Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AU8189

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
15-12-2005
Datum publicatie
15-12-2005
Zaaknummer
02/801139-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Breda heeft vandaag, op 15 december 2005, uitspraak gedaan in de rechtszaken tegen twee personen die ervan werden verdacht op 19 augustus 2005 een 16 jarig meisje dat op haar fiets naar huis reed uit haar werk, van het leven te hebben beroofd door haar geen voorrang te verlenen, waardoor zij met hun auto tegen haar zijn aangereden. Vervolgens is de plek van het ongeval verlaten. Als verdachten zijn aangemerkt zowel de bestuurder als de bijrijder van de auto.

De bestuurder was in zijn auto gestapt, terwijl hij zeer veel gedronken had (ruim 1 liter wodka) en bovendien door twee voorvallen gewaarschuwd was dat hij niet tot besturen in staat was. De omstandigheden van het geval hebben ertoe geleid dat de rechtbank acht hem schuldig acht aan doodslag en aan doorrijden na een verkeersongeval. De rechtbank heeft hem voor deze feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 10 jaren.

De rechtbank is van oordeel dat de bijrijder niet schuldig is aan doodslag. Hij is echter wel schuldig bevonden aan doorrijden na een verkeersongeval. Hij was immers betrokkene bij het verkeersongeval. De rechtbank heeft hem voor dat feit een werkstraf opgelegd voor de duur van 180 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Parketnummer: 02/801139-05

1 Partijen. Onderzoek van de zaak.

In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen:

[verdachte]

geboren op [datum en plaats],

wonende volgens zijn opgave ter terechtzitting te [adres]

heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen.

De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.

2 De tenlastelegging.

De verdachte staat terecht, terzake dat

hij op of omstreeks 19 augustus 2005 te Breda tezamen en in vereniging met een

ander, althans hij verdachte, opzettelijk (op en/of ter hoogte van de

(kruising van de) Tuizigtlaan en/of de Acaciastraat en/of Argusvlinder)

E.G. De Ridder van het leven heeft beroofd, immers zijn verdachte en/of zijn

mededader met dat opzet met een personenauto, terwijl verdachte en zijn

mededader een ((zeer) grote) hoeveelheid alcoholhoudende drank genuttigd

hadden, met een (zeer) hoge snelheid, althans een hogere snelheid dan ter

plaatse is toegestaan, althans met onverminderde snelheid, de kruising van de

Tuinzigtlaan met de Acaciastraat op- en overgereden op het moment dat

voornoemde De Ridder op de fiets vanuit de Acacialaan diezelfde kruising op

reed, en heeft hij, verdachte, die De Ridder (die van rechts kwam en voorrang

had) geen voorrang verleend, althans geen vrije doorgang verleend, waardoor

verdachte en/of zijn mededader met voornoemde personenauto tegen de fiets

en/of het lichaam van die De Ridder is aangereden, (mede) tengevolge waarvan

die De Ridder is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 augustus 2005 te Breda, tezamen en in vereniging met

een ander, als verkeersdeelnemer, namelijk als passagier van een motorrijtuig

(zijnde een personenauto, merk Volkswagen, kenteken [kenteken]), bestuurd door

zijn medeverdachte daarmede rijdende over de weg, te weten de kruising van de

Tuinzigtlaan met de Acaciastraat en/of de Argusvlinder,

zich zodanig heeft/hebben gedragen dat een aan zijn/hun schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval in hoge,

althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en of onnadenkend

en/of ondeskundig,

na het nuttigen van een ((zeer) grote) hoeveelheid alcoholhoudende drank,

met een (zeer) hoge snelheid, althans een hogere snelheid dan ter plaatse is

toegestaan, althans met onverminderde snelheid, de kruising van de

Tuinzigtlaan met de Acaciastraat en/of de Argusvlinder op- en/of over te

rijden op het moment dat E.G. De Ridder op de fiets diezelfde kruising op

reed, en die De Ridder (die van rechts kwam en voorrang had) geen voorrang te

verlenen, althans geen vrije doorgang te geven, waardoor hij met zijn

personenauto tegen de fiets en/of het lichaam van die De Ridder is aangereden,

(mede) waardoor voornoemde De Ridder werd gedood,

terwijl hij en zijn mededader verkeerde(n) in de toestand als bedoeld in

artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het

feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede,

zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 augustus 2005 te Breda als degene die bij een

verkeersongeval op en/of ter hoogte van de kruising van de Tuinzigtlaan met de

Acaciastraat en/of de Argusvlinder, was betrokken, de plaats van het ongeval

heeft verlaten,

terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een

ander (te weten E.G. de Ridder) was gedood, dan wel aan een ander (te weten

E.G. de Ridder) letsel en/of schade was toegebracht;

althans,

terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander

(te weten E.G. de Ridder) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in

hulpeloze toestand werd achtergelaten;

art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

3 De geldigheid van de dagvaarding.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4 De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen.

