Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AU8708

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-12-2005
Datum publicatie
02-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/408
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestaan voorperiode niet aannemelijk geacht

Belanghebbende stelt dat hij per 30 juni 2000 een voorovereenkomst heeft gesloten tot oprichting van een B.V. De rechtbank overweegt echter dat de feiten die conclusie niet toelaten. Zo is belanghebbendes eenmanszaak nog tot in 2001 voortgezet en wordt de stelling, dat de eenmanszaak vanaf de aanvang als tijdelijk was bedoeld, niet hardgemaakt. Een tweetal door belanghebbende overgelegde getuigenverklaringen komen de rechtbank niet geloofwaardig voor, nu deze vier jaar na dato en onder regie van belanghebbende zijn opgesteld. Het staat de inspecteur, in het licht van het bepaalde in art. 8:69 Awb., vrij om, na zich in de bezwaarfase voornamelijk te hebben gericht op het eventueel bestaan van goodwill, pas in de beroepsfase de problematiek van de voorperiode ten principale aan de orde te stellen. Belanghebbende is gehoord overeenkomstig art. 7:2 Awb, ook al stond ook tijdens het hoorgesprek voornamelijk het eventueel bestaan en de omvang van goodwill ter discussie.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.4
Wet inkomstenbelasting 2001 3.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/23.7 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0026
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/408

Uitspraakdatum: 15 december 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P]

verweerder.

Verweerder en eiser zullen hierna worden aangeduid als respectievelijk Inspecteur en belanghebbende.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2000 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen van

€ 155.664. In dit bedrag is begrepen een bedrag groot € 109.321, dat praktisch volledig bestaat uit het bedrijfsresultaat van een door belanghebbende gedreven onderneming over het tweede halfjaar 2000, dat door de Inspecteur is toegerekend aan de eenmanszaak van belanghebbende en dat, volgens belanghebbende, dient te worden toegerekend aan een B.V. waarvan het voornemen om tot oprichting te komen op 30 juni 2000 zou zijn vastgelegd.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.

1.3. Belanghebbende heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna de Inspecteur schriftelijk heeft gedupliceerd. Op 14 september 2005 is een pleitnota van belanghebbende ingekomen. De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. Al deze stukken worden, met instemming van partijen, tot de gedingstukken gerekend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2005 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde belanghebbende], verbonden aan [woonplaats gemachtigde belanghebbende], alsmede, namens de Inspecteur, de heer [gemachtigde verweerder].

1.5. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is in het jaar 2000 een onderneming begonnen (hierna: “de onderneming”) die onder de naam “[naam onderneming belanghebbende]” op 17 februari 2000, als eenmanszaak, is ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, [provincie], te [plaats]. De onderneming hield zich bezig met advies- en managementwerkzaamheden.

2.2. Blijkens een op 25 februari 2000 door belanghebbende ingevuld “Informatieformulier voor de toepassing van de ziekenfondswet op zelfstandigen” bevond de onderneming zich op dat moment nog in de opstartfase en nam zij nog geen deel aan het economisch verkeer.

2.3. De onderneming is, blijkens een door belanghebbende op 28 mei 2000 ingevuld formulier “opgaaf gegevens startende onderneming”, feitelijk omstreeks 1 mei 2000 opgestart.

2.4. Belanghebbende heeft een “voorovereenkomst tot oprichting van een B.V.” overgelegd, met als dagtekening 30 juni 2000. De op te richten B.V. zou “[naam op te richten b.v.]” komen te heten. Bij notariële akte van [datum] is deze vennootschap totstandgekomen.

3. Het geschil

Het geschil betreft de vraag of op 30 juni 2000 een voorovereenkomst is gesloten tot inbreng van de onderneming in een nieuw op te richten B.V.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de aanslag.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt dat, waar in de bezwaarfase voornamelijk de omvang van een eventuele goodwill bij inbreng aan de orde is geweest, het de Inspecteur niet vrijstaat om in de beroepsfase het bestaan van een voorovereenkomst ter discussie te stellen. Deze stelling miskent het aan artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht ten grondslag liggende uitgangspunt, dat de omvang van het geschil in beginsel door partijen wordt bepaald en het partijen vrijstaat eerder niet, dan wel niet uitputtend, aan de orde gestelde punten van geschil aan de rechter in belastingzaken voor te leggen.

4.2. Belanghebbende wijst er voorts op dat hij weliswaar, op zijn verzoek, in de bezwaarfase, op 19 juli 2004, is gehoord, maar dat ook in dit hoorgesprek uitsluitend de aard en omvang van eventuele goodwill bij inbreng aan de orde zijn geweest. De rechtbank verstaat dit als een beroep op materiele strijdigheid met het bepaalde in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De Inspecteur voert aan dat artikel 7:2 geen eisen stelt met betrekking tot het onderwerp van het hoorgesprek en dat aan de formele eis van het horen is voldaan. Wat daarvan zij, de rechtbank stelt vast dat belanghebbende het in eigen hand heeft gehad om zijn bezwaren tegen het standpunt van de Inspecteur met betrekking tot het inbrengmoment ter sprake te brengen en overigens in de loop van het geding ruimschoots de gelegenheid heeft gehad zijn verdediging te richten op de door de Inspecteur in de beroepsfase aan de orde gestelde problematiek en derhalve in die verdediging niet is geschaad.

