Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2006:AV0138

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
05 / 2394 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

S. heeft gedurende zijn leven nooit aanspraak gemaakt op een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW). Zijn erfgenamen hebben alsnog een aanvraag voor AOW-uitkering gedaan. SVB heeft aan de erfgenamen postuum een AOW-pensioen toegekend, waarbij is overwogen dat in geval van een postume aanvraag de terugwerkende kracht is beperkt tot maximaal één jaar. Volgens SVB-beleid is een verdergaande terugwerkende kracht in deze gevallen niet aan de orde, omdat geen hardheid aanwezig kan zijn bij degene die een postume aanvraag indient. De beoordeling van hardheid is namelijk strikt gebonden aan de inkomenspositie van de pensioengerechtigde zelf. Naar het oordeel van de rechtbank is het SVB-beleid op zichzelf niet in strijd met artikel 16, tweede lid, van de AOW. Overigens acht de rechtbank het beleid niet onredelijk, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat het niet onevenredig is dat een beroep op hardheid slechts aan de pensioengerechtigde toekomt. Nu bestreden besluit is genomen overeenkomstig het beleid, houdt het besluit stand. Beroep op het vertrouwensbeginsel wordt niet gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05 / 2394 AOW RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in de zaak van

de erven van [eiser] te Breda, eisers,

gemachtigde mr. M.J.E.M. Edelmann,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank Breda, verweerder.

1. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 mei 2005 (bestreden besluit), inzake het ouderdomspensioen van wijlen de heer [eiser] (verder: [eiser]). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 december 2005, waarbij eisers zijn vertegenwoordigd door L.P.M. Storimans bijgestaan door mr. I.M.M. Tabeling, kantoorgenote van mr. M.J.E.M. Edelmann. Namens verweerder was aanwezig M.J. Vergay.

2. Beoordeling

2.1 Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[eiser] heeft op [datum] 1994 de 65-jarige leeftijd bereikt. Op 23 oktober 2004 is [eiser] overleden. Hij heeft gedurende zijn leven nimmer aanspraak gemaakt op een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW). Op 2 december 2004 hebben zijn erfgenamen (eisers) alsnog in zijn naam een aanvraag voor AOW-uitkering gedaan bij verweerder.

Bij besluit van 2 maart 2005 (primair besluit) heeft verweerder aan eisers postuum een AOW-pensioen toegekend met ingang van december 2003. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de uitkering wordt toegekend vanaf één jaar voor de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. Van een bijzonder geval om de uitkering met een terugwerkende kracht van langer dan één jaar toe te kennen is volgens verweerder geen sprake.

Bij brieven van 3 april 2005 en 8 mei 2005 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 12 mei 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat voor toekenning van een langere terugwerkende kracht dan één jaar sprake moet zijn van een bijzonder geval en van hardheid. In geval van een postume aanvraag is de terugwerkende kracht echter beperkt tot maximaal één jaar, omdat van hardheid geen sprake kan zijn. De hardheid is volgens verweerder namelijk strikt gebonden aan de inkomenspositie van de pensioengerechtigde zelf.

2.2 Eisers hebben, samengevat, aangevoerd dat zij van mening zijn dat wel is voldaan aan de voorwaarden om het AOW-pensioen met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar toe te kennen. Er is naar hun mening sprake van een bijzonder geval en van hardheid. Aangezien het [eiser] niet is toe te rekenen dat hij door zijn ziekte niet in staat was zelf zijn aanvraag voor een AOW-uitkering in te dienen en hij verschoonbaar onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen, zijn eisers van mening dat sprake is van een bijzonder geval. Daarbij heeft verweerder zich onvoldoende inspanningen getroost om [eiser] tot het indienen van een aanvraag te bewegen en zich onvoldoende verdiept in de oorzaak van het niet retourneren van zijn aanvraagformulier. Eisers verwijzen hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 oktober 1998, gepubliceerd in RSV 1999/30.

Voorts is aan eisers door een medewerker van verweerder verteld dat toekenning van de AOW-uitkering met een terugwerkende kracht van één of vijf jaar mogelijk was. Eisers mochten er in redelijkheid op vertrouwen dat deze medewerker gelijk had toen hij aangaf dat toekenning met een terugwerkende kracht van vijf jaar mogelijk was.

Tenslotte doen eisers een beroep op het beleid van verweerder dat sprake is van hardheid, indien een persoon schade heeft geleden als gevolg van het niet aanvragen van de uitkering, waarop hij op grond van de desbetreffende aanspraakgevende gebeurtenis recht zou hebben gehad. [eiser] heeft als gevolg van het niet aanvragen van de uitkering schade geleden, omdat hij tien jaar van zijn leven zonder AOW-uitkering heeft moeten leven. Eisers zijn van mening dat gezien de omstandigheden een uitkering met een terugwerkende kracht van vijf jaar redelijk zou zijn.

2.3 Artikel 7 van de AOW bepaalt:

Recht op ouderdomspensioen overeenkomstig de bepalingen van deze wet heeft degene, die

a. de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en

b. ingevolge deze wet verzekerd is geweest in het tijdvak, aanvangende met de dag waarop de leeftijd van 15 jaar is bereikt en eindigende met de dag voorafgaande aan de dag waarop de leeftijd van 65 jaar is bereikt.

