uitgifte van 1.537 gewone aandelen A, 1.538 gewone aandelen B en 1.538 gewone aandelen C. De stortingsplicht per gewoon aandeel bedroeg € e,=. De storting van in totaal € f,= heeft plaatsgevonden door middel van verrekening met de agioreserve.

2.4. Belanghebbende heeft op oktober 2002 aangifte van kapitaalsbelasting gedaan in verband met de in 2.3 genoemde emissies. In de aangifte vermeldt belanghebbende een te betalen bedrag aan kapitaalsbelasting van nihil.

2.5. Met dagtekening oktober 2002 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag kapitaalsbelasting opgelegd naar aanleiding van de kapitaalstortingen van september 2002, van in totaal € g,=. De naheffingsaanslag kapitaalsbelasting is opgelegd tot een te betalen bedrag aan kapitaalsbelasting van € a,=.

2.6. Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslag een bezwaarschrift ingediend. De inspecteur heeft met dagtekening februari 2005 uitspraak op het bezwaarschrift gedaan en heeft daarbij de naheffingsaanslag kapitaalsbelasting verminderd tot op een te betalen bedrag aan kapitaalsbelasting van € b,=.

3. Het geschil

In geschil is of de heffing van kapitaalsbelasting in strijd is het met Europese Gemeenschapsrecht (EG-recht).

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Bij het indienen van de aangifte kapitaalsbelasting is bekend gemaakt dat een deel van de aandelenemissies heeft plaatsgevonden door middel van verrekening met de agioreserve.

Het arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2005, nr. 39 935, gepubliceerd in V-N 2005/38.30 kent verschillen met de onderhavige situatie. De Hoge Raad heeft in dit arrest beslist dat er geen strijd is met het EG-recht en is tevens van mening dat het niet noodzakelijk is om prejudiciële vragen te stellen, maar dit arrest ziet op artikel 57 van het EG-verdrag en ik heb niet de indruk dat de Hoge Raad het arrest ook van toepassing verklaart op artikel 56 van het EG-verdrag.

Het verzoek tot vergoeding van de proceskosten van de bezwaarfase heb ik pas gedaan in de beroepsfase. De kosten van het notariskantoor zien zowel op de bezwaar- als de beroepsfase. Er is tamelijk veel tijd gestoken in de bezwaarfase, daarom denk ik dat 1/5 deel van de kosten ziet op de beroepsfase.

De kosten van F zien zowel op de bezwaar- als de beroepsfase. De uren voor het verschijnen ter zitting bedraagt één uur.

Inspecteur

Bij de aangifte kapitaalsbelasting is een opmerking geplaatst over een deel dat betrekking heeft op het agio. Maar of de kapitaalsbelasting toen ook daadwerkelijk betaald was, is pas na correspondentie in de bezwaarfase duidelijk geworden. Het is correct dat deze vragen of de betaling plaats had gevonden, ook al in de aanslagfase hadden kunnen worden gesteld.

Het arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2005 gaat over een situatie die speelt met derde landen en in de onderhavige casus gaat het om een situatie met EU-landen. In de laatste zin van overweging 3.3. het arrest wijst de Hoge Raad expliciet op artikel 57 van het EG-verdrag en ik denk dat de reikwijdte van het arrest niet zo ver gaat, dat het zich ook uitstrekt over de onderhavige casus.

De opstelling van de kosten betreffen de kosten gemaakt in de bezwaar- en in de beroepsfase. De declaratie van de notariskosten heb ik nooit gezien. Ik heb geen contacten gehad met F, maar de correspondentie heeft plaatsgevonden met het notariskantoor. De nota van de notaris is van juni 2005, de uitspraak op het bezwaarschrift is van februari 2005. De nota zal ongetwijfeld voor een deel betrekking hebben op de beroepsfase. Ik heb er geen bezwaar tegen dat 1/5 deel van de notariskosten als kosten van de beroepsfase worden bestempeld.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) wordt onder de naam kapitaalsbelasting een belasting geheven ter zake van het bijeenbrengen van in aandelen verdeeld kapitaal in in Nederland gevestigde lichamen. In het tweede lid van artikel 32 van de WBR is bepaald dat onder lichamen wordt verstaan verenigingen, andere rechtspersonen, vennootschappen en doelvermogens.

4.2. In de onderhavige situatie is – voor zover hier van belang – sprake van storting van kapitaal in geld door de in België woonachtige aandeelhouders/natuurlijke personen. De storting is gedaan in een in Nederland gevestigd lichaam. Gelet op het bepaalde in artikel 32 van de WBR is de rechtbank van oordeel dat over de onderhavige kapitaalstorting kapitaalsbelasting is verschuldigd.

4.3. Belanghebbende stelt dat het heffen van kapitaalsbelasting in casu in strijd is met het verbod op de belemmering van de vrijheid van vestiging en kapitaalverkeer als bedoeld in de artikelen 43 en 56 van het EG-verdrag.

