Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AV0562

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23-01-2006
Datum publicatie
30-01-2006
Zaaknummer
636141/05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet Herstructurering Veehouderij, varkensrechten. Schorsing der vervolging (art. 14 Sv) en verandering van wetgeving (art.1, lid 2 Sr).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 636141/05

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte],

gevestigd te [woonplaats], [adres].

heeft de economische politierechter van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De economische politierechter heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Hij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr A. van Beek.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2004 tot en met 31 december 2004

te Kruisland, gemeente Steenbergen, althans in Nederland, al dan niet

opzettelijk op een bedrijf gelegen aan de Boonhil 31 gemiddeld gedurende het

jaar 2004, 3006 varkens, in elk geval een groter aantal varkens,

onderscheidenlijk fokzeugen, heeft gehouden dan het op dat bedrijf rustende

varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, verminderd met het

grondgebonden deel van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht;

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Zij kan dus in haar vordering worden ontvangen.

5 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De raadsman heeft ter zitting een verzoek ex artikel 14 lid 1 van het wetboek van strafvordering ingediend in verband met een nog lopende procedure bij de burgerlijke rechter. De stelling van de raadsman is dat de Staat jegens verdachte onrechtmatig handelt, door de Wet herstructurering varkenshouderij vast te stellen en uit te vaardigen zonder in dat kader te voorzien in een voor verdachte integrale vergoeding van de door haar tengevolge van de vaststelling en inwerkingtreding van de Wet herstructurering varkenshouderij geleden en nog te lijden schade. Zolang niet is voorzien in een dergelijke schadeloosstelling, zal de burgerlijke rechter naar het oordeel van de verdediging de Wet herstructurering varkenshouderij buiten toepassing moeten verklaren jegens de verdachte. Hij acht de uitkomst van de civiele procedure derhalve van doorslaggevend belang voor de afloop van onderhavige zaak.

De economische politierechter stelt voorop dat hij gelet op art.14, lid 1 van het wetboek van strafvordering niet verplicht is om het oordeel van de burgerlijke rechter ter zake af te wachten en dat hij evenmin gehouden is de uitkomst van het civiele geschil over te nemen. Desalniettemin is de economische politierechter van oordeel dat indien de beslissing door de civiele rechter over het centrale geschilpunt bij de door verdachte gestarte civiele procedure belangrijke gevolgen zou kunnen hebben voor de onderhavige strafzaak, tot schorsing der vervolging zou moeten worden besloten, mede omdat de verdachte heeft aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen een eventueel langdurige aanhouding van zijn strafzaak en dan ook geen beroep zal doen op overschrijding van berechting binnen een redelijke termijn.

De raadsman stelt dat verdachte in de civiele procedure heeft verzocht om integrale vergoeding van de door haar tengevolge van de vaststelling en inwerkingtreding van de Wet herstructurering varkenshouderij geleden en nog te lijden schade en dat slechts in geval niet wordt voorzien in een dergelijke schadeloosstelling de burgerlijke rechter de Wet herstructurering varkenshouderij buiten toepassing zou moeten verklaren jegens de verdachte. De economische politierechter concludeert dat in geval dit betoog van verdachte bij de civiele rechter zou slagen, het gevolg hiervan zou moeten zijn dat aan verdachte een adequate schadevergoeding wordt toegekend. Mocht de civiele rechter vaststellen dat de Staat een dergelijke schadevergoedingsplicht heeft, dan kan de Staat die schadevergoeding toekennen door –al dan niet na het vaststellen van een wettelijke of buitenwettelijke schadevergoedingsregeling- daartoe een besluit te nemen. Mocht de Staat zulks nalaten dan kan een dergelijk schadevergoedingsbesluit zo nodig via een bestuursrechtelijke of civielrechtelijke procedure worden afgedwongen. Dit alles raakt echter de verbindendheid jegens verdachte van het tot 1 januari 2006 geldende uitbreidingsverbod in art.15 van de Wet herstructering varkenshouderij niet.

