Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBBRE:2005:AU6864

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
18-11-2005
Datum publicatie
25-11-2005
Zaaknummer
AWB 05/1444
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende wacht met het doen van aangifte van een dividenduitkering en de betaling van de desbetreffende dividendbelasting tot hij een woonplaatsverklaring uit de Nederlandse Antillen heeft ontvangen. De rechtbank acht een boete terecht aangezien niet meteen bij de dividenduitkering aangifte is gedaan en de belasting is afgedragen. Het lang moeten wachten op die woonplaatsverklaring is geen reden de boete te matigen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f
Wet op de dividendbelasting 1965 7
Belastingregeling voor het Koninkrijk 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/23.2 met annotatie van Redactie
FutD 2005-2329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/1444

Uitspraakdatum: 18 november 2005

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[eiser], gevestigd en kantoorhoudende te [plaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, te [P], verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en Inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar:

De uitspraak van de Inspecteur van 30 maart 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde vergrijpboete ten bedrage van € 3.164,-- bij de naheffingsaanslag in de dividendbelasting ter zake van een dividenduitkering op 31 december 2002.

Onderzoek ter zitting:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2005 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord mr. [A] te [Q], namens belanghebbende alsmede mr. Ing. [B] namens de Inspecteur.

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

1. De rechtbank wijst het verzoek van de Inspecteur de zaken met de procedurenummers 05/1444, 05/1445 en 05/1446 te voegen in de zin van artikel 8:14 van de Awb af.

2. Vaststaat dat belanghebbende op 31 december 2002, onder inhouding van € 12.657,-- aan dividendbelasting, een dividend heeft uitgekeerd van € 152.500,-- aan de naar Antilliaans recht opgerichte vennootschap [naam A] NV, feitelijk gevestigd op de Nederlandse Antillen. Op 22 december 2004 is van die dividenduitkering aangifte gedaan en op 17 december 2004 is de ingehouden dividendbelasting afgedragen. Met dagtekening 16 maart 2004 is door de Antilliaanse belastingadministratie, op het daartoe strekkende verzoek van [naam A] BV van 3 maart 2004, een (woonplaats)verklaring als bedoeld in artikel 11, derde lid van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) in verbinding met artikel 4 van de Uitvoeringsvoorschriften artikel 11 BRK afgegeven. Bij al deze handelingen is gebruik gemaakt van de diensten van ter zake deskundigen.

Ten tijde van de dividenduitkering was belanghebbende zich ervan bewust dat zij binnen één maand na die uitkering de verschuldigde dividendbelasting op aangifte diende af te dragen.

3. In geschil is of de bij de onderhavige naheffingsaanslag genomen boetebeschikking opgelegde vergrijpboete van 25% terecht dan wel tot een juist bedrag is opgelegd.

4. De rechtbank is van oordeel dat het aan belanghebbendes grove schuld is te wijten dat de ingehouden dividendbelasting niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn van één maand op aangifte is afgedragen. Nu belanghebbende, althans haar belastingadviseur zich ervan bewust was dat zij de dividendbelasting moest afdragen binnen één maand nadat het dividend ter beschikking is gesteld, en die belasting eerst op 17 december 2004 heeft afgedragen, is het aan belanghebbendes ernstige nalatigheid te wijten dat de belasting te laat is afgedragen. De omstandigheid dat zij voor de toepassing van het lagere tarief over een woonplaatsverklaring van de dividendgerechtigde diende te beschikken en die verklaring eerst in maart 2004 is afgegeven doet daar niet aan af.

5. Op grond van het bepaalde in artikel 67f, eerste lid, van de AWR kan de Inspecteur in gevallen als de onderhavige een vergrijpboete opleggen tot 100% van de te laat afgedragen belasting. De Inspecteur heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht, de boete opgelegd met in achtneming van het bepaalde in paragraaf 25 van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst 1998.

De rechtbank acht hierbij mede van belang dat belanghebbende jaren gewacht heeft met het afdragen van de verschuldigde belasting tot het vorenvermelde bedrag en daarbij gebruik heeft gemaakt van de diensten van ter zake deskundige adviseurs wier kennis aan belanghebbende moet worden toegerekend. Hierbij speelt geen enkele rol of de door belanghebbendes gemachtigde op de Nederlandse Antillen ingeschakelde deskundige al dan niet een filiaal van belanghebbendes gemachtigde is omdat deze geen invloed heeft gehad op het niet binnen één maand na de ter beschikkingstelling van het dividend af te dragen dividendbelasting. De rechtbank is tevens van oordeel dat een vergrijpboete van € 3.164,-- ter zake van een te late betaling van € 12.657,-- niet te hoog is. De rechtbank is daarom van oordeel dat ter zake van de verweten gedraging, het te laat af dragen van de verschuldigde belasting, de boete zowel relatief als absoluut passend en geboden is.

6. Belanghebbendes stelling dat sprake is van een wanverhouding tussen het verweten gedrag en de opgelegde boete wordt op grond van het vorenstaande verworpen. De Inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht geen matiging wegens wanverhouding toegepast.

7. De rechtbank verwerpt eveneens belanghebbendes stelling dat in de omstandigheid dat de woonplaatsverklaring eerst 15 maanden nadat het dividend is uitgekeerd is afgegeven een verzachtende omstandigheid is gelegen op grond waarvan de boete zou moeten worden gematigd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de belasting nagenoeg 24 maanden na de uitbetaling van het dividend is afgedragen en daarom onvoldoende verband bestaat tussen de te late afdracht en de genoemde omstandigheid. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor genoemde omstandigheid, te weten het wachten op de woonplaatsverklaring, in dit geval reeds naar zijn aard geen verzachtende omstandigheid is die noopt tot matiging. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende dan wel haar gemachtigde redelijkerwijs had dienen te begrijpen dat zij bij gebreke aan een woonplaatsverklaring van haar aandeelhouder gehouden was ter zake van de uitkering van het dividend 25% dividendbelasting in te houden en binnen één maand op aangifte diende af te dragen, waartegenover de aandeelhouder vervolgens met gebruikmaking van de teruggaafprocedure als bedoeld in artikel 5 van de Uitvoeringsvoorschriften artikel 11 BRK onder overlegging van een woonplaatsverklaring om restitutie van de ingehouden en afgedragen dividendbelasting tot op 8,3% had kunnen verzoeken.

8. Belanghebbendes beroep op toepassing van het bepaalde in paragraaf 28, derde lid, van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst 1998 kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen aangezien de afdracht van de dividendbelasting eerst heeft plaats gevonden nadat de Inspecteur met betrekking tot de winstuitdeling naar aanleiding van de aangifte vennootschapsbelasting van belanghebbende vragen heeft gesteld.

9. Op grond van al het vorenstaande is de vergrijpboete terecht en tot een juist hoogte opgelegd zodat moet worden beslist als hiervoor vermeld.

10. De rechtbank ziet, nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld, geen aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende voor zowel het beroep als het bezwaar.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. J.J.J. Engel en mr. A.J. Kromhout. De beslissing is op 18 november 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M.H.W.N. Lammers, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.