Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:BA1542

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-10-2005
Datum publicatie
27-03-2007
Zaaknummer
05-00652
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

betreft eigen woningregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/652

Uitspraakdatum:

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het beroep van

[belanghebbende], belanghebbende,

tegen de uitspraak op bezwaar van

de inspecteur van de Belastingdienst, Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.665,=.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2005 te Breda. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

1.4. Belanghebbende heeft ter zitting in kopie overgelegd aan de rechtbank en aan de Inspecteur: “Besluit van 21 juni 2002, nr. CPP2002/2317, V-N 2002/38.12, blz. 3621”, “Vakblad financiële planning – 5 – 15-5-2003 –, Tijdelijke verhuur en uitzending en de eigen woning in de Wet IB 2001”, een uitspraak op bezwaar, en een motivatie en onderbouwing pro forma bezwaarschrift. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van deze stukken.

1.5. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit, is gehuwd en is in het onderhavige jaar in dienst van het Ministerie van Defensie.

2.2. Belanghebbende is vanaf 1993 woonachtig in [woonplaats] (Duitsland).

2.3. In oktober 1999 heeft belanghebbende een woning aan de [adres] te [woonplaats] aangekocht. Belanghebbende heeft hier van 12 oktober 1999 tot 11 januari 2000 gewoond.

2.4. Belanghebbende is door zijn werkgever voor de periode van 11 januari 2000 tot 7 november 2002 uitgezonden naar Denemarken. Tijdens voornoemde periode heeft belanghebbende samen met zijn echtgenote in Denemarken gewoond. Aansluitend is belanghebbende uitgezonden naar Spanje

2.5. De zoon van belanghebbende heeft van 12 oktober 1999 tot 21 september 2002 in de woning te [woonplaats] gewoond. In de periode van 4 september 2001 tot 5 november 2002 heeft belanghebbendes dochter in de woning gewoond, waarvan in de periode van 5 september 2002 tot 5 november 2002 samen met haar echtgenoot.

2.6. De woning te [woonplaats] is op 14 november 2002 verkocht.

3. Het geschil

3.1. In geschil is of het saldo eigen woning al dan niet terecht bij belanghebbende in aanmerking is genomen.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, de Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

- De grieven voor wat betreft de woning in [woonplaats] laat ik varen, aangezien die woning bij mijn dochter in eigendom is.

- De woning te [woonplaats] is een eigen woning in de zin van artikel 3.110 van de Wet IB 2001 en dient als zodanig voor de inkomstenbelasting in aanmerking te worden genomen. Aan de woorden “tot het huishouden behoren” wordt in BNB 1987/13.5 een ruime uitleg gegeven. De zoon blijft tot het huishouden behoren.

- [de schrijver] schrijft in het Vakblad financiële planning van 15 mei 2003 dat als kinderen tot het huishouden behoren en in de woning blijven wonen ten tijde van de uitzending, ze tot het huishouden blijven behoren.

- De stukken van [de heer] zijn overgelegd omdat deze over hetzelfde onderwerp gaan.

- Op het moment van uitzending moet het bepaalde in artikel 3.111, eerste lid Wet IB 2001 worden toegepast. Op het moment dat de woning te [woonplaats] te koop wordt aangeboden is het bepaalde in artikel 3.111, derde lid, Wet IB 2001 van toepassing.

- De door Inspecteur in het verweerschrift genoemde feiten zijn juist.

Inspecteur:

- In de parlementaire behandeling wordt uiteengezet dat er sprake is van twee situaties. In de eerste situatie blijven de echtgenote en kinderen achter in Nederland. In onderhavige situatie blijven alleen de kinderen achter. De tweede situatie is niet van toepassing, omdat belanghebbende minder dan een jaar in de woning te [woonplaats] heeft gewoond.

- In de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 7 april 2005, nummer 03/1672, LJN: AT4364, staat heel duidelijk dat het begrip hoofdverblijf van belang is. Het hoofdverblijf van belanghebbende is verplaatst naar Denemarken. In het jaar 2001 vestigt de dochter, die eerst niet tot de huishouding behoorde, zich in de woning te [woonplaats] en later kwam haar echtgenoot erbij wonen. In het jaar 2002 is het onmogelijk om de woning te [woonplaats] op grond van artikel 3.111 Wet IB 2001 als eigen woning in aanmerking te nemen.