De economische politierechter concludeert dan ook dat het geschil bij de civiele rechter tussen verdachte en de Staat in de kern gaat om de vraag of en zo ja, in welke mate de Staat gehouden is om aan verdachte een schadeloosstelling te betalen in verband met de intrekking van zijn varkensrechten en dat die vraag geen betrekking heeft op de verbindendheid van de desbetreffende bepalingen uit de Wet herstructurering varkenshouderij, terwijl de verdediging de vermeende onverbindendheid aan het verzoek tot schorsing der vervolging ten grondslag heeft gelegd. De economische politierechter wijst het verzoek derhalve af. Ook overigens zijn geen redenen gebleken om tot schorsing der vervolging te besluiten.

6 De bewezenverklaring.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de economische politierechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2004 tot en met 31 december 2004 te Kruisland, gemeente Steenbergen, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk op een bedrijf gelegen aan [adres] gemiddeld gedurende het jaar 2004, 3006 varkens in elk geval een groter aantal varkens, onderscheidenlijk fokzeugen, meer heeft gehouden, dan het op dat bedrijf rustende varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht, verminderd met het grondgebonden deel van het varkensrecht, onderscheidenlijk fokzeugenrecht;

(Onder toevoeging van het woord “meer” in de telastlegging waardoor verdachte niet in zijn belangen is geschaad).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

7 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

7.1 De bewijsmiddelen.

De raadsman heeft in de eerste plaats betoogd dat verdachte in de telastegelegde periode recht had op het houden van varkens en dat hij zijn varkensrechten dan ook niet heeft overschreden. Daartoe wijst de raadsman erop dat uit het systeem en de wetsgeschiedenis van de Wet herstructurering varkenshouderij zou volgen dat de mestproducenten zelf de hen toekomende rechten kunnen berekenen en vaststellen en dat daarvoor geen nadere besluiten behoeven te worden genomen. De raadsman meent dan ook de strafrechter zelf aan de hand van een berekening volgens de normen van de Wet herstructurering varkenshouderij de aan verdachte toekomende varkensrechten zal moeten vaststellen, waarbij verdachte stelt in aanmerking te komen voor de hardheidsclausuleregeling uit uit art. 9 Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij. Pas nadat de strafrechter de aan verdachte toekomende varkensrechten heeft vastgesteld kan worden beoordeeld of en zo ja, in hoeverre verdachte de hem toekomende rechten heeft overschreden.

De economische politierechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden:

- verdachte had via de rekenmethodiek van de Wet herstructurering varkenshouderij geen varkensrechten; hij meent echter toch varkensrechten te hebben op basis van de hardheidsclausuleregeling in art. 9 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij;

- voor toepassing van de door verdachte gewenste hardheidsclausuleregeling dient verdachte te voldoen aan een aantal voorwaarden. Tot die voorwaarden behoort het tijdig doen van een melding waarin de categorie waarvoor men in aanmerking wil komen, is aangegeven en waarin gegevens zijn vervat waaruit kan blijken dat de melder daadwerkelijk voor de betrokken categorie in aanmerking komt. In het geval van verdachte gaat het daarbij onder meer om het gegeven dat in de in het Besluit aangegeven periode voor zijn bedrijf een milieuvergunning is aangevraagd. Zoals ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBB) in haar beslissing van 19 januari 2001 (LJN AB2221) heeft overwogen moeten door het Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zaken als de tijdigheid van de melding en de juistheid c.q. bruikbaarheid van de daarin vervatte gegevens worden beoordeeld alvorens kan worden bepaald of het bedrijf van de melder past in de door hem gewenste categorie van het Besluit. De melder is dus afhankelijk van die beoordeling; mede daarom is die beoordeling door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (feitelijk door het Bureau Heffingen; hierna wordt de minister dan ook aangeduid als het Bureau Heffingen) door het CBB ook gezien als een (appellabel) besluit.