Artikel 14, eerste lid, van de AOW bepaalt dat het ouderdomspensioen alsmede een verhoging van het ouderdomspensioen op aanvraag wordt toegekend door de Sociale verzekeringsbank.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat in afwijking van het bepaalde in het vorige lid de Sociale verzekeringsbank bevoegd is het ouderdomspensioen of een verhoging van het ouderdomspensioen ambtshalve toe te kennen.

Artikel 16, eerste lid, van de AOW bepaalt dat het ouderdomspensioen ingaat op de eerste dag der maand, waarin de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet.

Ingevolge het tweede lid kan een ouderdomspensioen, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de eerste dag der maand, waarin de aanvraag werd ingediend of waarin ambtshalve toekenning plaatsvond. De Sociale verzekeringsbank kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.

2.4 Het geschil spitst zich toe op de ingangsdatum van het postuum aan [eiser] toegekende AOW-pensioen. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen om het ouderdomspensioen toe te kennen met niet meer dan één jaar terugwerkende kracht voorafgaand aan de aanvraag. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

2.5 Verweerder hanteert ten aanzien van de term ‘bijzonder geval’ in de zin van artikel 16, tweede lid, van de AOW het navolgende beleid. Als sprake is van een bijzonder geval is verweerder bevoegd het ouderdomspensioen met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Volgens dit beleid is sprake van een bijzonder geval indien:

- de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;

- de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen én deze onbekend-heid verschoonbaar was.

Op grond van dit – door de CRvB op belangrijke onderdelen geaccordeerde – beleid wordt in elk voorkomend geval aan de hand van de individuele feiten en omstandigheden bezien of het geval als bijzonder geval kan worden aangemerkt. Beoordeeld wordt of het complex van omstandigheden in onderlinge samenhang een bijzonder geval oplevert.

Van de bevoegdheid om het ouderdomspensioen met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen maakt verweerder alleen gebruik als het van hardheid zou getuigen de terugwerkende kracht tot één jaar te beperken. Volgens het beleid van verweerder is er sprake van hardheid indien een persoon schade heeft geleden als gevolg van het niet aanvragen van de uitkering. Deze schade wordt geacht te zijn opgetreden indien zijn netto inkomen, mede door het niet tijdig aanvragen van de desbetreffende uitkering, onder de voor hem geldende minimum-norm is gedaald in de periode welke is gelegen tussen de datum van de aanspraakgevende gebeurtenis en de datum die ligt één jaar voor de aanvraag.

2.6 In zijn beleid heeft verweerder een specifieke beleidsregel neergelegd met betrekking tot de postume aanvraag (paragraaf 5.1.2 respectievelijk 5.2). Bij een dergelijke aanvraag is de terugwerkende kracht beperkt tot maximaal één jaar vanaf de eerste dag van de maand van aanvraag. Een verdergaande terugwerkende kracht is in deze gevallen niet aan de orde, omdat geen hardheid aanwezig kan zijn bij degene die een postume aanvraag indient. De beoordeling van hardheid is strikt gebonden aan de omstandigheden van de gerechtigde zelf.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit beleid van verweerder ten aanzien van postume aanvragen op zichzelf niet in strijd met de wettelijke bepaling van artikel 16, tweede lid, van de AOW.

Overigens acht de rechtbank dit beleid niet onredelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het niet onevenredig is dat een beroep op hardheid slechts aan de pensioengerechtigde (en niet aan de aanvrager c.q. nabestaande) toekomt, te meer omdat de schade, zoals omschreven in het beleid, moet zijn geleden door de pensioengerechtigde zelf.

2.7 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Bij het nemen van het bestreden besluit heeft verweerder zijn beleid gevolgd. Door verweerder is terecht geconcludeerd dat het onderhavig geval niet voldoet aan de beleidscriteria omtrent hardheid, waarbij de rechtbank buiten beschouwing laat of überhaupt schade is geleden nu namens eisers ter zitting is verklaard dat het inkomen van [eiser] bestond uit een pensioen van de bank waar hij werkzaam is geweest ter hoogte van ongeveer € 1700,- per maand.

Met verweerder – zoals ter zitting betoogd – is de rechtbank van oordeel dat de vraag of sprake is van een bijzonder geval ex artikel 16, tweede lid, van de AOW, niet relevant is omdat geen sprake is van hardheid.

Ten slotte passeert de rechtbank eisers beroep op het vertrouwensbeginsel. Door een medewerker van verweerder zou zijn verteld dat toekenning van de AOW-uitkering met een terugwerkende kracht van één of vijf jaar mogelijk was. Nu dit beroep op het vertrouwensbeginsel geenszins nader door eisers is geadstrueerd, in die zin dat vanwege verweerder aan eisers uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd inlichtingen zijn verstrekt of mededelingen zijn gedaan die gerechtvaardigde verwachtingen hebben opgewekt, mochten eisers niet in redelijkheid erop vertrouwen dat verweerder gehouden was de onderhavige uitkering met een terugwerkende kracht van vijf jaar toe te kennen.

Verweerder heeft gelet op het voorgaande in redelijkheid kunnen beslissen om het ouderdomspensioen toe te kennen met niet meer dan één jaar terugwerkende kracht voorafgaand aan de aanvraag. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

2.8 Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Hödl, rechter, en in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2006.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn daarvoor bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 19 januari 2006.