Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AU8678

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-12-2005
Datum publicatie
02-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/288
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Extra verliesverrekening en meer kosten niet aannemelijk gemaakt. Verzuimboete ten onrechte opgelegd wegens (derde) termijnverlenging.

Belanghebbende claimt in 1996 (van belang voor verliesverrekening) en 1998 (onderhavige jaar) meer kosten te hebben gemaakt. De rechtbank acht dit niet aannemelijk gemaakt. De aangifte is binnen de door de inspecteur gestelde termijn in zijn derde aanmaning binnen gekomen. De rechtbank ziet in de door de inspecteur gesteld extra termijn de termijnverlenging ex art. 9, lid 3 AWR.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 9
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2006/3.1
V-N 2006/25.5 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0003 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/288

Uitspraakdatum: 15 december 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser],

[woonplaats eiser], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P],

verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 1998 een aanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting berekend naar een belastbaar bedrag van € 119.794 met daarbij een bij beschikking vastgestelde verzuimboete van € 2.500.

1.2. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 79.283. De bij beschikking vastgestelde verzuimboete is gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen beide beroep ingesteld.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2005 te Breda.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [gemachtigde belanghebbende], als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de inspecteur, de heren [gemachtigden verweerder].

1.4. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende is opgericht op [datum] onder de naam [eerste naam eiser]. In 1986 is, middels een statutenwijziging, de naam gewijzigd in [eiser]. Het doel van de vennootschap is sindsdien de handel in nieuwe en gebruikte auto’s, motoren en aanverwante artikelen en de handel in auto-onderdelen. Directeur en aandeelhouder van belanghebbende is de heer [naam belanghebbende]. De heer [naam belanghebbende] is in 1998 ook firmant van een vennootschap onder firma (hierna: de vof). Per 1 januari 1998 is de handelsactiviteit vanuit de vof in belanghebbende ingebracht. De activiteiten van de vof betroffen in 1998 de reparatie en onderhoud van automobielen.

2.2. Aan belanghebbende zijn aanslagen vennootschapsbelasting 1994 en 1995 opgelegd. Na het indienen van een tweetal bezwaarschriften is belanghebbende, om praktische redenen, met de inspecteur op 15 januari 1998 overeengekomen dat nog niet in aanmerking genomen bedragen aan kosten, die betrekking hadden op deze jaren, respectievelijk ƒ 297 en ƒ 275, alsnog als kosten in 1996 in aftrek gebracht zullen worden.

2.3. Aan belanghebbende is een aangiftebiljet vennootschapsbelasting 1997 uitgereikt. Er is uitstel verleend voor het indienen van de aangifte tot 28 februari 1999. Aangezien voor dat tijdstip geen aangifte is ingediend, is er een aanmaning verzonden waarin belanghebbende in de gelegenheid is gesteld uiterlijk 12 april 1999 alsnog aangifte te doen. Er is geen aangifte ingediend zodat met dagtekening 15 november 1999 de aanslag vennootschapsbelasting 1997 ambtshalve is opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 9.128. Hierbij is een verhoging opgelegd van ƒ 164. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag. Het belastbaar bedrag is na bezwaar vastgesteld op ƒ 850 negatief. Daarbij is de verhoging teruggebracht tot nihil.

2.4. Aan belanghebbende is een aangiftebiljet vennootschapsbelasting 1998 uitgereikt. Er is uitstel verleend voor het indienen van de aangifte tot 29 februari 2000. Hierna is een aanmaning verzonden, met als dagtekening 15 maart 2000, waarin belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om binnen 10 dagen de vereiste aangifte in te dienen. Op 24 mei 2000 is een tweede aanmaning verstuurd. Op 14 juni 2000 is een derde aanmaning verstuurd, waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om voor 5 juli 2000 de aangifte in te dienen

2.5. Belanghebbende heeft de aangifte vennootschapsbelasting 1998, in ieder geval, ingediend op 20 juni 2000 met een belastbare winst van ƒ 30.651 en een belastbaar bedrag van ƒ 29.779.