- Het Bureau Heffingen heeft bij besluit van 30 juli 2002 aan verdachte medegedeeld dat vanaf 2003 voor verdachte 3058 varkenseenheden aan onvoorwaardelijke varkensrechten zijn geregistreerd, maar heeft vervolgens bij besluit van 12 maart 2003 de voor verdachte geregistreerde varkensrechten ingetrokken. Verdachte heeft tegen intrekkingsbeslissing bezwaar gemaakt en aan de voorzieningenrechter van het CBB om een voorlopige voorziening verzocht. Bij uitspraak van 12 juni 2003 heeft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening toegewezen, in dier voege dat het besluit van 12 maart 2003 wordt geschorst tot zes weken nadat een beslissing op bezwaar is verzonden. In de beslissing op bezwaar van 4 november 2003 heeft het Bureau Heffingen de intrekkingsbeslissing gehandhaafd, met dien verstande dat de varkensrechten per 1 januari 2004 zijn ingetrokken. Tegen die beslissing op bezwaar heeft verdachte niet opnieuw een voorlopige voorziening gevraagd.

- Verdachte heeft beroep bij het CBB ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 4 november 2003. Bij beslissing van 27 januari 2005 heeft het CBB het beroep van verdachte ongegrond verklaard (AWB 03/1452).

De economische politierechter overweegt dat indien een (rechts-)persoon zoals verdachte stelt in aanmerking te komen voor toepassing van art.9 van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij, die persoon daartoe een melding moet doen en vervolgens voor zijn varkensrechten afhankelijk is van de beslissing omtrent de melding door het Bureau Heffingen. Bij besluit van 12 maart 2003 heeft Bureau Heffingen na eerdere andersluidende beslissingen, besloten om het beroep van verdachte op de hardheidsgevallenregeling af te wijzen en de hem eerder toegekende varkensrechten in te trekken. Bij beslissing op bezwaar van 4 november 2003 is deze intrekkingsbeslissing met ingang van 1 januari 2004 gehandhaafd. Nu een positieve beslissing op zijn verzoek tot toepassing van de hardheidsclausuleregeling een voorwaarde is voor het hebben van varkensrechten en er na 4 november 2003 een rechtens vaststaande negatieve beslissing over zijn varkensrechten lag, stelt de economische politierechter vast dat verdachte per 1 januari 2004 geen varkensrechten meer had, dat dit ook bij verdachte bekend was en dat verdachte desalniettemin opzettelijk in het gehele jaar 2004 toch gemiddeld 3006 varkens heeft gehouden. Daarbij overweegt de economische politierechter dat voorzover verdachte meende dat hij na 1 januari 2004 in weerwil van de beslissing op bezwaar wel rechtmatig over varkensrechten beschikte, het voor de hand had gelegen dat hij een verzoek had gedaan bij de voorzieningenrechter van het CBB om de beslissing op bezwaar te schorsen totdat het CBB in de beroepsprocedure zou hebben beslist. Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat verdachte zich van deze mogelijkheid bewust is geweest, maar daar geen gebruik van heeft gemaakt, waardoor ook voor hem duidelijk moest zijn dat de beslissing op bezwaar (in ieder geval tot het moment waar het CBB in de hoofdzaak zou beslissen) rechtens geldig was.

De raadsman heeft in de tweede plaats gesteld dat het Bureau Heffingen bij de eerdervermelde beslissing op bezwaar van 4 november 2003 als bijlage een Overzicht bedrijfssituatie per 1 augustus 2003, opgesteld op 4 augustus 2003, heeft meegezonden; uit dit door de raadsman overgelegde stuk blijkt dat verdachte vanaf 1 januari 2004 3058 onvoorwaardelijke varkensrechten zou hebben. In het strafdossier ontbreekt deze bijlage bij de beslissing op bezwaar, maar de raadsman heeft tevens een brief van de directeur van het Bureau Heffingen van 20 januari 2004 overgelegd, waaruit blijkt dat dit Overzicht inderdaad tegelijk met de beslissing op bezwaar is toegezonden.

