Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AU8518

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
25-10-2005
Datum publicatie
04-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/02337
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening; kortsluiting.

Verzoekster werkt in de in Duitsland gedreven onderneming van haar echtgenoot. Het echtpaar woont in Nederland. Vanuit de onderneming is aan haar is een auto met Duits kenteken ter beschikking gesteld. De inspecteur heeft vrijstelling van BPM verleend (de werknemersvrijstelling van artikel 2, onderdeel a, Uitvoeringsbesluit BPM). Die vrijstelling is ingetrokken toen bleek dat de auto hoofdzakelijk door haar echtgenoot werd gebruikt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient het vereiste van artikel 2, onderdeel a, Uitvoeringsbesluit BPM zo geïnterpreteerd te worden dat de vrijstelling alleen van toepassing is indien verzoekster zelf de auto voor ten minste 50% of meer gebruikt voor haar werkzaamheden in het buitenland. Nu blijkt dat haar echtgenoot ruimschoots meer dan de helft van de gereden kilometers aflegt, zonder dat verzoekster daarbij aanwezig is, is de vrijstellingsvergunning terecht ingetrokken.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 2
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/41.2.16
FutD 2006-0011
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Voorlopige voorzieningenrechter

Registratienummer: AWB 05/02337

Uitspraakdatum: 25 oktober 2005

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats verzoeker] (hierna: verzoeker)

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P],

(hierna: de inspecteur).

1. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- verklaart het beroep ongegrond.

2. Ontstaan en loop van het geding

2.1. Op 4 maart 2005 is aan verzoeker een vrijstelling Belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) verleend met het kenmerk [nummer]. Deze vrijstelling is verleend op grond van artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM (hierna: de vrijstelling). De vrijstelling gold voor de personenauto van het merk Volvo, type V50, voorzien van een Duits kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Bij beschikking van 3 juni 2005 met kenmerk [nummer] is deze vrijstelling ingetrokken.

2.2. Verzoeker heeft op 28 juni 2005 bezwaar gemaakt tegen de intrekking van de vrijstelling.

2.3. Bij schrijven van 7 juli 2005 heeft verzoeker een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Het verzoek heeft betrekking op de beschikking van 3 juni 2005 strekkende tot intrekking van de vrijstelling. Het verzoek strekt tot:

- primair: vernietiging van de beslissing van 3 juni 2005, inhoudende de intrekking van de vrijstelling en bepaling dat de eerder afgegeven vrijstelling ten onrechte werd ingetrokken;

- subsidiair: bepaling dat de eerder afgegeven vrijstelling kan worden gebruikt totdat in hoogste instantie een definitieve uitspraak is gedaan.

2.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.5. Verzoeker en de inspecteur hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

2.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2005. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, [gemachtigde verzoeker] als gemachtigde van verzoeker, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde inspecteur].

2.7. Verzoeker heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

2.8. De inspecteur heeft met dagtekening 30 september 2005 uitspraak op het bezwaarschrift van verzoeker gedaan. Ter zitting heeft verzoeker beroep aangetekend tegen deze uitspraak op het bezwaarschrift.

3. Karakter van de voorlopige voorziening

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

3.2. Ingevolge artikel 8:86 Awb kan de voorzieningenrechter, indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Indien de voorzieningenrechter geen uitspraak doet in de hoofdzaak, heeft zijn oordeel, voor zover dit het geschil in de bodemprocedure betreft, een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

3.3. De inspecteur heeft bestreden dat sprake is van onverwijlde spoed. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker voldoende aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheid dat de echtgenoot van verzoeker in Nederland onbeperkt gebruik kan maken van de auto voor ritten naar potentiële afnemers ten behoeve van zijn onderneming, van zodanig groot belang is dat onverwijlde spoed bij behandeling van het geschil geboden is.

3.4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in het onderhavige geval nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom zal, op grond van artikel 8:86 van de Awb, tevens onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

4. Beoordeling van het verzoek

4.1. Op grond van artikel 14 van de Wet BPM juncto artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM kan vrijstelling van belasting worden verleend voor personenauto’s die zijn geregistreerd in het buitenland en door een in dat land gevestigde werkgever ter beschikking zijn gesteld aan een als werknemer bij hem in dienst zijnde in Nederland wonende persoon, indien:

a. de personenauto of het motorrijwiel hoofdzakelijk is bestemd voor de uitoefening van de werkzaamheden van de werknemer buiten Nederland, alsmede voor persoonlijk gebruik, gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen;

b. de werkgever blijkens een schriftelijke verklaring heeft toegestaan dat de personenauto of het motorrijwiel mede voor persoonlijk gebruik wordt aangewend; en

c. de werknemer als gevolg van de arbeidsverhouding tussen hem en zijn werkgever in beginsel geen invloed kan uitoefenen op de beslissing in welk land de personenauto of het motorrijwiel wordt geregistreerd.