2.6. Op 8 mei 2001 is bij belanghebbende en de vof een boekenonderzoek ingesteld om de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting 1998 en 1999 te onderzoeken. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek is met dagtekening 22 december 2001, ter behoud van rechten, de aanslag vennootschapsbelasting 1998 opgelegd naar een belastbare winst van ƒ 121.516 en een belastbaar bedrag van ƒ 119.794.

2.7. De aanslagen inkomstenbelasting van de firmanten van de vof staan onherroepelijk vast.

3. Het geschil

In geschil zijn de antwoorden op, naar ter zitting is komen vast te staan, de volgende vragen:

1. Heeft belanghebbende meer kosten gemaakt dan waarmee de inspecteur rekening heeft gehouden?

2. Is er rekening gehouden met het juiste bedrag aan verliesverrekening?

3. Is de verzuimboete niet terecht, dan wel tot een onjuist bedrag opgelegd?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Namens belanghebbende:

Ik heb geen stuk van de berekening van de verliesbedragen in 1996. Ik heb alleen een onderdeel van de aangifte 1996 bij me waar een specificatie van de verliezen van ƒ 1495 op staat. Het grotere verlies in 1996 ten opzichte van 1994 en 1995 zou van een kostenpostje moeten komen.

Mijn gemachtigde heeft een aantekening in het dossier staan op welk moment de aangifte naar mij is gestuurd, niet wanneer de aangifte naar de belastingdienst is gestuurd. Ik kan mij de datum van terugsturen naar mijn gemachtigde niet herinneren. Mijn gemachtigde maakt nadat ik de aangifte naar hem heb teruggestuurd geen kopie, dat wordt van tevoren gedaan.

Met betrekking tot de kosten hebben we een verschil. Er vallen nu kosten buiten de boot. Er zijn drie soorten kosten, met name de verkoopkosten, die 100% te mijner laste gebracht moeten worden. We zijn bij de Inspecteur geweest en hebben zowel schriftelijk als mondeling hem geprobeerd te overtuigen. Ter onderbouwing hiervan is een stuk overgelegd.

De Inspecteur:

De overeenkomst met betrekking tot de verliezen uit 1994 en 1995 is geweest voor de indiening van de aangifte 1996. 1994 tot en met 1996 waren gelijke jaren zonder activiteiten in de BV. De bedragen van de kosten waren ongeveer gelijk, ƒ 297 in 1994, ƒ 275 in 1995 en samen ± ƒ 850 in 1996. Ik heb geen stuk van de berekening van de verliesbedragen in 1996. In de aangifte zit geen jaarrekening en geen vermogensopstelling. Alleen ƒ 872 als kostenpost.

Ik heb geen stukken met betrekking tot de verzuimen van de vorige keren, wel was er een aantekening in het systeem. De aangifte met de stempel van de datum van binnenkomst 20 juni 2000 en het begeleidend briefje van de gemachtigde van belanghebbende worden overgelegd.

Er wordt ook een stuk overgelegd waaruit blijkt dat er tussen belanghebbende en de inspecteur uitvoerig is gecorrespondeerd, alsmede een stuk waaruit blijkt dat de kosten al in de winst van de vof zijn begrepen.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslag en de boete.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Met betrekking tot het eerste geschilpunt:

In het controlerapport van de inspecteur wordt hierover het volgende opgemerkt: “In de aangifte vennootschapsbelasting 1998 is een bedrag aan kosten opgevoerd groot ƒ 115.852. In de verstrekte verlies- en winstrekening en de kolommenbalans wordt het bedrag van de kosten gesteld op ƒ 2.862 voor diverse verkoopkosten en ƒ 14.200 aan doorberekende kosten. Totaal bedrag kosten is ƒ 17.063. Het bedrag aan uitbesteed werk en reparaties en inkoopkosten is reeds in de inkoopwaarde verwerkt.“