De economische politierechter is met verdachte van oordeel dat dit Overzicht (waaruit blijkt dat aan verdachte voor 2004 varkensrechten zouden toekomen) niet te rijmen valt met de beslissing op bezwaar waarin die varkensrechten per 1 januari 2004 worden ingetrokken. Gelet op de datering van beide besluiten had verdachte ervan moeten uitgaan dat het meest recente besluit in dezen het rechtens geldende besluit was en dat daarmee de beslissing in het Overzicht van augustus 2003 werd herroepen. Verdachte mocht er in ieder geval niet zonder meer op vertrouwen dat het Overzicht hem -anders dan de recentere beslissing op bezwaar- alsnog varkensrechten over 2004 zou toekennen. Wel is de economische politierechter van oordeel dat verdachte door deze gang van zaken nodeloos in verwarring is gebracht over de hem toekomende varkensrechten en zal dit in de strafmaat meewegen.

De raadsman heeft in de derde plaats aangevoerd dat het vaststellen, uitvaardigen en handhaven van art.15 van de Wet herstructurering varkenshouderij in strijd is met art.1 van het Eerste Protocol van het EVRM en derhalve jegens verdachte onrechtmatig is, omdat deze wettelijke regeling verdachte verbiedt varkens te houden, waar zij volgens de raadsman wel recht op heeft.

De economische politierechter overweegt dat door het intrekken van verdachtes varkensrechten een inbreuk wordt gemaakt op het ongestoord gebruiksrecht van zijn ‘possesions’, in de ruime betekenis die het EHRM daaraan heeft gegeven. De beslissing tot intrekking van de varkensrechten volgt –naar hiervoor al is overwogen- echter niet direct uit de Wet herstructurering varkenshouderij, maar is het gevolg van een daartoe genomen besluit van het Bureau Heffingen. Het is niet ondenkbaar dat door dit intrekkingsbesluit verdachtes belangen ernstig zijn benadeeld en dat er derhalve slechts toe kan worden besloten indien aan verdachte ook een adequate schadevergoedingsregeling wordt aangeboden, maar dat raakt de verbindendheid van de Wet herstructurering varkenshouderij niet, noch maakt dat het vaststellen, uitvaardigen en handhaven van die wet onrechtmatig. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Ten overvloede wijst de economische politierechter er nog op ook het EHRM ervan uitgaat dat toekenning van een redelijke schadevergoeding de regulering of ontneming van eigendom door de Staat rechtmatig kan maken.

8 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende misdrijf op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 15 van de Wet herstructurering varkenshouderij, opzettelijk gepleegd door een rechtspersoon.

9 De strafbaarheid van verdachte.

De raadsman heeft betoogd dat de Wet herstructurering varkenshouderij per 1 januari 2006 is ingetrokken en dat het ten laste gelegde strafbare feit niet langer strafbaar is, zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De economische politierechter stelt vast dat wetgever bij de per 1 januari 2006 in werking getreden wijziging van de Meststoffenwet tevens heeft bepaald dat de Wet herstructurering varkenshouderij wordt ingetrokken. Het voorheen in art.15 Wet herstructurering varkenshouderij opgenomen uitbreidingsverbod is na deze wetswijziging opgenomen in art.56 Meststoffenwet. Gelet op art.1, lid 2 wetboek van strafrecht dienen voor verdachte de meest gunstige bepalingen te worden toegepast. Tot 1 januari 2006 was overtreding van het uitbreidingsverbod strafbaar via art.1, onder 1o van de Wet op de economische delicten en werd gelet op artt.2 en 6 van de Wet op de economische delicten als misdrijf bedreigd met een maximale gevangenisstraf van 6 jaar of een geldboete van de vijfde categorie. Na 1 januari 2006 is overtreding van het uitbreidingsverbod strafbaar via art.1a, onder 1o van de Wet op de economische delicten en is de strafbaarstelling overigens niet gewijzigd.