6 Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7 De bewezenverklaring.

7.1 Vrijspraak en de gronden daarvoor.

Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Verdachte is in een auto gestapt als bijrijder, terwijl hij wist dat de bestuurder van de auto niet in staat was om de auto behoorlijk te besturen. Met deze auto wordt vervolgens een fietser dood gereden. Aangezien verdachte niet de bestuurder van de auto is geweest, kan verdachte niet worden veroordeeld voor doodslag, noch voor schuld aan een dodelijk ongeval.

7.2 Hetgeen bewezen is.

Door het onderzoek ter terechtzitting is evenwel naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

op 19 augustus 2005 te Breda als degene die bij een verkeersongeval op de kruising van de Tuinzigtlaan met de Acaciastraat en de Argusvlinder, was betrokken, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander letsel en/of schade was toegebracht.

Hetgeen onder tweede subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8 Het bewijs.

De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

8.1 De bewijsmiddelen.

8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat er nog geen uitspraak bekend is waarbij een bijrijder werd veroordeeld. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat in de gevallen waar degene die op de plaats van de bijrijder heeft gezeten is veroordeeld, de bijrijder is aangemerkt als bestuurder. De raadsman heeft verder aangevoerd dat artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 is geschreven voor bestuurders. Hij heeft tenslotte aangevoerd dat zijn cliënt niet wist dat er meer was geraakt dan een paal. Hij vordert daarom vrijspraak van het tweede subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. In artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 is uitdrukkelijk opgenomen: “degene die bij een verkeersongeval is betrokken”. Verdachte heeft in een auto gezeten die een ongeval heeft veroorzaakt. Hij is derhalve als bijrijder betrokken geweest bij dit ongeval. Hij wist dat er daarbij letsel en/ of schade aan iemand was toegebracht. Zelfs als verdachte slechts wist dat er een paal geraakt zou zijn, zoals hij heeft verklaard, is er schade aan iemand toegebracht. Hij had daarom onmiddellijk de bestuurder erop moeten wijzen dat ze de schade moesten bekijken. Doordat hij dit verzuimd heeft, is hij schuldig aan het hem onder tweede subsidiair ten laste gelegde.

9 De strafbaarheid van het bewezene.

Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende misdrijf op:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.

10 De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen.

11 De straffen en maatregelen.

11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf.

Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen.

11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het onder tweede subsidiair ten laste gelegde op te leggen een gevangenisstraf van 3 maanden.

Verdachte wordt verweten dat hij, nadat hij betrokken was bij een verkeersongeval, is doorgereden, terwijl hij wist dat een ander letsel en/ of schade was toegebracht. De onderliggende feiten van het ongeval zijn zeer ernstig. Verdachte en de bestuurder van de auto hadden allebei een zeer grote hoeveelheid alcohol genuttigd. Verdachte wist dat de bestuurder niet in staat was de auto naar behoren te besturen. Bovendien is door het ongeval een meisje van 16 jaar overleden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij nooit bij de bestuurder in de auto had moeten plaatsnemen. Hij heeft ook aangegeven dat hij het verlies heel erg vindt voor de familie van het slachtoffer. Hij heeft oprecht berouw getoond.

De rechtbank overweegt dat het een zeer ernstig feit betreft. Het feit kan aan verdachte echter minder worden toegerekend dan aan de bestuurder. Bovendien toont verdachte berouw. De rechtbank acht het noodzakelijk dat verdachte gestraft wordt voor hetgeen jegens hem bewezen is verklaard. Een gevangenisstraf, zoals de officier van justitie eist, is echter, gelet op de overige omstandigheden, te zwaar. De rechtbank zal verdachte daarom een werkstraf opleggen van na te noemen duur.

12 De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 27 en 91 van het wetboek van strafrecht en de artikelen 7, 176, 178 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994.

13 De beslissing.

RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7.2 is omschreven.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder tweede subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het onder 9 vermelde strafbare feit.

Zij verklaart de verdachte deswege strafbaar.

Zij veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 180 uren, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, te vervangen door 90 dagen vervangende hechtenis.

Zij bepaalt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. Janssen, voorzitter, mr. Van Oijen en mr. Zuidema, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Kleijn Hesselink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 december 2005, zijnde mr. Zuidema buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.