- Het hele stuk van [de schrijver] is op persoonlijke titel geschreven.

- Belanghebbende verwijst ook naar de stukken van [de heer], maar deze stukken zijn niet relevant, omdat het de situatie in 1998 betreft.

- De woning te [woonplaats] was te koop in het onderhavige jaar. Artikel 3.111, derde lid, Wet IB 2001 kan niet worden toegepast, want op grond van dit artikel moet de onroerende zaak leeg staan en in onderhavige situatie is dat niet zo.

Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat:

- belanghebbende rechtstreeks van Denemarken naar Spanje is uitgezonden;

- de hypotheekrente voor de woning te [woonplaats] € 10.951,= bedraagt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en, naar de rechtbank verstaat, vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.714,=.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vaststaat dat belanghebbende in het onderhavige jaar in Denemarken woonde en werkte en aansluitend daarop naar Spanje is uitgezonden. De rechtbank is van oordeel dat in dat geval belanghebbendes hoofdverblijf in het onderhavige jaar niet in Nederland heeft gelegen. Reeds op die grond kan de woning niet worden aangemerkt als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 (tekst 2002). Belanghebbendes stelling dat de woning op grond van het bepaalde in het derde lid als eigen woning moet worden aangemerkt faalt aangezien de woning in de periode dat de woning te koop werd aangeboden niet leeg heeft gestaan.

Belanghebbendes stelling dat de woning op grond van het zesde lid van artikel 3.111 voornoemd kan worden aangemerkt als een eigen woning wordt verworpen. Nu belanghebbende slechts van 12 oktober 1999 tot 11 januari 2000 in de woning heeft gewoond, welke periode korter is dan een jaar, heeft hij niet voldaan aan het vereiste dat de woning ten minste een jaar als eigen woning, als bedoeld in het eerste lid, ter beschikking heeft gestaan.

4.2. Op grond van het vorenoverwogene kan de woning niet worden aangemerkt als een eigen woning in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001, zodat de inkomsten en kosten verbonden aan de eigen woning niet in aanmerking kunnen worden genomen bij het inkomen uit werk en woning. Hetgeen belanghebbende heeft gesteld omtrent “behoren tot zijn huishouden” brengt hier geen verandering in. De hypotheekrente is daarom door Inspecteur terecht niet in aanmerking genomen.

4.3. Belanghebbende beroept zich tevens op de aanslagregeling voor de jaren 2000 en 2001. Belanghebbende kan aan deze aanslagregelingen geen in rechten te beschermen vertouwen ontlenen dat de onderhavige aanslag op dezelfde wijze zou worden geregeld als de aanslagen voor de jaren 2000 en 2001. De rechtbank neemt hierbij het volgende in overweging.

4.3.1. Met ingang van 2001 is de Wet IB 2001 van toepassing in plaats van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 voor de jaren daarvoor. Het al dan niet hebben van een hoofdverblijf in de woning heeft onder die wettelijke regelingen verschillende gevolgen. Onder de oude regeling bleef de woning indien deze geen hoofdverblijf meer vormde onder het regime van de inkomsten uit vermogen vallen, onder de thans geldende regeling gaat de woning in dat geval van het regime van inkomsten uit werk en woning naar het regime van de inkomsten uit sparen en beleggen. Het standpunt ten aanzien van de hoogte van het huurwaardeforfait onder de oude wetgeving kan daarom niet beslissend worden geacht voor de toepassing van de eigen woningregeling onder de nieuwe wetgeving. Een in rechte te beschermen vertrouwen kan daarom niet worden ontleend aan die aanslagregeling voor het jaar 2000.

4.3.2. Met betrekking tot de aanslagregeling voor het jaar 2001 is aannemelijk dat de aanslag versneld is geregeld en dat geen sprake is van een bewuste standpunt bepaling door de Inspecteur. Een in rechte te beschermen vertrouwen kan daarom niet worden ontleend aan die aanslagregeling voor het jaar 2001.

4.4. De rechtbank verstaat het beroep van belanghebbende op de stukken van [de heer] als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Nu in het geval [de heer] eveneens het standpunt van de inspecteur de hoogte van het toenmalige huurwaardeforfait betreft faalt ook dit beroep reeds op de in 4.3 vermelde grond. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

4.5. Op grond van al het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van Inspecteur en moet worden beslist als hierna vermeld.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen. De beslissing is op

in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. van Sleuwen, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.