De wijziging van de wetgeving per 1 januari 2006 behelst derhalve niet een gewijzigd oordeel van de wetgever over de strafwaardigheid van het overtreden van het uitbreidingsverbod. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard, nu ook overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die de strafbaarheid zou opheffen.

10 De straffen en maatregelen.

10.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

10.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het tenlastegelegde op te leggen een geldboete van € 3.000,= waarvan € 2.000,= voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft hiertoe overwogen dat gelet op de gebruikelijke straffen voor dit strafbare feit een boete van vele tienduizenden euros voor de hand zou hebben gelegen, doch dat verdachte naar haar oordeel mogelijk door adviseurs is gebracht tot het strafbare feit en dat hem mogelijk nu pas duidelijk zal zijn geworden dat hij op onjuiste adviezen heeft vertrouwd. In die omstandigheid ziet de officier van justitie reden de gebruikelijke straf flink te matigen.

De economische politierechter overweegt hieromtrent dat zo verdachte al zou zijn afgegaan op adviezen van anderen, wat noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken, hij zich bewust moet zijn geweest van de risico’s van het kiezen van een juridische constructie die mogelijk strijdig zou zijn met de Wet herstructurering varkenshouderij. De economische politierechter ziet hierin dan ook geen reden voor vermindering van de straf. Die risico’s moesten verdachte te meer duidelijk zijn nadat de voorzieningenrechter bij het CBB bij beslissing van 12 juni 2003 de door verdachte gekozen juridische constructie als niet passend in het wettelijk systeem heeft gekwalificeerd en heeft overwogen dat het niet aannemelijk is dat het CBB in de hoofdzaak de redenering van verdachte over de aanvaardbaarheid van de gekozen juridische constructie zou volgen.

Bij de straftoemeting zal de economische politierechter rekening houden met de gebruikelijke straffen voor overtreding van het uitbreidingsverbod.

In het voordeel van verdachte zal de economische politierechter rekening houden met de onduidelijkheid die de sterk wisselende besluitvorming van het Bureau Heffingen bij hem heeft veroorzaakt, welke onduidelijkheid volledig door het Bureau Heffingen is veroorzaakt, nu verdachte immers, voor zover bekend, steeds de juiste gegevens heeft ingestuurd en steeds de juiste procedures heeft bewandeld. Voorts zal de economische politierechter in het voordeel van verdachte rekening houden met het blanco strafblad en met het feit dat verdachte enkele dagen na de beslissing van CBB is gestopt met het houden van varkens.

Alles afwegende, is de economisch politierechter van oordeel dat aan verdachte een geldboete dient te worden opgelegd van na te melden hoogte. De geldboete is hoger dan door de officier van justitie gevorderd, nu de politierechter niet is gebleken dat verdachte zou zijn misleid door mogelijke adviseurs en het strafbare feit derhalve volledig voor zijn rekening komt. De economische politierechter ziet voorts –anders dan de officier van justitie- geen redenen om een deel van die boete voorwaardelijk op te leggen, nu verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven niet voornemens te zijn het houden van varkens te gaan hervatten.

11 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op:

De artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 51, 91 van het wetboek van strafrecht.

De artikelen 15, 44 van de wet herstructurering varkenshouderij.

De artikelen 1, 2, 6, 87 van de wet op de economische delicten.

12 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de economische politierechter als volgt.

De economische politierechter verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven.

Hij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

De economische politierechter verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Hij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het vermelde strafbare feit.

Hij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Hij veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van € 6.000,= (Zesduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door mr. Peters, economische politierechter, in tegenwoordigheid van de griffier Hoppenbrouwers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 januari 2006.