4.2. De voorwaarden genoemd in de onderdelen b en c van 4.1 zijn niet in het geding, wel in geschil is de voorwaarde genoemd in onderdeel a van 4.1. Tevens is in geschil of de auto aan verzoeker ter beschikking is gesteld als bedoeld in genoemd artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit BPM. Tenslotte is in geschil of sprake is van in rechte te honoreren, door de inspecteur gewekt vertrouwen dat de onderhavige vrijstelling van toepassing is.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat het vereiste van artikel 2, onderdeel a, Uitvoeringsbesluit zodanig moet worden geïnterpreteerd dat de verzoeker zelf de auto tenminste hoofdzakelijk – dat wil blijkens de interpretatie van de Douane in dit geval zeggen voor 50% of meer – moet gebruiken voor haar werkzaamheden in het buitenland. Verzoeker heeft een kilometeradministratie over een periode maart tot en met mei 2005 overgelegd waaruit blijkt dat van de in maart, april en mei 2005 met de auto afgelegde kilometers ruimschoots meer dan 50% is gereden door haar echtgenoot (zonder verzoeker). De rechtbank acht aannemelijk dat deze kilometeradministratie representatief is voor het werkelijke gebruik van de auto in het algemeen. Daaruit volgt reeds dat verzoeker niet voldoet aan het hoofdzakelijk-vereiste van artikel 2, onderdeel a, Uitvoeringsbesluit BPM. De vraag of de door de echtgenoot verreden kilometers al dan niet zakelijk zijn, doet hierbij niet ter zake.

4.4. Gelet op het onder 4.3. overwogene, voldoet verzoeker niet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling van artikel 2, onderdeel a, Uitvoeringsbesluit. De vraag of de auto aan verzoeker of aan haar echtgenoot ter beschikking stond, behoeft dan geen beantwoording meer.

4.5. Verzoeker heeft zich tevens beroepen op het vertrouwensbeginsel.

4.5.1. Uit het door verzoeker bij het verzoekschrift overgelegde verslag van het gesprek met een medewerker van de Douane op 3 januari 2005 is af te leiden dat verzoeker uit het gesprek heeft geconcludeerd dat een vrijstelling op naam van verzoeker mogelijk zou zijn gecombineerd met gebruik van de auto door haar echtgenoot. Dat is ook in overeenstemming met de tekst van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit, dat medegebruik door gezinsleden toestaat. De inspecteur heeft ter zitting ontkend dat in dat gesprek zou zijn toegezegd dat de vrijstelling ook van toepassing zou zijn indien de echtgenoot van verzoeker de auto grotendeels zou gaan gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker het

bestaan van een dergelijke toezegging niet aannemelijk heeft gemaakt. Het enkel overleggen van de hiervoor genoemde gespreksnotitie acht de rechtbank daartoe onvoldoende, nu de juistheid van dit verslag niet door de betrokken medewerker van de Douane is bevestigd. Dit klemt temeer nu een dergelijke toezegging zozeer in strijd zou zijn met de tekst van de vrijstellingsbepaling in het Uitvoeringsbesluit, dat niet goed denkbaar is dat een medewerker van de Douane, die naar uit verzoekers gespreksnotitie blijkt op de hoogte is van de voorwaarden van de verschillende soorten vrijstellingen, een dergelijke ongeclausuleerde toezegging zou doen. De rechtbank acht wel aannemelijk dat de betrokken medewerker met verzoeker heeft overlegd over de problemen die samenhingen met het verkrijgen van slechts de beperkte vrijstelling van artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit, maar niet dat dat meedenken zo ver is gegaan dat verzoeker dat redelijkerwijs als een toezegging tot het oprekken van de vrijstelling van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit heeft kunnen opvatten.

4.5.2. Verzoeker heeft zich ook beroepen op de tekst van de toelichting bij het aanvraagformulier van de vrijstelling, in het bijzonder op de formulering: “De personenauto wordt hoofdzakelijk gebruikt voor de uitoefening van de werkzaamheden buiten Nederland. Dat wil zeggen dat het gebruik voor meer dan 50% zowel zakelijk als buiten Nederland moet plaats vinden.” Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze bewoordingen in redelijkheid niet anders worden uitgelegd dan dat zij betrekking hebben op gebruik door de vrijstellingsgenieter, en kan daaruit niet worden afgeleid dat gebruik in het buitenland door diens huisgenoten wordt toegerekend aan de vrijstellingsgenieter.

4.6. De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat de inspecteur terecht de vrijstellingsvergunning heeft ingetrokken. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard. Gegeven dit oordeel in de hoofdzaak, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.

5. Griffierecht en proceskosten

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb of voor vergoeding van griffierechten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren. De beslissing is op 25 oktober 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.H.W.N. Lammers, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Tegen de uitspraak inzake de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.