4.2. Belanghebbende stelt dat er naast deze kosten nog meer kosten zijn ter grootte van ƒ 39.045, zijnde commissie en provisies, die ook niet bij de vof in aanmerking genomen zouden zijn als kosten. Voorts heeft hij ter zitting een nieuwe berekening met een bedrag van ƒ 20.909 overgelegd. De cijfers van deze berekening en van de bij het beroepschrift gevoegde aangifte vennootschapsbelasting komen niet overeen. Ook overigens heeft belanghebbende nagelaten aannemelijk te maken welke kosten er nu onder deze kostenpost zouden vallen en of deze niet reeds eerder onder de kosten van de vof gerangschikt waren. Tegenover de gemotiveerde ontkenning hiervan door de inspecteur maakt belanghebbende niet aannemelijk dat er nog meer kosten in aftrek komen naast de al eerder in aanmerking genomen kosten van ƒ 17.063.

4.3. Met betrekking tot het tweede geschilpunt:

Belanghebbende en de inspecteur zijn met betrekking tot de kosten van 1994 en 1995 overeengekomen dat deze bij de berekening van het belastbare bedrag over 1996 in aanmerking zullen worden genomen. Beide partijen kunnen niet met zekerheid zeggen of dat inderdaad is gebeurd. Gezien het feit dat belanghebbende in 1994 tot en met 1996 geen activiteiten ontplooide en er in 1994 en 1995 ongeveer gelijke kosten zijn gemaakt en de aangifte pas is ingediend na het opstellen van de overeenkomst, acht de rechtbank het aannemelijk dat in de kosten van ƒ 872 van 1996 ook de kosten van 1994 en 1995 zijn begrepen en dat het verlies over 1996 aldus tot een juist bedrag is vastgesteld. Belanghebbendes klacht op dit onderdeel is dan ook ongegrond.

4.4. Met betrekking tot het derde geschilpunt.

Belanghebbende heeft zijn aangifte, in ieder geval, op 20 juni 2000 ingediend. Op 15 maart 2000 is er een aanmaning verstuurd ex artikel 9, lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) met de tekst: “U krijgt de gelegenheid de vereiste aangifte alsnog te doen binnen tien werkdagen na de dagtekening van deze aanmaning. Als u dit niet doet kan er een boete worden opgelegd.” In deze aanmaning wordt uitdrukkelijk vermeld: “Let op: De termijn voor het doen van de vereiste aangifte zal niet worden verlengd.” Belanghebbende krijgt van de inspecteur echter nog een tweede en een derde brief, waarin belanghebbende nog tot 5 juli 2000 de gelegenheid wordt gegeven om de onderhavige aangifte alsnog in te dienen, zonder dat hierin het voornemen tot het opleggen van een boete wordt geconcretiseerd. Boven aan de derde brief staat: “derde aanmaning inleveren aangiftebiljet”. Ook staat in deze brief: “Bovendien kan de belastingdienst u strafrechtelijk laten vervolgen als u het aangiftebiljet (opzettelijk) niet of niet op tijd inlevert. U kun dit voorkomen door alsnog aangifte te doen vóór de hierboven genoemde datum.” Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, leest de rechtbank hierin een door de inspecteur verleende termijnverlenging ex artikel 9, lid 3 AWR. Nu belanghebbende zijn aangifte op 20 juni 2000 heeft ingeleverd is de aangifte op tijd binnen gekomen en de verzuimboete ten onrechte opgelegd. Het beroep is in zoverre gegrond.

5. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Awb de inspecteur te veroordelen in de kos-ten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- handhaaft de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag vennootschapsbelasting;

- vernietigt het primaire boetebesluit;

- veroordeelt inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) die deze kosten aan belanghebbende dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 273 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. M.G.W.M. Stienissen, voorzitter, mrs. A.J. Kromhout en D. Hund. De beslissing is op 15 december 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.S.J. Pijnenburg-Braspenning, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.