Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AU8198

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
07-07-2005
Datum publicatie
21-12-2005
Zaaknummer
AWB 05/277
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het door eiser betaalde bedrag voor de staanplaats van de recreatiewoning kan niet in aftrek worden gebracht als kosten van de eigen woning, in het bijzonder als een periodieke betaling op grond van het recht van erfpacht ex. artikel 3.120, eerste lid, letter b, van de Wet IB 2001, nu dit betaalde bedrag is aan te merken als een huurbetaling voor de staanplaats van de recreatiewoning.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.120, geldigheid: 2005-07-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 21
FutD 2005-2514

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/277

Uitspraakdatum: 7 juli 2005

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P],

verweerder,

gemachtigde [verweerder]

Betreft:

De uitspraak van verweerder van 1 februari 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2002 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een verzamelinkomen van € 21.541,=.

Onderzoek ter zitting:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2005.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, eiser tot bijstand vergezeld van zijn echtgenote

[naam echtgenote], alsmede de gemachtigde van verweerder.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

2.1. Eiser bewoont samen met zijn echtgenote een recreatiewoning in [adres] in [woonplaats]. In augustus 1977 hebben zij een contract voor onbepaalde tijd gesloten voor de staanplaats voor de recreatiewoning in [adres] te [woonplaats]. Over het jaar 2002 heeft eiser een bedrag van € 1.742,= betaald voor deze staanplaats.

2.2. De totale post inkomsten uit eigen woning is door eiser als volgt aangegeven in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002:

huurwaarde eigen woning € 426,=

hypotheekrente € 1.790,= (negatief)

recht van erfpacht en opstal € 1.742,= (negatief)

saldo € 3.106,= (negatief)

2.3. Eiser heeft een jaarplaatsfactuur voor het jaar 2005, ter indicatie van de kosten voor het jaar 2002, overgelegd van recreatiecentrum [adres]. Op deze factuur zijn de volgende kosten vermeld:

Verblijfkosten € 1305.00

Winterverblijf 1 x 550.00 = € 550.00

Totaal van de factuur € 1855.00

2.4. In geschil is het antwoord op de vraag of het betaalde bedrag ad. € 1.742,= voor de staanplaats van de recreatiewoning in aftrek gebracht kan worden als kosten van de eigen woning, in het bijzonder als een periodieke betaling op grond van het recht van erfpacht ex artikel 3.120, eerste lid, letter b Wet IB 2001.

2.5. In artikel 3.120 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) worden de aftrekbare kosten van de eigen woning vastgesteld. Kosten die niet specifiek in dit artikel zijn genoemd, worden geacht te zijn vergolden in het eigen woningforfait.

Op grond van artikel 3.120, eerste lid, letter b, van de Wet IB 2001 zijn periodieke betalingen op grond van het recht van erfpacht met betrekking tot de eigen woning aftrekbaar. Het recht van erfpacht betreft een zakelijke recht zoals genoemd in het Burgerlijk Wetboek. Daarin is onder andere opgenomen dat de in de akte van vestiging van het recht van erfpacht aan de erfpachter de verplichting kan worden opgelegd om aan de eigenaar al dan niet op regelmatig terugkerende tijdstippen een geldsom te betalen alsmede dat de akte van vestiging notarieel moet worden verleden en ingeschreven moet worden in de openbare registers. Slechts periodieke betalingen op grond van eerderbedoeld recht van erfpacht zijn aftrekbaar als kosten van de eigen woning ex artikel 3.120, eerste lid, letter b Wet IB 2001.

2.6. Het contract dat eiser voor onbepaalde tijd heeft gesloten met recreatiecentrum [adres] voor de staanplaats van de recreatiewoning, voldoet naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet aan de in het Burgerlijk Wetboek gestelde eisen ten aanzien van de vestiging van het recht van erfpacht omdat niet is gebleken dat het contract notarieel is verleden en ingeschreven is in de daartoe bestemde openbare registers. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de betalingen die eiser jaarlijks aan het recreatiecentrum voldoet aan te merken als huurbetalingen voor de staanplaats van de recreatiewoning. In de Wet IB 2001 is geen bepaling opgenomen die het mogelijk maakt de huurbetalingen van de staanplaats in aftrek te brengen.

2.7. Nu ook de eerderbedoelde betalingen naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk zijn te stellen aan de in artikel 3.120, eerste lid, letter b IB 2001 bedoelde aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning is het gelijk ten aanzien van de in geschil zijnde vraag aan de zijde van verweerder, zodat op grond van het vorenoverwogene het beroep ongegrond is verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A.J. Kromhout. De beslissing is op 7 juli 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.H.W.N. Lammers, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.