4.3. De Inspecteur stelt dat uit het feit dat registratie van de voorovereenkomst, een op zichzelf simpele handeling, achterwege is gebleven, kan worden afgeleid dat de voorovereenkomst op 30 juni 2000 nog niet bestond, dan wel dat aan het bestaan van de voorovereenkomst op dat tijdstip ernstig kan worden getwijfeld. De rechtbank kan belanghebbende volgen in zijn stelling dat geen wettelijke bepaling hem verplicht om, bij zogenaamde “ruisende inbreng” een voorovereenkomst tot oprichting van een B.V. te laten registreren. Nu registratie echter achterwege is gebleven is het aan belanghebbende om op andere wijze het op 30 juni 2000 gesloten zijn van een zodanige voorovereenkomst aannemelijk te maken.

4.4. Belanghebbende voert daartoe in de eerste plaats aan, dat de Inspecteur, in een brief van 2 juli 2004, het bestaan van een zodanige voorovereenkomst heeft erkend, getuige de zin: “Ik zal er in deze brief vanuit gaan dat de voorovereenkomst reeds op 30 juni 2000 bestond.” De rechtbank is echter, met de Inspecteur, van mening dat deze zin, in de context van de brief, niet anders kan worden gelezen dan als een opening voor een discussie over de hoogte van de per die datum eventueel aanwezige goodwill, en niet kan worden opgevat als een toezegging waaraan een in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend.

4.5. De Inspecteur stelt dat, gezien het feit dat de onderneming, niet eerder dan omstreeks 1 mei 2000 is opgestart, het niet voor de hand ligt dat nog geen twee maanden later reeds een voorovereenkomst tot oprichting van een B.V. zou zijn gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank is echter aan louter een kort tijdsverloop tussen het starten van een eenmanszaak en het tot uitdrukking brengen van het voornemen om te komen tot de oprichting van een B.V. als zodanig geen bewijs voor het niet bestaan van dat voornemen te ontlenen

4.6. Belanghebbende heeft voorts een tweetal, op 27 juni 2004, respectievelijk 28 juni 2004 getekende, gelijkluidende, verklaringen overgelegd, waarin namens een van zijn cliënten, onder meer wordt verklaard dat reeds in juni 2000 de eerste verkennende besprekingen zouden zijn gevoerd tussen hun onderneming en belanghebbende, die bij die gelegenheid zou hebben verklaard op te treden namens zijn B.V. in oprichting. De Inspecteur heeft de waarde van deze verklaringen in twijfel getrokken, gezien het feit dat deze verklaringen omstreeks vier jaar na het gebeurde zijn opgesteld, naar belanghebbende ter zitting heeft verklaard, onder zijn regie, en voor het overige niet door feiten worden geschraagd. Daartegenover voert de Inspecteur aan dat aan de betrokken cliënt nog tot in het jaar 2001 facturen zijn uitgereikt op naam van [naam onderneming belanghebbende], terwijl bovendien in juli 2000 nog een overeenkomst is gesloten met een andere cliënt, eveneens op naam van [naam onderneming belanghebbende]. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden voorbij gegaan kan worden aan de door belanghebbende overgelegde getuigenverklaringen.

4.7. Belanghebbende stelt dat aan het feit dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag in de vennootschapsbelasting ten name van [naam op te richten b.v.]. over het jaar 2001, mede de aan de voorperiode van 1 juli 2000 tot en met 31 december 2000 behaalde winst heeft betrokken, de erkenning door de Inspecteur van het bestaan van die voorperiode kan worden ontleend. De Inspecteur heeft dienaangaande opgemerkt dat het in de vennootschapsbelasting betrekken van de over de tweede helft van het jaar 2000 behaalde winst moet worden gezien als strekkende tot behoud van rechten, zolang geen uitspraak is gedaan over het bestaan van een voorperiode. De rechtbank is van mening dat in de gegeven omstandigheden de wijze van belastingheffing geen oordeel over het al dan niet bestaan van een voorperiode impliceert.

4.8. Belanghebbende stelt tenslotte, dat de periode gedurende welke hij zijn bedrijf uitoefende in de eenmanszaak onder de naam [naam onderneming belanghebbende], slechts tijdelijk was bedoeld en dat het van het begin af aan in de bedoeling lag om te komen tot de oprichting van een B.V. Deze stelling wordt echter niet onderbouwd door feiten of stukken. In dit verband stelt de Inspecteur nog de logica van het gedurende een korte periode opereren als eenmanszaak, terwijl op dat moment het voornemen reeds bestond om als B.V. verder te gaan, aan de orde. Naar zijn oordeel ligt het dan voor de hand om de kosten die gemoeid gaan met het doen vervaardigen van een nieuw logo, briefpapier, visitekaartjes en dergelijke te besparen. Wat daarvan ook zij, de rechtbank is van oordeel dat de stelling dat [naam onderneming belanghebbende] slechts tijdelijk was bedoeld, niet aannemelijk is gemaakt.

4.9. Gelet op het vorenstaande is niet overtuigend is komen vast te staan dat op 30 juni 2000, of op enig ander in het jaar 2000 gelegen tijdstip, zo het voornemen om te komen tot de oprichting van een B.V. al bestond, aan dat voornemen een begin van uitvoering is gegeven. Het gelijk is daarmee aan de Inspecteur.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. M.G.W.M. Stienissen en de mrs. D. Hund en A.J. Kromhout, leden. De beslissing is op15 december 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr.M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.