4.4. Nu in het onderhavige geval sprake is van een grensoverschrijdende situatie, te weten de in Nederland gevestigde vennootschap enerzijds en haar in België woonachtige aandeelhouders/ natuurlijke personen anderzijds, kan belanghebbende een beroep doen op artikel 43 van het EG-verdrag. Op grond van de in artikel 43 van het EG-verdrag opgenomen vestigingsvrijheid mogen onderdanen van een EG-lidstaat op het grondgebied van een andere EG-lidstaat ondernemingen vestigen en beheren overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor eigen onderdanen zijn vastgelegd. Voorts verbiedt artikel 43 van het EG-verdrag de EG-lidstaat van herkomst de vestiging van een van zijn onderdanen in een andere EG-lidstaat te bemoeilijken.

In artikel 56 van het EG-verdrag is bepaald dat alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen verboden is.

4.5. In casu heeft – voor zover te dezen van belang – de in Nederland gevestigde vennootschap een drietal aandelenemissies verricht bij haar in België woonachtige aandeelhouders. Deze kapitaalstortingen hebben tot heffing van kapitaalsbelasting geleid. Zouden de aandeelhouders niet in België woonachtig zijn geweest, maar in Nederland, dan zou over de kapitaalstortingen ook kapitaalsbelasting verschuldigd zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank leidt artikel 32 van de WBR niet tot een ongeoorloofd onderscheid naar woonplaats en moet de stelling van belanghebbende dat sprake is van strijdigheid met het verbod op belemmering of discriminatie van de vestigingsvrijheid en de vrijheid van kapitaalverkeer, worden verworpen.

4.6. De rechtbank is verder van oordeel dat het in de onderhavige situatie toegepaste artikel 32 van de WBR, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, op een juiste wijze uitvoering geeft aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel c van de Richtlijn 69/335/EEG van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (hierna: de Richtlijn) met inbegrip van de nadien aangebrachte wijzigingen daarop (vergelijk Hoge Raad 12 augustus 2005, nr. 39 935). Dat betekent dat de Richtlijn het kader vormt voor de beoordeling van de conformiteit van de nationale bepaling met het gemeenschapsrecht. Aan het instellen van de Richtlijn heeft een aantal motieven ten grondslag gelegen. Met name is van belang dat bij de instelling van de Richtlijn is overwogen dat de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, leiden tot discriminaties, dubbele belastingheffing en ongelijkheden, die het vrije kapitaalverkeer hinderen, en derhalve door harmonisatie dienen te worden weggenomen. Tevens is daarbij overwogen dat die harmonisatie van een zodanige opzet dient te zijn dat de budgettaire gevolgen voor de lidstaten daarbij tot een minimum worden beperkt. Voorts is nog overwogen dat de idee van een gemeenschappelijke markt met kenmerken van een binnenlandse markt uitgaat van de veronderstelling dat op het in het kader van een vennootschap bijeengebracht kapitaal, binnen de gemeenschappelijke markt slechts eenmaal het recht op het bijeenbrengen van kapitaal kan worden toegepast en dat de hoogte van deze belasting, wil het kapitaalverkeer er niet door worden verstoord, in alle lidstaten gelijk dient te zijn. Tot slot is door de Raad van de Europese Gemeenschappen bij gelegenheid van de wijziging van de Richtlijn bij Richtlijn van 10 juni 1985 (nr. 85/303/EEG) onder meer overwogen dat de noodzaak om prioriteit te geven aan een heropleving van de investeringen het best gediend zou zijn met afschaffing van het kapitaalrecht, maar dat de budgettaire gevolgen van een dergelijke maatregel voor enige Lid-Staten onaanvaardbaar bleek te zijn, reden waarom de Lid-Staten derhalve de mogelijkheid is gelaten om alle of een gedeelte van de verrichtingen die binnen het toepassingsgebied van het kapitaalrecht vallen, van dit recht vrij te stellen dan wel daaraan te onderwerpen, met dien verstande dat in een zelfde Lid-Staat één enkel belastingtarief dient te gelden.

Met inachtneming van het voorgaande alsmede gelet op artikel 58 van het EG-verdrag is de rechtbank van oordeel dat er derhalve bij gebrek aan een volledige harmonisatie van de kapitaalsbelasting geen rechtsregel aan in de weg staat dat Nederland een kapitaalsbelasting heft voor het bijeenbrengen van kapitaal in lichamen die in Nederland zijn gevestigd.

4.7. De rechtbank acht zijn hiervoor gegeven oordelen inzake de toepassing van het gemeenschapsrecht redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar. Mitsdien zal de rechtbank ook niet, anders dan belanghebbende heeft voorgesteld, overgaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

4.8. Gelet op al het vorenoverwogene is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de inspecteur, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.J. Engel, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. C.A.F.M. Stassen. De beslissing is op 4 januari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.H.W.N. Lammers, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.